Balthasar Coymans (1652-1686)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Keizersgracht 177. Het huis van de familie Coymans, gebouwd door Jacob van Campen in 1625. Tekening door Caspar Philips voor het Grachtenboek, uitgegeven in 1771, destijds bewoond door Balthasar en Joseph Coymans

Balthasar Coymans (Amsterdam, 14 januari 1652 - Cadiz, 8 november, begraven 21 december 1686 in de Westerkerk) was een koopman in Spanje en trad daar op voor de firma Coymans, sinds 1625 actief vanaf de Keizersgracht. Balthasar, die ongetrouwd bleef, was een zoon van Johannes Coymans (1601-1657) en Sophia Trip, en een kleinzoon van Elias Trip.

In de jaren veertig van de 17e eeuw werd de firma Coymans de grootste rekeninghouder bij de Amsterdamse Wisselbank en verdiende alleen al 300.000 gulden aan interest op leningen. Vanuit Amsterdam handelde zij bovendien in Zweeds ijzer en teer. In de jaren vijftig investeerde de firma in de turfexploitatie van het Oost-Groningse Wildervanck, maar zijn moeder deed haar aandeel over aan haar broer Jacob Trip.[1]

Vanuit een filiaal in Cadiz werd handel gedreven op Zuid-Amerika. In 1669 verkregen zijn veel oudere neven Balthasar Coymans (1618-1690) en Joseph Coymans (1621-1677) een subcontract om slaven te verzenden naar Curaçao. Rond 1678 verhuisde hij zelf naar de Spaanse havenstad in Andalusië en werkte samen met Pedro van Belle en zijn opvolger Balthasar Beck.

Het Asiento[bewerken]

De concurrentie bij Elmina nam toe, door de Engelsen die in 1672 de Royal African Company hadden opgericht, en aangezwengeld door de Grote Keurvorst van Brandenburg, die in 1682 de Brandenburgse Afrikaanse Compagnie was gestart in Emden.[2] De Deense West-Indische en Guineese Compagnie probeerde afbreuk aan de WIC te doen, en zou slaven aanvoeren naar het eiland Saint Thomas, dat zij sinds 1671 bezat.

De driehoekshandel over de Atlantische Oceaan

Op 23 februari 1685 verkreeg Balthasar Coymans van de Spaanse Kroon het octrooi (Asiento de Negros) om jaarlijks 3.000 slaven voor de Spaanse kolonies te leveren. Aan de WIC besteedde hij de opdracht uit om slaven naar Curaçao te transporteren.[3] Coymans verplichtte zich in maart tot het zenden van tien katholieke geestelijken naar Curaçao om de slaven te bekeren voordat zij aan de Spanjaarden werden geleverd,[4][5] alsmede tot levering van vier oorlogsschepen, in Amsterdam gebouwd en contante betaling aan de regering in de Spaanse Nederlanden. In april kreeg hij toestemming slaven aan de gouverneur van Buenos Aires te leveren.[6]

Als gevolg was Coymans in staat een groot handelsnetwerk tussen Amsterdam, Madrid, Cádiz, West-Afrika, Curaçao, Carthagena de Indias en Portobelo op te zetten. Niet alle slaven werden vanuit Afrika verscheept, maar een deel werd van de Engelsen op Jamaica gekocht. Balthasar Coymans was daar op tegen vanwege de vermeende lagere arbeidsproductiviteit van deze slaven. Zijn agenten in Amsterdam waren zijn broer Joan Coymans, een van de grootste handelaren in linnen en specerijen met de Spaanse wereld, en baron Manuel de Belmonte, woonachtig op Herengracht 586. Het handelshuis beleefde nu zijn hoogtijdagen, maar al in juli 1686 werd het contract door de Spaanse kroon geannuleerd. De zaak werd doorverwezen naar de Junta de Asiento de negros, een instelling die door de Nederlanders niet werd erkend.

Balthasar Coymans, bewindhebber generaal en als directeur generaal van de handel in slaven op Nieuw-Spanje, stierf in zijn huis in Cadiz, met veel meubels en schilderijen (zeegezichten), een eetkamer versierd met landkaarten. Hij bezat 130 boeken in meerdere talen, twee paarden, een paar slaven en mooie kleren. In zijn huis was een kleine kapel ingericht en hij had een priester in dienst, genaamd Don Francisco de Ribas.[7] Coymans is bijna zes weken later in Westerkerk begraven.[8]

In feite is het contract slechts drie jaar uitgevoerd, en in plaats van de 9.000 contractuele slaven, werden er in die periode slechts 4896 slaven geleverd. De Spanjaarden waren Coymans op dat moment al 500.000 pesos verschuldigd, maar voerden allerlei bezwaren aan, waardoor de samenwerking feitelijk tot een eind kwam.[9]

Nicolás Porcio, die het Asiento in 1685 aan Coymans had verloren, voerde een propagandacampagne tegen de calvinistische Nederlanders, en dat vond na de dood van Coymans in het door de Inquisitie beheerste Spanje gehoor. De overeenkomst werd geannuleerd en Coymans opvolger, Jan Carçau, werd in maart 1688 gevangengenomen.[10] Het Asiento werd door Spanje opnieuw verleend aan Porcio.

Francisco de Ribas stuurde in 1690 slaven naar Curaçao met een schip van de firma Coymans:

1690 Joan Coymans, oud-schepen alhier en ook voor Manuel de Belmonte, paltsgraaf van het Heilige Roomse Rijk en minister van de koning van Spanje, ook voor Samuel Timmerman [getrouwd met Leonora Coymans] en de erfgenamen van Henrico Staats, allen geïnteresseerden in de geanticisseerde (?) en betaalde mesades (maandlonen) aan de koning van Spanje ter eenre en Philippo van Hulten met procuratie van Balthasar Beck ook voor Coenraad Determeijer ter andere zijde. (Over 70319 (?) 3/4 stukken van achten (slaven!) uit Porto Belo door don Francisco de Ribas gezonden op Curaçao met het schip de Koning Balthasar. Zijn door directeur Willem Kerckrinck der WIC zich aangematigd enz, enz.[11][12]