Balaur (dinosauriër)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Balaur
Status: Uitgestorven, als fossiel bekend
Balaur bondoc
Balaur bondoc
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Superorde: Dinosauria (Dinosauriërs)
Orde: Saurischia
Onderorde: Theropoda
Infraorde: Deinonychosauria
Familie: Dromaeosauridae
Onderfamilie: Velociraptorinae
Geslacht
Balaur (dinosauriër)
Csiki et al., 2010
Typesoort
Balaur bondoc
Afbeeldingen Balaur op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Reptielen

Balaur is een vleesetend geslacht van theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Eumaniraptora, dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Roemenië.

Vondst en naamgeving[bewerken]

In september 2009 vond paleontoloog Mátyás Vremir in de afkalvende oeverwal van de rivier de Sebeş bij Sebeş Glod een klein fossiel dat hij samen met zijn zonen Gabór en Bence opgroef. In 2010 werd het door Vremir, Zoltán Csikia, Stephen Brusatte en Mark Norell benoemd als de typesoort Balaur bondoc. De geslachtsnaam verwijst naar de Balaur, een veelkoppige draak of reuzenslang uit de Roemeense mythologie. De slang is gevleugeld en de naam is mede bedoeld als een verwijzing naar de nauwe verwantschap van Balaur met de vogels binnen de Paraves. De soortaanduiding bondoc betekent zoiets als "opdondertje" in het Roemeens. Het is een verwijzing naar de gedrongen bouw van het dier, maar ook omdat het woord afkomstig is van het Turkse bunduk, "balletje", naar de Aziatische herkomst van zijn voorouders.

Het holotype EME VP.313

Het holotype, EME VP.313, is aangetroffen in een laag van de Sebeşformatie die dateert uit het vroege Maastrichtien, ongeveer 68 miljoen jaar oud. Het bestaat uit: een voorste ruggenwervel, een reeks van zeven meer naar achteren gelegen ruggenwervels, een sacrum van vier sacrale wervels, een caudosacrale wervel, vijf voorste staartwervels, een gedeeltelijk darmbeen, de schaambeenderen, de zitbeenderen, delen van de schoudergordel, de gehele rechterarm, de gedeeltelijke linkerarm, het linkeronderbeen inclusief voet en een rechtertarsometatarsus. Het bot toont een vreemde rimpelige oppervlakteverwering die wel vaker wordt aangetroffen bij Roemeense fossielen uit deze periode. Het bot is daarbij intern aangetast door een recente schimmelinfectie. De borstbeenderen werden wel aangetroffen maar bleken zo fragiel dat het mislukte ze te bergen. De resten zijn van een volwassen of bijna volwassen dier. Hoewel onvolledig, vertegenwoordigden ze in 2010 de best bekende theropode uit het Opper-Krijt van Europa.

De beschrijvers verwezen ook een tweede vondst naar de soort: FGGUB R. 1580-1585, bestaande uit zes elementen van de voorste ledematen in 1997 door Dan Grigorescu gevonden bij Tuştea en in 2005 beschreven als van een onbepaald lid van de Oviraptorosauria. Het probleem met deze toewijzing is dat deze specimina 45% langer lijken te zijn dan het holotype en ook stammen uit een laag die een paar miljoen jaar jonger is. Ze tonen echter de kenmerken van Balaur. In 2013 verwijderde Brusatte, in het kader van een nauwkeuriger beschrijving, dit specimen weer uit het materiaal van Balaur bondoc en wees het toe aan een Balaur sp.

Beschrijving[bewerken]

Balaur bondoc
Balaur in grootte vergeleken met een mens

Balaur is een vrij kleine roofsauriër. Het holotype heeft een scheenbeen dat 153 millimeter lang is wat duidt op een lichaamslengte van nog geen anderhalve meter. Het tweede exemplaar zou dan boven de twee meter lengte komen.

Balaur heeft een aantal ongebruikelijke kenmerken. De hand toont een sterke reductie en vergroeiing zodat er maar twee functionele vingers overblijven; de derde vinger is bijna verdwenen; er is alleen een rudiment over van een kootje plus een kleine klauw. De middenhandsbeenderen en de polsbeenderen zijn vergroeid tot een enkele verstijfde carpometacarpus. De handklauwen zijn echter goed ontwikkeld. In het bekken zijn de schaambeenderen extreem sterk naar achteren gericht en tonen aanhechtingspunten voor spieren die het dijbeen naar achteren moesten trekken, althans een gedeelte van de functie van de staartspieren overnemend, een zeer vogelachtig kenmerk. Ook heel vogelachtig is de vergroeiing van de middenvoetsbeenderen in een enkel element en het bezit van een vergroot uitsteeksel op het ravenbeksbeen. De meest opmerkelijke eigenschap van Balaur betreft echter een omkering van eigenschappen: waar bij de meeste afgeleide theropoden de eerste teen sterk gereduceerd is, blijkt die bij Balaur weer verlengd te zijn en een tweede opgetrokken sikkelklauw te dragen naast de maar iets kleinere sikkelklauw van de tweede teen die normaal is voor de Eumaniraptora.

De voet met de opmerkelijke dubbele sikkelklauw

Balaur heeft ook meer subtiele unieke afgeleide kenmerken, autapomorfieën: het opperarmbeen heeft midden op de onderkant van de schacht een lange lage kam, onderaan de zijkant een golvende richel en een gewrichtsknobbel die het spaakbeen raakt die aan de voorkant gelegen is; de ellepijp heeft een vlakke voorkant in tweeën gedeeld door een richel in de lengterichting; het tweede middenhandsbeen heet aan de zijkant een richel die uitsteekt over het derde middenhandsbeen en een gewricht dat niet doorloopt tot aan de binnenkant.

Fylogenie[bewerken]

Volgens een exacte cladistische analyse door de beschrijvers uitgevoerd behoort Balaur tot de Dromaeosauridae en is binnen de engere Velociraptorinae de zustersoort van Velociraptor.

Het gebied vormde in het late Krijt een eiland in de Europese Archipel, het zogenaamde Haţageiland. Volgens de beschrijvers wijst de nauwe verwantschap van Balaur met een soort uit Laurasia dat de isolatie niet erg sterk geweest kan zijn en dat het bij tijd en wijle mogelijk geweest moet zijn de archipel vanuit het oosten te bereiken.

Levenswijze[bewerken]

De beschrijvers stelden dat het fysiek van Balaur, gedrongen maar stevig en zwaar gespierd, erop duidt dat hij niet voor snelheid maar sterkte gebouwd was. Hij zou gespecialiseerd zijn in het bejagen van vrij grote prooien; daarom zou de dubbele sikkelklauw zijn ontwikkeld teneinde de hoeveelheid schade die de voet kon toebrengen, te vergroten. De bruikbaarheid van de handklauwen achtten ze gering. Van het Haţageiland zijn geen grotere theropoden bekend, zelfs niet van losse tanden, waaruit werd afgeleid dat Balaur de apexpredator was van zijn habitat.

Volgens de Italiaanse paleontoloog Andrea Cau echter, wijzen de vogelachtige kenmerken erop dat Balaur afstamt van een vliegende voorouder. De voorouders van de soort zouden na vliegend op het eiland terechtgekomen te zijn hun vermogen tot vliegen hebben verloren terwijl ze in grootte toenamen. De vergrote eerste teen zou ontwikkeld zijn om het toegenomen gewicht te dragen van een vorm die zich gezien het brede bekken specialiseerde in het eten van planten. Cau zelf noemde dit het "Dodoraptor"-model.

Literatuur

  • Csiki, Z. & Grigorescu, D., 2005. A new theropod from Tustea: are there oviraptorosaurs in the Upper Cretaceous of Europe?. Kaupia 14: 78.
  • Csiki, Z., Vremir, M., Brusatte, S.L. & Norell, M.A., 2010. An aberrant island-dwelling theropod dinosaur from the Late Cretaceous of Romania. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America preprint. DOI:10.1073/pnas.1006970107
  • Stephen L. Brusatte, Mátyás Vremir, Zoltán Csiki-Sava, Alan H. Turner, Akinobu Watanabe, Gregory M. Erickson, and Mark A. Norell, 2013, "The Osteology of Balaur bondoc, an Island-Dwelling Dromaeosaurid (Dinosauria: Theropoda) from the Late Cretaceous of Romania", Bulletin of the American Museum of Natural History 374: 1-100