Begarden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Begarden, beggarden, begaarden of bogaarden waren kloosterlingen die tot dezelfde geestesstroming behoorden als de begijnen.

Geschiedenis[bewerken]

De beggarden, net als de begijnen, maakten deel uit van de semi-religieuze leefgemeenschappen die vanaf de twaalfde eeuw ontstonden binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Anders dan een lid van een kloosterorde van strikte observantie, legden ze geen eeuwige geloften af, maar alleen tijdelijke, meestal jaarlijkse. De gemeenschappen volgden ook geen door de Kerk erkende kloosterregel. Ze beperkten zich tot de geloften van kuisheid en gehoorzaamheid, niet die van armoede. In tegenstelling tot de begijnen leefden ze niet zelfstandig in aparte huizen verenigd in begijnhoven, maar wel in communauteiten. Het bleven gemeenschappen van lekenbroeders en ze lieten zich niet tot priester wijden.

De begijnen ontstonden in de dertiende eeuw en de begaarden kwamen wat later tot stand. Er wordt geen stichter vermeld, en in de Nederlanden, Duitsland en Frankrijk kwamen de groepen van begaarden los van elkaar en nogal spontaan tot stand, in navolging van de begijnhoven. De begaarden waren hoofdzakelijk handarbeiders, vooral wevers. Ze werden soms Broeders van het weefambacht genoemd. Hun activiteiten brachten hen soms in conflict met de middeleeuwse ambachten van wevers. Ze namen bij zich jonge wezen aan die ze tot wever opleidden. Ze waren ook hulpverleners in parochiekerken. Sommige van hun weeshuizen evolueerden dermate, dat niet alleen wevers werden opgeleid, maar dat verstandige kinderen de mogelijkheid kregen school te lopen in middelbare scholen die de weg openden naar universiteitsstudies.

Zoals de begijnen, werden de begaarden geïnfiltreerd door aanhangers behorende tot ketterse groepen, zoals de Broeders van de Vrije Geest. Ze werden weldra beschuldigd en vervolgd voor immoraliteit en corruptie. De Inquisitie zat ze op de hielen en zowel pausen als burgerlijke machthebbers spraken veroordelingen uit. Onder de documenten van de Inquisitie vindt men ondervragingen van broeders zoals Johannes Hartmann of voormalige broeders zoals Johannes de Brünn. In 1312 vaardigde het Concilie van Vienne het verbod op de begaardenbroederschappen uit. Het belette niet dat ze, vooral in de Nederlanden, bleven bestaan, omdat ze zich expliciet onder het gezag van de Kerk plaatsten. In de loop van de veertiende en vijftiende eeuw verdwenen ze. Wat van hun communauteiten overbleef evolueerde tot afdelingen van de derde orde bij sommige bedelorden, voornamelijk bij de franciscanen. Sommige kloosters werden door stadsbesturen overgenomen en verloren hun religieuze status. In 1650 verbood paus Innocentius X elke organisatie die zich op een filiatie vanuit de begaarden beriep.

De begaarden vertegenwoordigden een bepaalde stroming, in de geest van de Broeders van het Gemene Leven en van de Moderne Devotie, en kernen kwamen binnen deze stroming tot stand, onafhankelijk van elkaar. Ze hadden geen overkoepelende structuur en geen algemeen overste die ze bij de Vaticaanse instanties kon verdedigen.

Het eerste begaardenklooster waarover documenten bestaan (daarom niet noodzakelijk het oudste) was dat van Dowaai in 1246. In België vond met begaardenkloosters onder meer in Antwerpen (1297)[1], Brugge, Diest (1268)[2], Doornik (1297), Gent (1289), Ieper (1297), Leuven, Luik, Nijvel (1272), Sint-Truiden (1270), Tienen en Zepperen[3]. Ook was er een Bogaardenklooster en is er een Bogaardenstraat in Aarschot, Brussel, Hoegaarden, Koksijde, Wezenbeek-Oppem en Zoutleeuw. De oorsprong van de Bogaardenstraat in Dendermonde, Kessel en Oud-Heverlee is in onderzoek.

In Nederland vond men begaardenkloosters in Maastricht[4], Roermond[5] en 's Hertogenbosch[6].

Literatuur[bewerken]

  • Karl Joseph VON HÉFÉLÉ, Béguines et Bégards, in: Dictionnaire encyclopédique de la théologie catholique, T. II, Parijs, 1858.
  • Adolphe DUCLOS, Bruges, histoire et souvenirs, Brugge, 1910.
  • Fredegand CALLAEY, De Beggaarden-wevers in de Nederlanden tijdens de Middeleeuwen, 1913.
  • Fredegand CALLAEY, De Nederlandsche Beggaarden in St Franciscus' Derde Orde en de Weef­nijverheid tijdens de Middeleeuwen, in: Neerlandia Franciscana, 1914.
  • Floris PRIMS, De oorsprong der Antwerpsche Beggaarden, in: 'Antwerpiensia', Antwerpen, 1930.
  • Herbert GRUNDMANN, Religiöse Bewegungen in Mittelalter, Berlijn, 1935.
  • Ernest MCDONNELL, The Beguines and Beghards in Medieval Culture. With special emphasis on the Belgian scene, New Brunswick, 1954.
  • Jean-Claude SCHMITT, Mort d'une hérésie. L'Eglise et les clercs face aux béguines et aux béghards du Rhin supérieur des XIVe au XVe siècle, Parijs/Den Haag, 1978.
  • Gerard DE WAELE, Geschiedenis van de Bogaerdenschool, in: W.P. Dezutter en M. Goetinck (uitg.), 125 jaar stedelijke nijverheidsschool, Brugge, 1979.
  • Walter SIMONS & Michel LAUWERS, Béguins et béguines à Tournai au Bas Moyen Âge, 1988.
  • Marc RYCKAERT, Stedenatlas van België. Brugge, Brussel, 1991.
  • Walter SIMONS, Begijnen en Begaarden in het middeleeuwse Dowaai, in: De Franse Nederlanden, 1992.
  • Walter SIMONS, Beghards, in: Encyclopedia of Monasticon, Chicago, 2000.
  • Walter SIMONS & Paul TRIO, Begijnen, begarden en tertiarissen in het middeleeuwse Ieper, in: Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis, 2001.
  • Raoul VANEIGEM & Marie-Madeleine DAVY, Béguines et Bégards, in: Encyclopedia Universalis.

Voetnoten[bewerken]