Onderwijs in Nederlands-Indië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dit is een overzicht van het onderwijs in Nederlands-Indië.

Sedert de afkondiging van de 'Ethische politiek' in de troonrede van 1901 was het brengen van welvaart en ontwikkeling bij de inheemse bevolking een doelstelling van de koloniale politiek in Nederlands-Indië. Een belangrijk onderdeel van het ethische beleid was het geven van onderwijs aan de Indonesische bevolking. De opzet van het onderwijssysteem verliep grotendeels langs etnische lijnen: op het niveau van het lager onderwijs waren er Europese, Inlandse en Chinese scholen. De nadruk van het onderwijs voor inheemsen lag op het lager onderwijs. Het middelbaar onderwijs kon men alleen volgen als men het Nederlands machtig was. Hier werden ook Indonesiërs en Chinezen op toegelaten, die dan meestal het Hollands-Inlands onderwijs hadden gevolgd.

Het middelbaar onderwijssysteem was een kopie van het stelsel in Nederland: er was een MULO, een AMS (het driejarig vervolg op de MULO), een HBS-3 en HBS-5 en een Lyceum. Dit "Europees onderwijs" was opgezet voor de in Indonesië geboren Nederlanders (de Indo-Europeanen). De toegang tot dit systeem voor de meer gegoede Indonesiërs en Chinezen was een ontwikkeling die niet direct tot de doelstelling van de koloniale regering hoorde. Vanaf 1925 was de meerderheid van de leerlingen in het algemeen vormend middelbaar onderwijs van Indonesische afkomst, maar dit was alleen het geval op de MULO/AMS, de goedkoopste schooltypen. [1]

E.L.S.[bewerken]

De Europeesche Lagere School (E.L.S.) was een basisschool, uitsluitend bestemd voor de Nederlandse gemeenschap in Nederlands-Indië.

In 1903 werden deze scholen ook opengesteld voor 'de beter gesitueerde' inlandse en Chinese jongeren. Na enkele jaren stelde de koloniale regering echter dat deze verruiming van de toelating een negatief effect had op het onderwijspeil en ten koste ging van de Nederlandse kinderen, en vanaf 1907 werden daarom aparte scholen opgericht voor inlandse en Chinese kinderen geopend.

H.I.S. en H.C.S.[bewerken]

Als aparte scholen voor inlandse en Chinese kinderen waren er vanaf 1907 de Inlandse School der Eerste Klasse, die in 1914 werd omgedoopt tot Hollands-Inlandse School (H.I.S.) en vanaf 1908 de Hollands-Chinese School (H.C.S.). Het onderwijs liep grotendeels parallel aan de E.L.S. en gaf na zeven jaar toegang tot westers voortgezet onderwijs. De behoefte aan scholing onder de inheemse bevolking was heel groot en H.I.S. en H.C.S. werden dan ook, na een moeizame start, tot een groot succes. Maar de koloniale regering had iets anders voor ogen: selectief onderwijs voor de bovenlaag van de inheemse en Chinese samenleving. De plantage-economie van Nederlands-Indië kon namelijk slechts een beperkt aantal opgeleiden opnemen en ook het overheidsapparaat was klein. Goed opgeleide inheemsen stuitten erop dat hogere posities gereserveerd bleken voor (Indo-)Europeanen en dat gelijk werk verschillend beloond werd. Dit gaf spanningen.

Kartini-scholen[bewerken]

Voor meisjes werden vanaf 1913 en op initiatief van mr.C.Th.van Deventer (1857-1915) en zijn vrouw zeven Kartini-scholen geopend. Dit waren Nederlandse scholen voor meisjes uit de inheemse aristocratie, genoemd naar Raden Adjeng Kartini. Deze scholen werden ondersteund door het in Den Haag gevestigde Kartinifonds. Het waren lagere scholen met een inheemse taal als voertaal en Nederlands als leervak in de lagere klassen, en Nederlands als voertaal in de hogere klassen. Er werden ook huishoudelijke vakken onderwezen. De Van Deventerstichting onder hetzelfde beheer onderhield kweekscholen voor onderwijzeressen, die aansloten bij de Kartini-scholen.

De Kartini-scholen waren geïnspireerd op de eerder door Kartini zelf geopende lagere school waar voor het eerst inheemse meisjes werden toegelaten. Zij leerden er schrijven en handwerken. Voordien was onderwijs alleen bestemd voor Nederlandse mannen en voor Indonesische mannen uit de elite. Kartini's school was een doorbraak in het Indonesische onderwijs. Het was de eerste school open voor Indonesiërs ongeacht hun status. De school stelde morele ontwikkeling boven cognitieve ontwikkeling.

Desa-scholen[bewerken]

Daarnaast werden vanaf 1907 zogenaamde desa-scholen geopend. Eenvoudige scholen, met een door de desa betaalde volksonderwijzer. Er werd een 3-jarige cursus gegeven voor zeer elementair onderwijs. Volgens de Volkstelling van 1930 kon 6 procent van de inlandse bevolking lezen en schrijven. Verreweg de meeste plattelanders, ook diegenen die een desa-school hadden bezocht, waren analfabeet door gebrek aan oefening. In 1940 kreeg 40% van de inheemse kinderen hier les.

'Wilde scholen'[bewerken]

"Honderdtachtig Hollands-Inlandse scholen voor een bevolking van 60 miljoen, Zegt U eens, eerlijk, is dat niet een beetje weinig. Vindt u dat zelf niet een beetje treurig?", aldus een onderwijzer in de in 1940 in het Nederlands uitgekomen roman 'Buiten het gareel' van de Indonesische schrijfster Soewarsih Djojopoespito (1912-1977). Ook wilden Europese ouders soms niet dat hun kinderen in een klas zaten met inheemse leerlingen.

De groeiende behoefte van de bevolking aan meer en betere scholing leidde tot de oprichting van ongesubsidieerde particuliere scholen. Ook werden scholen opgericht die gerelateerd waren aan bepaalde religieuze, politieke of culturele stromingen, zoals de communistische scholen, de Chinees-nationalistische scholen, de Taman Siswa-scholen en de Pergoeroean Rajat-scholen. De koloniale regering duidde al deze scholen aan als 'wilde scholen', nam er aanstoot aan en kwam in 1923 met de 'Wilde scholen ordonnantie' en in 1932 met de Toezichtordonnantie particulier onderwijs'. Dit leidde tot massaal protest bij de inlandse bevolking. De Taman Siswa-beweging had hierin een initiërende rol en kreeg zoveel bijval van andere nationale groeperingen en partijen dat de ordonnantie op 11 januari 1933 weer buiten werking werd gesteld.

Na 1930 stonden 130.000 leerlingen ingeschreven op de 'wilde scholen'. Het leerlingenaantal was dubbel zo groot als dat van de overheidsscholen maar nog steeds klein in verhouding tot het totale bevolkingsaantal.

Technisch onderwijs[bewerken]

Vanaf 1900 begon de koloniale regering zelf ambachtsscholen en technische scholen voor Europeanen op te richten. Die zouden moeten voorzien in de behoefte aan lager en middelbaar geschoold technisch personeel voor de staatsdiensten en het bedrijfsleven. De scholen waren dus vooral gericht op de Indo-Europeanen in Nederlands-Indië. Vanaf 1909 kwamen daar speciaal voor Indonesiërs bedoelde ambachtsscholen bij. Men hoopte dat leerlingen hiervan wegbereiders werden van een "inheemse industrie". Pas in de jaren dertig zijn daar enige aanwijzingen voor, maar eerder kwamen deze leerlingen ook terecht bij het Europees bedrijfsleven en de staatsdiensten. In de loop der tijd voegden zich steeds meer Indonesiërs en Chinezen bij de leerlingen van de Europese technische scholen. Dit was vanuit het oogpunt van het de koloniale regering niet echt gewenst, ondanks dat de staatsdiensten steeds meer gebruik gingen maken van de Indonesische afgestudeerden. De regering hoopte namelijk dat de Indo-Europeanen vooral van dit onderwijs gebruik zouden maken. Opmerkelijk genoeg werd er tot 1941 geen MTS opgericht in Nederlands-Indië. De importkrachten vervulden meestal deze rol en de afnemers dachten dat de MTS'ers te duur zouden zijn. Pas toen Nederlands-Indië door de oorlog werd afgesneden van Nederland was men bereid het onderwijsstelsel te herzien in de richting van een op Indonesië gerichte voorziening.

In 1920 was er ook een Technische Hogeschool in Bandung opgericht. Deze leverde tot 1940 in totaal 202 leerlingen af, waarvan 58 Indonesiërs. In Delft waren daarnaast nog 27 Indonesiërs en 37 Chinezen opgeleid. Ook hier moet bedacht worden dat 30% van de in Nederland opgeleide ingenieurs in Indonesië een werkterrein vond. [2]

Resultaten van het onderwijs[bewerken]

Een zeer gering deel van de Indonesiërs had in de koloniale tijd een opleiding gekregen. Een eenvoudige opleiding voor Indonesiërs was het primaire doel. Dat weerspiegelde zich in de aandacht voor dessa-onderwijs - hoe beperkt ook - en bijvoorbeeld eenvoudig ambachtsonderwijs. Het Europese onderwijs was in de eerste plaats bedoeld voor de Indische Nederlander, ter versterking van hun positie op de arbeidsmarkt. Het Indonesische middenkader was daardoor klein. Ongeveer 3.500 Indonesiërs waren in de periode 1900-1941 van een Europese technische opleiding afgestudeerd en 19.200 hadden een diploma van een Europese middelbare school. Met de Chinezen vertegenwoordigden zij ongeveer de helft van het totaal aantal afgestudeerden. Zij maakten maar een klein deel van het koloniale middenkader uit, en in het hoger kader waren ze afwezig. Deze Indonesiërs werkten vooral bij de overheid. Een Indonesisch middenkader in het bedrijfsleven ontbrak bijna geheel. Het Indonesisch aandeel lag hier zeker onder de 10%. Op de arbeidsmarkt hadden zowel de Indo-Europeanen als de Indonesiërs sterk te lijden van de concurrentie van de import-Europeanen. Deze Nederlanders uit het moederland verdienden meer en bezetten de hoogste posities bij de overheid en het Europese bedrijfsleven. Vooral in het Europees bedrijfsleven waren er daardoor nauwelijks carrièremogelijkheden voor de Indonesiërs en Indo-Europeanen. [3]

Referenties[bewerken]

  1. Lelyveld, J.E.A.M."...Waarlijk geen overdaad, doch een dringende eisch..." :koloniaal onderwijs en onderwijsbeleid in Nederlands-Indië 1893-1942. Diss. Utrecht, 1992.
  2. Technisch onderwijs en sociaal-ekonomische verandering in Nederlands-Indië en Indonesië, 1900-1958.
  3. Grenzen van de ethische politiek: het technisch onderwijs en de arbeidsmarkt in Nederlands-Indië, 1900-1940.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]