Banu Qurayza

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Banu Qurayza worden verslagen

De Banu Qurayza (Arabisch: بني قريظة; بنو قريظة, alternatieve spellingen: Quraiza, Qurayzah en Quraytha) waren een Joodse stam in het noorden van Arabië. Deze stam, bestaande uit enige duizenden personen, werd verslagen door Mohammed in 627.

Ibn Ishaq (767-770) vertelt in zijn biografie van Mohammed hoe in het vijfde jaar van de hijra, aartsengel Gabriël verscheen aan Mohammed, na de zogenaamde slag van de gracht. De engel vroeg hem: Heb je je wapen neergelegd? Mohammed antwoordde bevestigend. De aartsengel commandeerde Mohammed: Allah beveelt je, Mohammed, ga naar Banu Qurayza. Ik ga naar hen toe om hun bolwerk op zijn grondvesten te doen schudden. Mohammed ging naar de joden en riep ze op: Apen, Allah is jullie ongenadig en brengt jullie Zijn wraak. Aan de joden werd voorgesteld om moslim te worden; daarmee konden ze hun leven en bezittingen veiligstellen. De joden weigerden dit. Na een belegering van 25 dagen gaven zij zich over op voorwaarde dat ze mochten blijven leven.

Na hun vrijlating vroeg Mohammed aan Sa’d ibn Mu’aadh (een lid van Aws-stam), om een vonnis te vellen over de toestand van die joden. Hij stond hun toe om berecht te worden volgens de Joodse wetten. In deze wetten stond op verraad en het schenden van verdragen de doodstraf door onthoofding. Zijn vonnis luidde: De joodse mannen moeten worden gedood, hun bezittingen moeten worden verdeeld. Joodse vrouwen en kinderen moeten als slaven onderling worden verdeeld. Daarna werden de joden naar de bazaar van Medina gebracht. In Medina moesten op bevel van Mohammed greppels worden gegraven. De joden moesten erin gaan zitten. Ze werden één voor één onthoofd. Volgens de gezaghebbende historicus en theoloog Al-Tabari (838-923) werden tussen 700 en 900 joodse mannen onthoofd. Mohammed zelf was bij de slachting aanwezig. Hierna waren er geen joodse stammen in Medina meer over.