Beluik

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Een beluik (Cité Delacroix) in Gent
De Sint-Rochusgang in Brussel (aquarel van Jacques Carabain, 1894)

Een beluik is een groep van meestal kleine arbeiderswoningen in Vlaanderen, net als bij een hofje verzameld om een omsloten binnenplaats. Beluiken waren vooral typisch voor Gent, maar ook in andere Belgische steden zijn ze gebouwd. In Brussel werden ze gangen of impasses genoemd. Veel ervan waren in de Marollen te vinden. Ook in Antwerpen werden ze vaak gangen genoemd, net als in Leuven. In Mechelen sprak men van fortjes.

Situering[bewerken]

Op dit inpandig terrein waren de huisjes gegroepeerd rond straten, stegen of pleintjes, en men sprak dan van straten-, steeg- of pleinbeluiken. Men kende ook een steegbeluik met een toegang over de gehele straatbreedte. De huizen werden vaak rug aan rug gebouwd. De beluiken werden in de periode van groeiende industrialisering in de 19e eeuw beschikbaar gesteld door de fabriekseigenaars. De 'baas' had ook winkels. Daar waren zijn arbeiders verplicht te kopen. Dit heette gedwongen winkelnering.

De levensomstandigheden in deze huisjes waren meestal lamentabel. Zo was er bijvoorbeeld vaak slechts één toilet voor het hele beluik en water haalde men uit één centrale pomp. De meeste huizen bestonden uit niet meer dan een vertrek.

De term 'beluik' is afgeleid van het oude werkwoord 'luiken', wat afsluiten betekent. Deze steegjes hadden vaak namelijk maar een ingang, die vaak 's nachts kon worden afgesloten. Men sprak ook soms van cités.

Reactie en een tweede leven voor de beluiken[bewerken]

Op deze economisch rendabele wijze van huisvesting voor de werkende klasse kwam na de Eerste Wereldoorlog reactie met de bouw van de ruim bemeten, gezonde en groene tuinwijk. Ook gaf deze onhygiënische en klassenbepalende bouwwijze in de jaren 30 van de 20e eeuw aanleiding tot een nieuwe urbanisatie met uiteenleggen van de functies en woonvormen waarbij licht, lucht en ruimte in klare volumes geboden werden aan een nieuwe mens (zie CIAM-congressen).

De niet gesloopte beluiken worden in deze tijd heringericht tot verkeersarme steegjes waarbij vier huisjes van vroeger verbouwd zijn tot een gezinswoning. Het geheel oogt dan als een woonerf waar het mechanisch verkeer en het voetgangersverkeer gelijkwaardig zijn.

Voorbeelden[bewerken]

Zie ook[bewerken]