Atalja

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Atalja
Atalja volgens het Promptuarii Iconum Insigniorum
Atalja volgens het Promptuarii Iconum Insigniorum
Koningin van Juda
Periode 842-837 v.Chr.
Voorganger Achazja
Opvolger Joas
Vader Achab
Moeder Izebel
Dynastie Huis van David
Broers/zussen Joram
Achazja
Partner van Joram
Kinderen Achazja
Jehoseba

Atalja, of Athalia, (Hebreeuws עתליה, haar naam betekent "de Heer is verheven" of "de Heer heeft weggenomen") was koningin van Juda. Haar regeerperiode wordt tegenwoordig gedateerd op 842 v.Chr. tot 837 v.Chr. of van 841 v.Chr. tot 835 v.Chr..

Atalja was de kleindochter van de Israëlitische koning Omri en dochter van Achab. Haar huwelijk met koning Joram van Juda bezegelde een vredesverdrag tussen Israël en Juda. Als Fenicische, en dochter van Izebel, was zij vereerster van Baäl, die in Israël vereerd werd, en voerde zij de oude cultus ook in Jeruzalem, hoofdstad van Juda, in.

Na de dood van Joram van Juda werd Achazja van Juda, zoon van Joram en Atalja, koning. In deze periode was Atalja dus koningin-moeder. Tijdens een bezoek aan koning Joram van Israël werd Achazja echter net als Atalja's moeder Izebel door Jehu van Israël, volgeling van de profeet Elisa, vermoord.

Geen van de zonen van Achazja was in de positie om hem op te volgen. Daarom werd Atalja koningin van Juda. Zij liet alle telgen van koning David ombrengen. Eén van haar kleinkinderen, Joas, werd echter gered door Jehosabat, een zus van Achazja die getrouwd was met de Jahwehgezinde priester Jojada (hogepriester). Zes jaar werd de jonge Joas verborgen gehouden. Toen hij zeven was, werd hij door Jojada uitgeroepen tot koning van Juda. Toen Atalja het volk "Lang leve de koning" hoorde roepen, spoedde ze zich naar de tempel om de opstand te beteugelen. Daar werd ze echter gevangengenomen en bij het paleis omgebracht.

Archeologen hebben in Jeruzalem negen Fenicische graven onderaan in de necropolis gevonden, onafgewerkt.

De Bijbelse versie van wat boven beschreven is staat te lezen in 2 Koningen 8-11 en 2 Kronieken 22-24.