Basilica van Constantijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Basilica van Constantijn
onderdeel van de werelderfgoedinschrijving:
Romeinse monumenten, Dom en Onze-Lieve-Vrouwekerk van Trier
Basilica van Constantijn
Basilica van Constantijn
Land Vlag van Duitsland Duitsland
UNESCO-regio Europa en Noord-Amerika
Criteria i, iii, iv, vif
Inschrijvingsverloop
UNESCO-volgnr. 367
Inschrijving 1986 (10e sessie)
UNESCO-werelderfgoedlijst

De Basilica van Constantijn (Latijnse naam: Aula Palatina) in Trier, is een uit baksteen opgetrokken basilica, die waarschijnlijk omstreeks 310 gebouwd is, tijdens de regeringsperiode van Constantijn de Grote.

Het gebouw is gelegen op een plateau dat in de Romeinse tijd reikte van waar nu de Onze-Lieve-Vrouwekerk is tot de Keizerthermen. Er direct naast staat het Keurvorstelijk Paleis, residentie van de keurvorsten van het Aartsbisdom Trier, van de 17e eeuw tot 1794.

Vroeger had de basilica de functie van een paleis; het was de troonzaal van Constantijn de Grote (306-337) als hij in het noordwesten van het Romeinse Rijk was. De grote zaal is 30 meter hoog, 27 meter breed en 67 meter lang, wat zelfs nog groot is voor onze standaarden vandaag. Met de grootte van het bouwwerk wilden de Romeinen de grootsheid en macht van de keizer benadrukken. Deze intentie wordt versterkt door een optische illusie, die de zaal nóg groter doet lijken. Daarbij is de hal de grootste die intact gebleven is uit heel de Romeinse oudheid.

Het interieur was gedecoreerd met mozaïeken, kleurrijk marmer en beelden. Om het geheel nog aangenamer te maken, werd het paleis nog voorzien van een vloerverwarmingssysteem. De buitenkant was helemaal bepleisterd en had een galerij over heel zijn lengte onder de ramen, die 7 meter hoog zijn en 3,5 meter breed.

Alle pracht en technologie van de Romeinen werd in 475, bij de val van het Romeinse Rijk, door Frankische troepen vernield. Later werd de basilica door aartsbisschop Johann I. (1189-1212) omgebouwd tot een burcht en gebruikt als een bestuurlijk centrum. In 1614 werd hij uitgebreid met drie nieuwe paleisvleugels.

Bij de bezetting door Napoleon kreeg de basilica de functie van kazerne, die hij ook behield in de Pruisische tijd. Vele Pruisische militairen en beambten waren evangelisch-luthers en hadden behoefte aan een eigen kerk. Daarom werd, sinds het midden van de 19e eeuw, de basilica ingericht als de eerste evangelisch-lutherse kerk in het overwegend Rooms-katholieke Trier, en voorzien van een orgel.

In 1944 werd het gebouw verwoest door oorlogsgeweld, maar het is weer hersteld en werd in 1956 opnieuw als evangelisch-lutherse kerk in gebruik genomen.

De basilica staat sinds 1986 op de Werelderfgoedlijst.

Basilika vanaf de Mariazuil
Huidig binnenaanzicht (noordzijde)
Plan des Keurvorstelijk Paleis en de Basilika


Bouwwerk[bewerken]

Binnenaanzicht zuidzijde met Eule-Orgel van 2014

Ligging, architectuur en inrichting[bewerken]

Ligging[bewerken]

De kerk ligt in het midden van een 700 meter lang rivierlaagterras, dat zich van de Dom en Liebfrauenkirche langs de Palastaula tot de Kaiserthermen in het zuiden uitstrekt, ongeveer in het midden tussen de Dom en de Kaiserthermen aan de oostelijke rand van de Trierer Altstadt. In het westen sluit de Konstantinplatz zich aan de Basilika aan. In het oosten ligt het Kurfürstliche Palais, in het zuiden de paleistuin en in het noorden het domein van het voormalige Niederschloss, van de huidige Willy-Brandt-Platz met rode toren en bronnen. De Basilika is in de binnenstad bewegwijzerd. Meerdere buslijnen stoppen direct aan de Konstantinplatz. Zuidelijk van het Kurfürstliche Palais ligt de ondergrondse parkeergarage Basilika.

Architectuur en inrichting[bewerken]

De binnenruimte van het bouwwerk is 67 m lang, 27,5 m breed und 33 m hoog. Het is het oudste als kerk gebruikt gebouw van Duitsland. Het huidige uiterlijk is in hoge mate het resultaat van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog.[1]

Aan Romeins metselwerk zijn de apsis, de westwand an delen van de zuidwand bewaard gebleven. Deze rusten op een 4 meter breed en 4-5 meter diep fundament uit Romeinse gietbeton. De muren hebben een dikte van 2,7 tot 3,4 meter.[1] Buiten aan de Apsis en in de vensternissen van de zuidwand bevinden zich enkele Romeinse pleisterresten. Resten van Romeinse gebouwen die eerder op dezelfde plek stonden, zijn onder de huidige vloer bewaard.

Van de wederopbouw in de 19de eeuw getuigen de zuid- en de oostwand, pleisterresten aan de zuidwand onder de puntgevel, aan de fries onder de dakconstructie en als decoratieve versiering de koppen van de evangelistenfiguren.

Van de wederopbouw in de jaren 50 stammen de dakconstructie, het plafond, de vensters, het concept van de onbepleisterde binnenruimte, de bodem alsook de uitrusting met altaar, kansel, doopvont en orgels. De dakconstructie is uit spanbeton. de daaraan opgehangen cassettenplafonds uit vurenhouten planken heeft een diepte van 0,9 meter. De decoratieve aankleding tot en met de banken werd onder de leiding van Baurat Heinrich Otto Vogel gemaakt.

Orgels[bewerken]

Schuke-Orgel van 1962
1rightarrow blue.svg Zie Orgels in de Constantijnbasilika voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de Konstantinbasilika zijn bewijzen van drie orgels. Tot de Tweede Wereldoorlog stond op de rugwaartse galerij een groot orgel, dat in het jaar 1856 door de gebroeders Uebach (Barmen) gebouwd geworden was. Het instrument had 40 registers op drie manualen en pedaal.

Na de wederopbouw van de Basilika na de Tweede Wereldoorlog werd in het jaar 1962 in de vensternissen aan de oostwand een koororgel gebouwd. Het instrument werd vervaardigd door de orgelbouwer Karl Schuke (Berlijn). Het heeft 30 registers op twee manualen en pedaal en is neobarok gedisponeerd.

In 2014 werd een nieuw hoofdorgel ingewijd. Het instrument werd door Orgelbaufirma Eule (Bautzen) gebouwd. Het hangt aan de zuidwand van de Basilika en is op drie kastlichamen verdeeld, die zich in de vensternissen invoegen. Het nieuwe hoofdorgel is symfonisch gedisponeerd: het heeft 87 registers (over 6000 pijpen) op vier manualen en pedaal en is daarmee het grootste orgel van Trier. Het instrument laat zich vanop twee (identieke) speeltafels bespelen, van dewelke er een mobiel in de kerkruimte is opgesteld.

Klokken[bewerken]

De rode toren

De Konstantinbasilika heeft geen eigen klokkentoren. Haar zes-stemmig klokkenspel hangt sinds 1968 in de zogenaamde Roten Turm, van de voormalige archiefgebouwen van het aartsbisschoppelijk bestuur.

Nr.
 
Gietjaar
 
Gieter
 
Massa
(kg, ca.)
Diameter
(mm)
Slagtoon
(HT-1/16)
1 1965 Rincker, Sinn 1.046 1.216 e1
2 1931 Schilling & Söhne, Apolda 580 970 gis1
3 1965 Rincker, Sinn 455 912 a1
4 1965 Rincker, Sinn 300 805 h1
5 1965 Rincker, Sinn 230 733 d2
6 1965 Rincker, Sinn 155 647 e2

Opgravingen[bewerken]

Opgraving aan de westelijke vleugel van de voorhal met de wandelhal

Nadat men resten van gebouwen die eerder op dezelfde plek stonden van de Basilika reeds bij opgravingen in 1912-1914 westelijk van de Basilika ontdekt had, bood de vernieling van de Basilika in de Tweede Wereldoorlog de gelegenheid, in de binnenruimte opgravingen uit te voeren en zo de gebouwen die eerder op dezelfde plek stonden, te onderzoeken. Een deel van de door het Rheinische Landesmuseum Trier uitgevoerde opgravingen is in het kader van een speciale rondgeleiding voor bezoekers toegankelijk. De ingang daartoe bevindt zich dicht bij de kansel.

Gebruik door de evangelische kerkgemeente[bewerken]

De Basilika wordt sinds het jaar 1856 gebruikt door de Evangelische kerk, bevindt echter in eigendom van het land Rheinland-Pfalz als rechtsopvolger van de vrijstaat Pruisen. De kerk werd naar een koninklijke verordening van 3 augustus 1859 van de

"Evangelischen Zivil- und Militärgemeinde unter völliger Gleichberechtigung auf ewige Zeiten zum Gottesdienstlichen Gebrauch als Kirche zum Erlöser"
"Evangelische burger- en militairgemeente onder volle gelijkberechtiging voor eeuwige tijden tot het godsdienstelijk gebruik als Kerk van de Verlosser"

overgelaten. In 1903 telde de burgergemeente ongeveer 4000 personen, de militairgemeente 2300 personen. Ook tezamen waren de beide gemeenten niet in staat, in vergelijking tot de grootte van de gemeente, het reusachtige gebouw te onderhouden. Volgens grondbeginsels van het vruchtgebruik moesten de gemeenten de kosten voor het onderhoud en de kleine herstellingen bekostigen, terwijl de staat slechts de hoofdherstellingen op zich zou nemen. De beide gemeenten moesten elk 300 Mark inbrengen voor de lopende onderhoudskosten en de kleinere cultusbehoeften. Weliswaar waren deze middelen ook daarvoor ontoereikend en zo werden voor herstellingen aanzienlijke middelen uit het koninklijke Patronatsfonds toegeschoten. De verantwoording van de Pruisische Staat voor de Basilika eindigde ook niet met de monarchie. Onder de Weimarer Republik, zoals onder de NS-Herrschaft (Nationaal-Socialisten-heerschappij) werden toelagen voor grotere instandhoudingswerken verleend, zoals voor de nieuwbedekking van het dak, de kerkverwarming en dergelijke, voor de laatste keer op 7 mei 1941.

Als eredienstruimte had de Basilika vanwege haar grootte, aanzienlijke moeilijkheden. Zo kwam het op 7 augustus 1903 tot een verzoek van het Presbyterium aan de koning, volgens dewelke

"das herrliche Gebäude infolge seiner mächtigen Größe Eigenschaften bezüglich der Akustik und Kälte im Winter hat, die es zu einem Gotteshaus ungeeignet machen"
"het heerlijk gebouw ingevolge zijn machtige grootte, eigenschappen heeft betreffende de akoestiek en koude in de winter, die het tot een godshuis ongeschikt maken."

In dit verband verzocht het Presbyterium middelen voor de bouw van een nieuwe kerk, waartoe het destijds nog maar niet gekomen is.

De Kerk van de Verlosser is vandaag (2015) de enige kerk van de Evangelische kerkengemeenschap Trier en samen met de aangrenzende Caspar-Olevian-zaal haar centrum. Het gebied der gemeente is identiek aan dat van de stad Trier, met uitzondering van de in 1968 ingelijfde stadsdelen Pfalzel en Ehrang/Quint, die tot de gemeente Trier-Ehrang behoren. Van 15 december 1963 tot 21 september 2014 werd met de in het Trierse stadsdeel Heiligkreuz gelegen Christuskirche een tweede preekplaats benut. Na opheffing daarvan is de Basilika weer de enige kerk van de Trierse Kerkengemeenschap. Nu (2014) werken vijf dominees, mannelijke en vrouwelijke, in de kerkengemeenschap.

In de kerk zijn zondags een tot twee erediensten - in de winter echter alleen op speciale feestdagen. "Normale" erediensten vinden gedurende het koude seizoen plaats in de naburige Caspar-Olevian-Saal. Van maart tot oktober is de kerk dagelijks voor bezichtiging geopend. De plaats langs de zijwanden wordt door de Evangelische Kerkgemeente graag voor tentoonstellingen gebruikt. De kerk is de concertkerk van Trierer Bachchors en in de zomer vindt een concertreeks plaats met wekelijkse orgelconcerten met internationale organisten. Bovendien wordt ze nog bespeeld bij regionale festivals zoals de Moselfestwochen.

Geschiedenis[bewerken]

Klassieke oudheid[bewerken]

Bouwgeschiedenis[bewerken]

Romeinse pleisterresten aan de westwand

In de 2de eeuw na Chr. was in het noordoosten van het Romeinse Trier door samenlegging van vier insulale, een representatie- en bestuursdomein ontstaan, waarvan de kern een centrale hal vormde, die als legatenpalast gebruikt werd.

De Palastaula werd vermoedelijk met de verandering van dit areaal tot residentie onder Keizer Constantijn in de jaren 305-311 als representatiegebouw opgericht. Door neerlegging van een woonwijk werd plaats voor het monumentale gebouw der Kaiserthermen geschapen. Op het vroegere paleis van de Legaten werd de Palastaula gebouwd, dat met omliggende voorhoven en bijgebouwen de kern van de residentie vormden. Voor de grootbouw, die ook een wegkruising overdekte, waren belangrijke planeringen noodzakelijk.

De bouwactiviteit liep echter reeds in de Constantijnse tijd vast. Waarschijnlijk was ze eerst onder Gratianus rond 379 volledig afgerond. Basilika, Kaiserthermen en het Circus vormden een eenheid als paleisdistrikt. Met het geheel van Cirkus en residentiedomein werkten de ontwerpers bewust het in Rome ontwikkelde verband uit tussen Circus Maximus en Palatijn. Hetzelfde verband herhaalt zich bij Circus Neronis (in de tuinen van Caesar), bij de villa van Maxentius aan de Via Appia en aan de residentie van Galerius in Thessaloniki.

Met de aftocht van de Romeinse keizershoven van Trier einde van de 4de eeuw, verloor het gebouw zijn oorspronkelijke betekenis. Na het einde van de Romeinse heerschappij werd het uitgebrande gebouw aan het Frankische koningsgoed toegewezen.

Gedeelte van de keizerlijke residentie en architectuur[bewerken]

Reconstruktie van de Trierse Palastaula

Het monumentale gebouw diende als coulisse voor audiënties, ontvangsten en het hofceremonieel, waarbij vermoed wordt dat de keizertroon in de apsis stond. Hoewel naam en uitzicht van de huidige Konstantin(s)basilika op een antiek kerkgebouw schijnen te wijzen, is het bouwwerk oorspronkelijk als ontvangstzaal van de keizerlijke residentie opgericht geworden. De veelvuldig gebruikte naam Palastaula of Aula Palatina beschrijft het weliswaar nauwkeuriger, maar is in Klassiek Latijn niet bewezen.

De Basilika heeft een buitenlengte van 69,8 m (inclusief de 12 m lange apsis) bij een breedte van 27,2 m. In de Klassieke Oudheid had ze een hoogte van ongeveer 30 m. De 2,7 m dikke buitenmuren bestonden uit baksteenbouwwerk en waren van buiten bepleisterd. Moderne aanvullingen zijn gedeelten uit rode zandsteen.

De binnenruimte wees op een kwaliteitsvolle muurbekleding: het schip en apsis bezaten vloer- en muurbekleding uit ingelegde marmerplaten (opus insectum) tot op de hoogte van de bovenste vensterlijsten, waarvan zich resten en vooral de gaten van de ijzeren houders bestaan zijn gebleven. Daarboven volgde stukwerk tot en met het vrijdragend plafond, dat tegen het huidige in 1955 ingebouwde cassettenplafond, niet mocht afsteken. Opmerkelijk zijn de verwarmingsapparaten, waardoor de 1600 m² grote binnenruimte over een in drieën gedeeld hypocaustum met vijf praefurnien verwarmbaar was. De Basalika was in de antieke oudheid geen alleenstaand gebouw. In het zuiden bevond zich voor de hoofdingang een eveneens met marmer bekleedde voorhal, buiten waren portico's met een aanleunend binnenhof. De resten van deze gebouwen zijn of geconserveerd of in pleister van de huidige plaats gemarkeerd.

Middeleeuwen en vroege Nieuwe tijd[bewerken]

Het einde van de Palastaula[bewerken]

Wanneer het dak van het Romeinse bouwwerk verloren ging, laat zich nog niet ondubbelzinnig verklaren. Misschien geschiedde dat bij een van de Germaanse overvallen tussen 407 en 455, waarbij de laat-antieke stad weliswaar niet volledig vernield, maar geplunderd en gebrandschat werd. In het andere geval kon het dak door ontbrekend onderhoud ingestort zijn. In het Frankische machtsgebied kwam vanaf 480 Trier daarmee tot het rijk van Clovis (484–511). Het verder als Palatium benoemd complex werd zetel van de Frankische gouwgraven. De bijgebouwen werden zetel van het Frankische bestuur. De muren van de Basilica waren nagenoeg volledig behouden, toch ontbraken onder de Franken de politieke voorwaarden en de technische mogelijkheden, om het dak opnieuw te maken.

Basilika (Gravure van 1648, wel naar een afbeelding van 1548/50)

De Konstantinbasilika als vesting[bewerken]

Wegens de dikke muren en door de onrustige tijden werd het voormalige paleis nu als vesting gebruikt. De Romeinse vensters werden dichtgemetseld en binnenin werden binnengebouwen opgericht, die tot tegen de buitenmuren aanleunden en zich schikten rond een vrije hof in het midden. De Apsis werd tot een woontoren omgebouwd, aan de tegenoverliggende hoeken werden torentjes opgezet, de muren met kantelen versterkt. De enige toegang tot binnen was een kleine poort aan de westzijde. Sinds de 8ste eeuw werd van de tot de Palatium behorende kerk St. Laurentius gewag gemaakt. Ze stond voor de noordwestelijke hoektoren in westelijke richting, werd later parochiekerk en in 1803 afgebroken.

De tijd tot einde 14de eeuw werd bepaald door de rivaliteit tussen de gouwgrafen en de naast de dom residerende bisschop. In het jaar 902 schonk de Frankische koning Lodewijk IV het Kind aan de Trierse aardbisschop Radbod van Trier belangrijke soevereine rechten en de verovering van de koninklijke vesting. Daarmee kwamen de stad Trier en - later in het midden van de eeuw - het Paladium in het bezit van de aartsbisschop, wiens residentie het echter nog niet was.

De Konstantinbasilika als bisschopssresidentie rond 1610 uit het manuscript Luciliburgensia Romana van Alexander Wiltheim

Het Palatium voldeed als vesting, als de Trierse tegenbisschop Adalbero von Luxemburg von Keizer Heinrichb II. belegerd werd. De reden was, dat Heinrich ook de door het Trierse Domkapitel tot bisschop verkozen Propst Megingaud van Mainz trachtte te benoemen. Heinrich nam in de zomer van 1008 de stad Trier in, maar kon de in het Palatium ingesloten tegenstander, ook na een door de keizer persoonlijk geleidde 16 weken durende belegering, niet tot de overgave dwingen. Een verblijf in het jaar 1096 van de aartsbisschop Eglibert in het Palatium als vervolgde Joden daar beschutting moesten zoeken, wordt bevestigd.

Men kan aannemen, dat het met de bekende Trierse Burggraven-familie De Ponte (van de brug) verwante en met de paleispersoneel toevertrouwde Ministeriaalgeslacht de Palatio (van het paleis) zich direct aan de aartsbisschoppelijke burcht een vaste verblijfplaats in de vorm van een woontoren ingericht had. Van zo iets zijn geen zekere bouwkundige sporen voorhanden.

De strijd tussen de bisschoppen en de voogden resp. ministerialen zette zich voort tot in het midden van de 13de eeuw. Het was pas Albero von Montreul (1131–1152) die de macht van ministerialen kon breken, waardoor hij het Romeinse Palatiolum - heden Trier-Pfalzel - tot een vesting uitbouwde, daarin zijn residente vastlegde en beval, alle inkomsten van het aartsbisdom naar daar te leveren. Aartsbisschop Johann I bereikte in het jaar 1197 de overdracht van de voogdij van de paltsgraaf Heinrich aan de aartsbisschop. De bisschop was nu voor alle inwoners van zijn gebied de hoogste gerechtsheer. De stad verzeilde daarna stapsgewijs in de alleenheerschappij van de aartsbisschop. Sinds Johann I woonden de aartsbisschoppen definitief in de Basilika-Bering.

De eerste schriftelijke vermelding van de Basilika bevindt zich in de kroniek, die bisschop Otto von Freising (overl. 1158) schreef:

"Es wird dort ein Palast von wunderbarer Bauweise gezeigt, der nach Art der Mauer von Babylon aus Backsteinen geschaffen ist und noch heute eine solche Stärke behalten hat, daß er nicht nur keinen Feind fürchtet, sondern auch durch keine Machenschaft zerbrochen werden kann."
"Er wordt daar een paleis van een wonderbare bouwwijze getoond, die naar stijl van de muren van Babylon, uit bakstenen geschapen is en nog vandaag een zulke sterkte behouden heeft, dat het niet alleen geen vijand vreest, maar ook door geen intrige doorbroken kan worden."

De eerste afbeeldingen van de Basilika bevinden zich in het paleiszegel. In het zegel op een oorkonde voor de verpachting van een molen uit het jaar 1261, wordt ze van de zijkant afgebeeld. Of het over de oost- of de westgevel gaat, laat zich niet meer vaststellen. In een ander behouden paleiszegel op oorkonden uit de jaren 1315 en 1323, ziet men op heden niet meer beschikbare ingebouwde elementen: een Romeins balkmetselwerk en een spitsbogig portaal.

De Konstaninbasilika als bisschoppelijke residentie[bewerken]

De middeleeuwse bouwtoestand van het Palatium heeft zich tot ongeveer het jaar 1600 stand gehouden, daar de Trierse aartsbisschoppen in deze tijd meest de voorkeur gaven aan hun Koblenze bijresidentie als duurzame verblijfplaats, met het Fort Ehrenbreitstein, een van de sterkste vestingen van het Duitse Rijk. Toch werd het Palatium ook als representatiedoel gebruikt, in het bijzonder tijdens de rijksdag van 1473 met keizer Friedrich III. en Karel de Stoute.

De Konstantinbasilika als deel van het keurvorstelijk paleis in de 17de en 18de eeuw[bewerken]

Geaquarelleerde tekening van het boven- en onderslot voor de opbouw van de Rococo zuidvleugel rond 1745/50. Het onderslot (links) werd in 1944 vernietigd. Behouden is de rode toren helemaal links, die op heden de klokken van de kerk draagt.

Keurvorst Johann VII. von Schönenberg (1581–1599) resideerde weer voornamelijk in Trier en vergrootte de Palastbering, waarin hij in het noorden, achter de apsis, huizen liet aankopen en slopen. De grote verandering van het areaal begon onder keurvorst Lothar von Metternich. Om een eigentijds residentieslot in Renaissance-stijl te kunnen oprichten, liet hij vanaf 1614 naast de middeleeuwse aan- en inbouwingen ook de oostwand en een groot gedeelte van de zuidwand van het Palatium afbreken. De westwand werd een buitenmuur van het paleis, de apsis bleef vooreerst een soort woontoren.

Als keurvorst Johann IX. Philipp von Walderdorff (1756-1768) direct na zijn ambtsaanvaarding zijn hofbouwmeester Johannes Seiz met ombouwingen in barokstijl belastte. voorzagen plannen ook een verandering of een afbraak van de apsis. Deze werden echter niet verwezenlijkt. Daarentegen werd het een nieuwbouw van de zuidvleugel met het beroemde trappenhuis. Daar dit ook honderd jaar later, bij wederopbouw van de Basilika als instandhoudingswaard geclassificeerd werd, verhinderde deze ombouw uiteindelijk later de complete vrijlegging van de zuidgevel van de Basilika en de bouw van een voorhal.

De wederopbouw in de 19de eeuw[bewerken]

Zuidfaçade met gedeeltelijk afgebroken zuidvleugel van het paleis nog voor de inwijding
Inwijdingsceremonieel en ontvangst van de koning van Pruisen door de evangelische geestelijkheid

De Evangelische Gemeente in Trier in haar kinderschoenen[bewerken]

Voorafgaand aan de wederopbouw was er volgens het Congres van Wenen de opname van het Reinland in het Koninkrijk Pruisen. Door toestroom van nieuwe inwoners kwamen evangelische Christenen, aanvankelijk vooral Pruisische bestuursbeamten, naar Trier. Op Hervormingsdag (31 oktober) in 1817 werd de evangelische kerkengemeenschap gesticht, en een van haar eerste problemen was het zoeken naar een gepast godshuis. De eerste eredienst vond plaats in de kerk van het vroegere Dominicanessenklooster Sankt Katarina. Het vroegere klooster werd echter in 1819 door de Pruisische Militärfiskus verbeurd verklaard en als lazaret benut. Op grond daarvan bestemde koning Frederik Willem III van Pruisen de vroegere Jezuïetenkerk aanvankelijk als simultaankerk, later als enige kerk voor de evangelische christenen. Na een lange rechtsstrijd werd in 1851 de Pruisische Staat tot teruggave gedwongen. Reeds daarvoor, namelijk op 2 maart 1839, had Friedrich Wilhelm III verzocht, voor de evangelische gemeente een eigen kerk te bouwen, maar dat was telkens op grote moeilijkheden gestoten. De nieuwe koning Frederik Willem IV verordende op 21 april 1841, de voor de stad liggende vroegere kloosterkerk St. Maximin voor de evangelische burger- en legergemeente en de katholieke legergemeente op te richten. Het koor werd daarna van militaire ingebouwde elementen bevrijd en passend omgeschakeld. De evangelische burgergemeente was daarmee niet gelukkig, daar elke kerkgang een uittocht uit de stad betekende, en ook het leger had bezwaren.

De geschiedenis van de wederopbouw[bewerken]

Historisch binnenaanzicht voor 1944

De drijvende kracht bij de wederopbouw van de Romeinse Palastaula als evangelische kerk was de Trierse architect en bouwonderzoeker Christian Wilhelm Schmidt (1806-1883). Hij kende de interesse van de koning voor antieke vroegchristelijke gebouwen. Hij stelde het project voor aan de koninklijke regering in Trier en aan de baurath en conservator Ferdinand von Quast te Berlijn en bereikte, dat de koning een besluit nam voor de restauratie van dit gebouw tot een evangelische kerk. Het werkte ondersteunend dat het gebouw door Constantijn de Grote, die toen als eerste christelijke keizer beschouwd werd, opgericht geworden was. Daarbij kwam het volledig verkeerde vermoeden van Schmidt, dat het gebouw in de Romeinse tijd een kerk gewezen zou zijn, evenals de evenzo verkeerde benaming Basilika, die Johan Steininger in 1835 voor het Romeinse gebouw gebruikte.

Voor de Pruisische architecten was deze reusachtige opgave, die bovendien zo veel mogelijk de antieke oudheid benaderen zou, een absoluut onbekend gebied. Gelukkig zijn plannen van verschillende architecten bewaard gebleven. Laatst met de opdracht toevertrouwd was de vestingbouwmeester en geniekolonel Carl Schnitzler. Het oppertoezicht had de Schlosshauptmann (slothoofdman) Luitenant-generaal Philipp von Wussow van Slot Stolzenfels. De bouw begon in 1846. In 1848/49 moest de bouw wegens de revolutie van 1848/49 onderbroken worden. In 1851 werd de triomfboog gerestaureerd en in 1856 werd de eerste foto van de nagenoeg voltooide Basilika gemaakt. De feestelijke inwijding vond plaats op 18 september 1856 in aanwezigheid van de koning, zijn jongere broeder, de latere Duitse keizer Willem I, van prins Hendrik van Nederland, stadhouder in Luxemburg, van de opperpresident van de Rijnprovincie Hans Hugo von Kleist-Retzow en talrijke militaire vertegenwoordigers.

Buitenaanzicht en zuidfaçade[bewerken]

Zuidfaçade na de werderopbouw met reeds terug afgenomen reliëf

Het was de eis van de koning voor de wederopbouw, om de Basilika in haar oorspronkelijke grootte en stijlzuiverheid te herstellen. Bij de planning werd het Romeinse bestand opgenomen; door opgravingen en sonderingen werden Romeinse bouwdelen ontdekt en onderzocht. Discussiepunten bij de wederopbouw waren onder andere:

  • hoe met de middeleeuwse bouwmaterie, in het bijzonder de ingebouwde elementen, de kantelenkrans en de hoektorens, te werk gaan,
  • of het in veel delen bewaard Romeins buitenstucwerk zal behouden worden,
  • of en zo ja, hoe ver de Rococo-zuidvleugel van het keurvorstelijk paleis zal gesloopt worden,
  • of en zo ja, waar een klokkentoren zal opgericht worden.

Uiteindelijk werd de buitenbouw op de Romeinse substantie terug gebouwd. de middeleeuwse kantelenkrans verwijderd en ontbrekende delen van de buitenmuren vervolledigd. Hoewel het Romeinse pleisterwerk nog op aanzienlijke vlakken bewaard was, sloeg men het grotendeels af en reduceerde de buitenzijde op bakstenen die voornamelijk in de avondzon rood oplichten. De originele Romeinse buitenschilderingen zijn slechts aan negen van veertien vensterspillen van de onderste rondbogenrij op de west- en noordfaçade behouden. Bovendien zijn aan de noordfaçade nog 65 m² Romeinse pleistervlakken met sporadische verfresten overgebleven. Een probleem betekende de zuidfaçade, aangezien hiervoor de zuidvleugel van het keurvorstelijk paleis gebouwd was. Oorspronkelijk waren er ook een voorhal en een toren voor de Basilika voorzien. Erbij passende ontwerpen zijn behouden, onder andere van Carl Schnitzler (van 1850) en van Landesbaumeister Helbig (van 1876). De zuidfaçade helemaal vrijleggen, had ook de verstoring van het toen reeds naar waarde geschatte barokke trappenhuis tot gevolg. Na lange discussie en verscheidene ontwerpen, waarbij ook de verplaatsing van het trappenhuis in overweging genomen werd, werden uiteindelijk als compromis de westelijke drie jukken van de zuidvleugel aan de residentie afgebroken en daarmee ongeveer een derde van de zuidfaçade van de Basilika tot de vloer vrijgelegd. Het leger nam de definitieve beslissing tegen een voorhal - en daarmee verbonden ook tegen een toren - door het besluit, de rococovleugel van het slot tot een officierscasino om te vormen.

Niet uitgevoerd ontwerp van Karl Schnitzler 1850 voor de vormgeving van de zuidfaçade met toren

Of de zuidfaçade een Puntgevel bezeten heeft, liet zich niet meer ondubbelzinnig vaststellen. Bij zijn reconstructie decoreerde men hem met een vlak reliëf in stucwerk. Dit werd naar een ontwerp van Karl Friedrich Schinkel van de Berlijnse beeldhouwer August Kiß in 1833/37 voor de puntgel van de Nikolaikirche in Potsdam gemaakt, daar aangebracht, maar reeds in 1844 weer verwijderd. Op bevel van de koning werd het aan de Trierse Basilika overgedragen en is op een foto uit 1856 zichtbaar. Het reliëf was echter door het transport meegenomen en was ook niet bestand tegen weer en wind. Het werd voor 1886 weer afgenomen en is daarna verloren gegaan.

De vormgeving van de binnenruimte[bewerken]

Gustav Kaupert: Jesus Christus (ca. 1880)

Nog grotere problemen bezorgt de vormgeving van de binnenruimte, in het bijzonder de eis van de koning voor tijdzuiverheid, daar de kennis, wat voor een reconstructie nodig gewezen zou zijn, verregaand ontbrak. Als probleem bleek ook de door Steininger in 1835 opgestelde en door Schmidt in 1845 verder gevolgde thesis, dat de Basilika een kerk zou gewezen zijn. Vergelijkbare bewaarde kerken zagen er gans anders uit en waren zeker altijd drieschippig met een verhoogd middenschip. Voor de binneninrichting ontwikkelde de staatsconservator Ferdinand von Quast een ontwerp met een complex beeldprogramma en een versiering met schilderijen, die verder gaan dan de voor een protestantse parochiekerk gebruikelijke aankleding. Het ontwerp werd door de in kwestie van de architectuur hoog competente koning uiteindelijk niet enkel uit financiële redenen verworpen. Uiteindelijk werd een bescheidener en duidelijk goedkoper, door Carl Schnitzler und Friedrich August Stüler ontwikkeld concept, gerealiseerd. Het volgde bouwwerken na van de Italiaanse Protorenaissance uit de 11de en 12de eeuw, beperkte zich bij de vormgeving van de wanden met wit-gele kleur op de architectonische opbouw met vlakken en bogen en zag af van kostbare vormen. De talrijke geschilderde Bijbelspreuken waren typisch voor de functie van de Basilika als Evangelische kerk en werden voor het grootste deel door de koning zelf uitgekozen.

Voor de zuidwand stond een orgelgalerij, door twee wandpilaren en zes zuilen gedragen en die het Ipach-Orgel met haar twee zeker 15 meter hoge pijpentorens opnam. In plaats van een cassettenplafond werd het een open dakstoel zoals bij de kerk San Miniato al Monte in Florence gerealisieerd werd. Het altaar bestond uit witte marmer en was door een Baldakijn overdekt. De vier zuilen daarvan, een geschenk van de onderkoning van Egypte aan de koning, waren van geel Afrikaans marmer. In de jaren 1870 en 1880 schiep de Frankfurtse beeldhouwer Gustav Kaupert vijf marmersculpturen voor de Basilika. Ze stelden Jesus Christus en de Evangelisten voor en werden rond 1900 aangevuld met apostelfiguren van Petrus en Paulus naar een ontwerp van August Wittig. De standbeelden werden bij de wederopbouw van de kerk vernield. Op heden zijn enkel nog de hoofden van de figuren van Kaupert bewaard. Ze werden in 2001 gerestaureerd en in 2006 bij de 150ste verjaardag van de inwijding van de Basilika als Evangelische kerk van de Verlosser aan de oostwand van de Basilika met een drietalig opschrift opgesteld.

Tweede Wereldoorlog en naoorlogstijd[bewerken]

Vernietiging door een Amerikaanse luchtaanval[bewerken]

Basilika en Keurvorstelijk paleis van uit het zuiden (2008)
Basilika vanuit Zuidwesten (2008)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Basilika door een luchtaanval van een zelfstandig terugvliegende eskadron van de 92ste Bombardment Group van de US Army Air Forces op 14 augustus 1944 tussen 12:00 und 13:00 uur zwaar beschadigd en brandde daarbij volledig uit. De tien B-17 bommenwerpers waren op de terugweg van Zuid-Duitsland, hadden daar hun bommen niet op het doel kunnen afwerpen en wierpen daarom op de terugvlucht 11000 staafbrandbommen op het historisch centrum van het gelegenheidsdoel Trier af. Hiervan vielen ongeveer 100 brandbommen op de Basilika, zoals zich later door de gevonden brandbommen liet vaststellen. Pgingen om te blussen met 50 brandweerspuiten bleven zonder succes, daar deze het dak niet bereikten.

Na het einde van de oorlog toonde zich volgend beeld: Vernietigd waren het dak, het orgel, de orgelgalerij, het grootste deel van het altaar met uitzondering van twee marmeren zuilen. Eveneens verbrand is het archief van de Kerkengemeente, dat in een vermeende veilige kelder bewaard werd. Bleven bewaard de buitenmuren, de stenen vensterindelingen, enige vensters aan de oostzijde met originele beglazing en bijna onbeschadigd, de grote marmeren beelden van Gustav Kaupert und August Wittig alsook de aediculae van de nissen. Aangezien de Basilikaruïne niet meer voor erediensten gebruikt kon worden, hield de gemeente tot de evacuatie van Trier in december 1944, haar erediensten in de Gemeentezaal van het hospitium in de Nordallee.

Puinopruiming en tweede wederopbouw[bewerken]

Het uit vurenhout bestaande cassettenplafond aan een spanbetonconstructie dat in gereduceerde vorm de gevoelsindruk opneemt van een antiek houten plafond

Na de oorlog vierde de gemeente haar erediensten eerst in de ziekenhuiskapel van het evangelisch ziekenhuis in de Engelstraße, van 4 december 1949 tot december 1956 in de aula van het Max-Planck-Gymnasium. Reeds in januari 1946 vormde de Gemeente een commissie voor de wederopbouw van de Basilika, die om de veertien dagen vergaderde en waarvan 100 zittingen gedocumenteerd zijn. Aangezien de Basilika oorspronkelijk in eigendom van de staat Pruisen was en de Evangelische Kerkengemeente Trier slechts de eeuwige gebruiksrechten had, was het land ''Rheinland-Pfalz'' als rechtsopvolger bevoegd voor de wederopbouw en vooral voor de financiëring. Daar een wederopbouw van de Basilika aanvankelijk om financiële redenen onrealistisch scheen, werd in 1949 het inbouwen van een kleinere kerk in de ruïne overwogen. Door een ministerieel decreet werd dit plan door het Ministerie van Cultuur ondersteund, maar door de Baupolizei niet goedgekeurd. Nadat in 1947 de ontruimingsmaatregelen uitgevoerd geworden waren, werd vanaf 1948 telkens op Pinksteren een eredienst in de ruïne gehouden. De discussie

"Notkirche ja oder nein - (Noodkerk ja of neen)"

werd zeer intensief gevoerd en bereikte in 1951 haar hoogtepunt. Het besluit, de Basilika als totaal bouwwerk weer op te bouwen, vervolgde - ook tegen de achtergrond van de zich duidelijk beterende economische toestand - de facto in een zitting van de Trierse districtregering op 12 februari 1953. In vier begrotingsjaren bracht het land Rheinland-Pfalz, ondersteund door het Bundesinnenministerium en de stad Trier, de nodige middelen op.

Bij de volgende, door architect Heinrich Otto Vogel geconcipeerde wederopbouw, was het doel, de Basilika ook van binnen met de in de jaren 1950 ook bij kerknieuwbouwen geprefereerde romantiek met als steen uitziende baksteenmuren, weer te laten ontstaan. Daartoe werden alle vensterindelingen verwijderd; de vensters to hun oorspronkelijke grootte verkleinerd, de rest van de Stülerse aankleding afgeslagen en de meer dan levensgrote marmeren beelden zeer zwaar verwoest. Slechts de hoofden van de Kaupertse beelden werden gered. De zeven nissen verkleinde men weer op de oorspronkelijke grootte. De aedicules werden vernietigd, hoewel ook bij de Romeinse bouw zulke beschikbaar waren. De vensters werden met eikenhouten ramen en rechthoekige glasvakken gevuld. Het cassettenplafond uit vurenhouten planken met een diepte van 0,9 meter werd aan een spanbetonconstructie opgehangen. De werderopgebouwde Basilika werd op 9 december door Heinrich Held, de praeses van de Evangelische Kerk in het Rheinland ingewijd. De preek werd gehouden door pastoor Karl Becker, die in de wederopbouw zijn levensmissie gezien had. De muzikale vormgeving lag bij het Leipzigse universiteitskoor onder leiding van Friedrich Rabenschlag. Bij de aansluitende feestelijke plechtigheid in het later haveloze Treviris-Saalbau hielden bundespresident Theodor Heuss, minister-president Peter Altmeier, de Trierse katholieke bisschop Matthias Wehr en de Trierse burgemeester Heinrich Raskin de toespraken.

Zeer spoedig na de inwijding volgde de voltooiing van de afwerking. Het orgel met 30 registers vond haar plaats in het koor en werd in 1962 afgewerkt. In 1968 ging ook de langgekoesterde wens van de kerkengemeente voor een klokkentoren in vervulling: als enige gebouw van het in de Tweede Wereldoorlog vernietigde Niederschloss van het Keurvorstelijk Paleis werd de oorspronkelijk in 1647 gebouwde, zogenoemde Rote Turm (rode toren) weer opgebouwd. In zijn bovenverdieping werd een zesstemmig klokkenspel geïnstalleerd.

Na de inwijding van het grote orgel aan de zuidzijde beschouwden zowel het land Rijnland-Palts, vertegenwoordigd door de minister-presidente Malu Dreyer, alsook de kerkengemeente, de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog als afgesloten.

Reorganisatie van de Konstantinplatz[bewerken]

Komend van de Trierse binnenstad is de Konstantinplatz de voorplaats van de Konstantinbasilika. Ze werd in de naoorlogstijd als busparkeerplaats gebruikt. In 1981, voorafgaand aan de Trierse Twee-eeuwenjaarfeesten, werden de architecten Max Bill en Gottfried Böhm en Oswald Mathias Ungers door het stadsplanningsambt opgeroepen, een rapport voor de vormgeving van de plaats in te dienen. Ungers stelde zes ontwerpen voor. Als ideale oplossing voorzag de Keulse architect een vierkante, licht verlaagde plaats, waarvan het noordoostelijk kwadrant het straatverloop volgt en tot een kwartcirkel afgerond wordt. Verder was er een arcadengebouw in het zuiden, een poortgebouw over de Konstantinstraße, een boogbrug over de Weberbach en een toren op de fundamenten van de voor eeuwen afgebroken Laurentiuskirche voorzien. Ten slotte werd Ungers met het uitwerking van de plaats belast, maar heeft geen van zijn ingediende ontwerpen gerealiseerd, maar slechts een fragment van de oorspronkelijke ideeën. Op de verlaagde plaats is de plattegrond van lang verdwenen gebouwen, zoals de vroegere Laurentiuskirche, nagetekend. Het wordt heden door toeristen en op grond van de verschillende niveaus door de Trierse Skaterszene als ontmoetingspunt en als oefenterrein gebruikt.

Zie ook[bewerken]

Weblinks[bewerken]

Klokken[bewerken]

Duitse links voor huidig gebruik[bewerken]

Duitse links over de geschiedenis van de gebouwen[bewerken]