Benedictus Buns

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Portret van componist en geestelijke Benedictus Buns. Foto: Mr. Wim Goossens

Benedictus Buns, Benedictus à sancto Josepho, geboren Buns, ook Buns Gelriensis (Geldern (bij Kevelaer) in het huidige Duitsland),[1] 1642 - Boxmeer, 6 december 1716 was een geestelijke en componist.

Leven[bewerken]

In 1659 trad Buns in de Karmelietenorde in Geldern[2] en nam hij de naam Benedictus à Sancto Josepho aan. In 1660 legde hij daar zijn kloostergeloften af. Zes jaar later in 1666 ontving hij zijn priesterwijding.

Ergens tussen 1666 en 1671 is hij onder zijn kloosternaam Benedictus à Sancto Josepho naar het in 1653 opgerichte Karmelietenklooster in Boxmeer gekomen. In de periodes 1671-1674, 1677-1683, 1692-1701, 1704-1707 was hij daar subprior. Van 1679 tot aan het eind van zijn leven was hij ook 'titularis' en organist van het klooster en Buns had de beschikking over het orgel dat de Mechelse orgelmaker Blasius Bremser in 1677 in de Petruskerk had geplaatst. Dat het klooster nauwe banden had met de heren van Boxmeer, blijkt wel uit het feit dat hij zich op de titelbladzijde van zijn opus IX uit 1699 Aulae Bergis phonascus et organista ofwel 'zangmeester’ en organist noemde van Oswald III van den Bergh in Boxmeer en van de familie van den Bergh in 's-Heerenbergh. Boxmeer was in de zeventiende eeuw een katholieke enclave in het door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bestuurde deel van het oude hertogdom Brabant. Buns beschouwt zich als de "huiscomponist" van de familie van den Bergh. Met Oswald III en zijn gemalin Maria Leopoldina onderhield Buns vriendschappelijke betrekkingen, wat ook op te maken is uit een bewaarde brief uit 1688. Oswald III was de zoon van Albert van den Bergh, de stichter van het Boxmeerse klooster.

Benedictus Buns kreeg ook naam als orgelexpert en orgeladviseur.

Het orgel in de Basiliek van Boxmeer dat Buns bespeelde.

In 1688 was Buns betrokken bij de voltooiing en de uitbreiding van het Bremser-orgel in Boxmeer door Jan van Dijck. In 1703 keurde Buns het Ruprecht(III)-orgel, dat gebouwd was voor de kapel van het Karmelietessenklooster Elsendael in Boxmeer en hij deed hetzelfde in 1706 met het nieuwe orgel van het klooster in Geldern.

Buns overleed op 6 december 1716 en werd opgevolgd door Cecilius à Sancto Gerardo. Als organist was Buns in Boxmeer zelf de opvolger geweest van Hubertus à Sancto Joanne Vlaminck (1633-1679), die daar organist was van 1668 tot 1679.

Postuum, vijf jaar na zijn overlijden, verscheen het door hem samengestelde Manuale Chori, een bundeling van de muziek die een monnik/kloosterling in het koor nodig had.

Werken[bewerken]

Buns schreef motetten, dialogen voor vocale en instrumentale bezetting, instrumentale sonates, litanieën en missen.

Van Buns verschenen acht bundels met kerkmuziek in de periode van 1666 tot 1701 en in 1698 één bundel met triosonates. Van de negen bundels werd tot op heden van zeven minstens één volledig exemplaar aangetroffen. Gevestigde muziekdrukkers zoals Petrus Phalesius, Hendrik Aertssens en Lucas Potter uit Antwerpen, Arnold van Eynden uit Utrecht en Estienne Roger uit Amsterdam publiceerden muziek van Benedictus Buns.

Zelfs na Buns’ dood in 1716 verschenen opusnummers. De opusnummers I tot IX die bij leven van de componist werden uitgegeven, tellen samen 123 overgeleverde composities, waaronder 109 geestelijke vocale werken met instrumentale begeleiding: 11 Missen, 2 Requiem motetten, 2 Magnificats, 5 Laurentijnse Litanieën, 8 Tantum Ergo's, 11 Salve Regina's, 4 Regina Coeli's, 1 Te Deum, Ave Maria, 2 Missa pro defunctis, 1 Ave regina coelorum, 1 Alma Redemptoris Mater, 11 kleine oratoria met vrije geestelijke tekst en composities ter ere van Beata Maria Virgine, Sancto Josepho, Sancto vel sancto, Sanctissimo Sacramento en vele andere religieuze plechtigheden. Buns’ werk reflecteert vanzelfsprekend zijn activiteiten in dienst van de orde. Daarnaast componeerde hij 13 triosonates van het type Sonata da chiesa voor 2 violen, viola da gamba en basso continuo die in 1698 werden uitgegeven bij de Amsterdamse drukker Estienne Roger als opus VIII en met als titel: Orpheus Elianus è Carmelo in orbem Editus a 2 Viol. et Basso viola cum Basso Continuo. De bundel was met een in het Latijn gestelde dedicatie opgedragen aan Graaf Oswald III van den Bergh Boxmeer en zijn vrouw Maria Leopoldina van Oost-Friesland-Rittburg[3]. De Opus V en Opus VII zijn eveneens aan Graaf Oswald III van den Bergh Boxmeer opgedragen.

Het grafmonument van Graaf Oswald III van den Bergh en zijn gemalin in de Basiliek te Boxmeer.
Titelpagina van de Opus V met Latijnse dedicatie aan Graaf Oswald III van den Bergh.

De veertiende instrumentale sonate door Buns geschreven is Sonate Finalis nr.15, Opus V en is uitgegeven in 1678. Deze Sonate heeft twee instrumentale koren, toonaangevend uit de Venetiaanse School. Verrassend en ingenieus is het wisselspel tussen koor I (Viool 1 en 2, altviool en viola da Gamba) en koor II ( Viool 1 en 2, altviool, tenor viool en dulciaan) ondersteund door het continuo(orgel/klavecimbel en violabas).

Vanaf 1701 bestudeerde en beoefende Buns de Gregoriaanse muziek en zang. In 1711 verschenen bij uitgeverij Plantijn in Antwerpen en - na zijn dood - in 1721 bij Ludovicus de Quantinne in Brussel twee boekdelen Gregoriaanse gezangen voor de liturgische praktijk, door Buns verzameld onder meer voor het Karmelietenklooster te Boxmeer gegeven de hoofdtitel van de boekdelen: Fratrum Beata Virginae Mariae Monte Carmelo Boxmeriensis: de Processionale juxta usum Fratrum Beatae Virginae Mariae de Monte Carmelo en de Manuale Chori ad usum Fratrum Beatae Virginae Mariae de Monte Carmelo. Beide boeken kenmerken zich door de theoretische en muzikale toevoegingen door Buns. De composities van Buns worden aangetroffen in bibliotheken van Amsterdam, Utrecht, Brussel, Antwerpen, Geldern, Boxmeer, Parijs, Zürich, Wenen en Uppsala.

Lijst gepubliceerde werken[bewerken]

  • Opus I, Missae, litaniae, et motetta, IV. V. VI. vocibus cum instrument. et ripienis, Antwerpen, uitgegeven bij de erfgenamen van Petrus Phalesius, 1666; twee missen, drie motetten, twee litanieën voor vijf solostemmen, vierstemmig koor, instrumenten en basso continuo.
  • Opus II, Corona stellarum duodecim serta, I. II. II. IV. vocibus et instrumentis, editio secunda aucta et emendata, Antwerpen, uitgegeven bij de erfgenamen van Petrus Phalesius, 1673, de eerste uitgave van vermoedelijk omstreeks 1670 is verloren gegaan; zeven motetten, twee missen, litanieën, Salve Regina, Tantum ergo, voor 1-4 solostemmen en basso continuo.
  • Opus III, Flosculi musici, Antwerpen, uitgegeven bij de erfgenamen van Petrus Phalesius, 1672: veertien motetten, één- tot vierstemmig, instrumenten en basso continuo.
  • Opus IV, Musica montana in monte Carmelo composita, cantata in monte Domini, 1. 2. 3. vocibus, & unum Tantum ergo. 4. voc. & 2, 3 vel 5. instrumentis, Bergh-muziek, Antwerpen, uitgegeven bij Lucas de Potter, 1677.
  • Opus V, Completoriale melos musicum, II. III. & IV. vocibus, II. III. vel V. instrumentis decantandum, Antwerpen, uitgegeven bij Lucas de Potter, 1678; zeven motetten, vier Maria-antifonen, litanieën, twee Tantum ergo‘s, voor twee tot vier stemmen, instrumenten en basso continuo en Sonata finalis II choris (instrumentaal dubbelkoor).[4].
  • Opus VI, Encomia sacra musice decantanda 1, 2, 3 vocibus et 2, 3, 4. et 5 instrumentis, Utrecht, uitgegeven bij Arnold van Eynden, 1683: negentien motetten, één mis, voor één tot drie stemmen (TTB), instrumenten en basso continuo.
  • Opus VII, Orpheus gaudens et lugens, sive cantica gaudii ac luctus, a 1, 2, 3, 3 & 5 vocibus ac instrumentis compositta, Antwerpen, uitgegeven bij Hendrick Aertssens, 1693; vijftien motetten voor 1 tot 5 solostemmen, instrumenten en basso continuo, vier missen voor 4-5 solostemmen, instrumenten en basso continuo.
  • Opus VIII, Orpheus Elianus a Carmelo in orbem editus a 2 violinis et basso viola cum basso continuo, Amsterdam, uitgegeven bij Estienne Roger, 1698; dertien triosonates, voor 2 violen, viola da gamba en basso continuo.
  • Opus IX, Missa sacris ornata canticis 1. 2. 3. vocibus et 1. 2. 3. 4. et 5 instrumentis, Amsterdam, uitgegeven bij Estienne Roger, 1701; één mis voor 3 solostemmen, tien motetten voor 1 tot 3 solostemmen, instrumenten en basso continuo
  • Gregoriaanse zang Processionale juxta usum Fratrum Beatae Virginae Mariae de Monte Carmelo, uitgegeven in Antwerpen bij Plantijn, 1711.
  • Gregoriaanse zang Manuale Chori ad usum Fratrum Beatae Virginae Mariae de Monte Carmelo, uitgegeven in Brussel bij Ludovicus de Quainne, 1721.

Waardering[bewerken]

Na zijn overlijden werd Buns bijgezet in één van de Boxmeerse kloostergangen: in de necrologie van het Karmelietenklooster te Boxmeer staat te lezen: 6. December obiit P. Benedictus à Sancto Josepho alias Buns, Gelriensis, quondam subprior, organista as Musiciae componista famosissimus.[5] In Frankrijk viel Buns de bijnaam le grand carme te beurt. De Nederlandse musicoloog Frits Noske heeft aanzienlijk bijgedragen tot het toegankelijk maken van het werk van Buns. Daarnaast zijn in 1967 onder leiding van Theo Lamée in Boxmeer en later in 2001 onder leiding van Hans Smout evenzeer in Boxmeer, Benedictus Buns memorials gehouden. In 1968 werd als hommage aan Benedictus Buns een eenvoudige marmeren plaquette onthuld in de pandgangen van het Karmelietenklooster te Boxmeer.

Buns heeft zich vooral verdienstelijk gemaakt voor de Nederlandse katholieke kerkmuziek. Buns dient, alhoewel hij veelal religieuze muziek schreef, als de meest belangrijke Nederlandse componist in de tweede helft van de zeventiende eeuw te worden beschouwd. Kenmerkend voor Buns is de structuur van verhoudingsgewijs korte stukken met wisselende maat en tempo. De motetten op Latijnse tekst zijn van meditatieve aard. De zetting van de Primus in de bovenstem is homofoon gedacht en instrumentale componenten onder de noemer Symphonia, Sonata en Ritornello bepalen voor- en tussenspel. Buns componeerde overigens ook schitterende concerterende missen, zoals de Missa Secunda uit het Opus I no. 2[6] voor 6 stemmen en 4 stemmen in repiëno et instrumenti en ook zijn mis in F voor drie gelijke stemmen kent een prachtig Gloria. Buns haalt de teksten van zijn motetten uit de Heilige Schrift, deels ook teksten die naar de Schrift verwijzen en mogelijk ook uit eigen bijdragen in meditatieve stijl. Ook nieuw gecreëerde teksten van dichters uit de 17e eeuw waren een inspiratiebron voor Buns’ motetten. Zelfs letterlijke citaten uit de Heilige Schrift behandelt Buns op een oratorische wijze. Buns onderstreept de gekozen tekst met sprekende beeldende muziek. Overeenkomstig behoudsgezinde gewoontes is het instrumentale deel in de eerste fase geschreven voor drie of vijf instrumenten en slechts zelden voor vier instrumenten naar de modernere schrijfwijze. De door Buns gekozen en aangewende instrumentatie bestaat uit alt- en tenorviolen, viola, gamba, basgamba, cello, fagot, basso continuo, gewoonlijk orgel met basviolen, soms met trombones. In sonata finalis nr. 15 uit Opus V daarentegen, componeert Buns voor twee instrumentale koren met basso continuo. Deze compositie is representatief voor het moderne concertoprincipe dat door Buns wordt aangewend, maar geeft tevens aan welk een muzikale kunde Buns bezat.

De 13 sonates van opus VIII zijn geschreven in een uitmuntend virtuoos barokidioom, met een enigszins zuidelijk tintje. Dit Opus VIII — Orpheus Elianus e Carmelo in orbem editus — geldt als prachtig voorbeeld van geïnspireerde Nederlandse muziek. Orpheus Elianus verwijst vanzelfsprekend naar de profeet Elia, zoals Buns in zijn Opus VII naar Elia verwees als de spirituele inspiratiebron voor de stichters en leden van de Karmelietenorde waartoe Buns behoorde. De 13 triosonates zijn duidelijk verwant aan de sonata da Chiesa van Arcangelo Corelli. Ze bestaan uit korte in elkaar overlopende deeltjes, vaak vijfdelig; Adagio - Allegro - Adagio – Allegro – Adagio. Waarschijnlijk kan Sonata finalis nr. 15 uit Opus V voor twee violenkoren worden beschouwd als een uitstekend instrumentaal motet. Bijzonder verrassend en vernuftig is het wisselend spel tussen koor I (met viool 1 en 2, viola en viola da gamba) en koor II (viool 1 en 2, viola, tenorviool en dulciaan/fagot) ondersteund door het continuo (orgel, klavecimbel en contrabas). Opus VIII vertoont over het geheel genomen een logisch tonaal systeem. De eerste zes sonates volgen de kwintencirkel in mineur, van c over g, d, a, en e tot b. Sonate nr.7 vangt aan met fis klein maar moduleert naar Es groot. De laatste zes sonates nr. 8 tot 13 gaan de kwintencirkel verder af, maar nu in groot, van Es, over Bes, F, C, G tot D. De gekozen harmonische structuren zijn interessant en verlenen dit Opus VIII een solide bouw.

Ongetwijfeld stond Buns sterk onder invloed van de Italiaanse componisten van zijn tijd, zoals Bassani en Degli Antonii. Het is niet uitgesloten dat Buns contacten had met musici binnen de Italiaanse Karmelietenorde. Wie de muziekleraar van Buns in Geldern was, staat niet bekend. In het Karmelietenklooster van Geldern stonden in Buns’ tijd twee orgels opgesteld in de kloosterkerk. De Karmelieten waren in die tijd hogelijk bekwaam in de kunst van de muziek. Onderzoek heeft vastgesteld dat contacten hebben bestaan tussen de graaf en de familie van den Bergh 's-Heerenbergh en de kapelmeesters van Keulen, zoals Carl Rosier (16401725) en zelfs de Vlaamse Carolus Hacquart (ca. 1640–1701); het is niet ondenkbaar dat er een kapelmeester uit Keulen in 's-Heerenbergh actief was. Buns’ muziek is gegrond op het principe en de stijl van de Venetiaanse School aan het begin van de 17de eeuw en zijn oeuvre vertoont overeenkomst met dat van Monteverdi en kan zelfs vergeleken worden met dat van Charpentier en Corelli. Vergeleken met de eerste periode van zijn compositorisch leven wordt gaande Buns' leven zijn gecomponeerde muziek soberder en ingetogener.

Tijdsbeeld waarin Buns leefde en werkte[bewerken]

Benedictus Buns leefde en werkte in een tijd dat de Baronie Boxmeer als Vrije Heerlijkheid een vrije enclave was in de calvinistische Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Vrije Heerlijkheid Boxmeer was een autonoom gebied dat van de reformatie niets te duchten had. Sinds de Vrede van Münster in 1648 waren de katholieken in een groot deel van Brabant gedwongen hun kerken aan de nieuwe godsdienst af te staan. Niet alleen de katholieke godsdienst kon in Boxmeer in alle vrijheid beleden worden maar ook de kunstnijverheid nam in Boxmeer een grote vlucht. Het was het geslacht van den Bergh uit 's-Heerenberg dat mede de culturele bloeitijd in Boxmeer stimuleerde. Daarnaast bezaten enkele welvarende families, zoals Van Odenhoven, De Raet en Hengst in Boxmeer landgoederen zoals Het Leucker, de Weijer en Elsendock. Zij brachten tezamen tevens werkgelegenheid van administratieve aard in Boxmeer.

Op instigatie en verzoek van graaf Albert van den Bergh[7] werden de Vlaamse Karmelieten verzocht een klooster in Boxmeer te stichten. Boxmeer behoorde toentertijd tot het bisdom Roermond, dat per 14 augustus 1653 toestemming verleende tot het stichten van een Karmelklooster in Boxmeer. Oorkondes uit eind 1652 bezegelden een gedane schenking aan de Vlaamse Karmel en de Geldernse Karmel door graaf Albert van den Bergh van twee morgen grond gelegen aan de hoofdstraat naast en ten zuiden van de bestaande parochiekerk in Boxmeer. Boxmeer gold als bolwerk – ook zo gezien door het bisdom Roermond – tegen de oprukkende reformatie.

Buns’ - voornamelijk geestelijke muziek - kon in Boxmeer ongehinderd gedijen. Bovendien wist Buns zich verzekerd van de steun van de graven van den Bergh. In opdracht van Madeleine de Cusance[3], de weduwe van graaf Albert en in opdracht van diens zoon Oswald III van den Bergh[7] componeerde Benedictus Buns. Ondanks hun steun aan Buns en het reizen van Benedictus Buns naar Brussel, Antwerpen en Mechelen werd zijn muziek niet wijdverbreid, alhoewel grote muziekdrukkers zijn muzikale kwaliteiten (h)erkenden en zijn muziek drukten. Dat gold dan vooral en voornamelijk voor de Antwerpse en Brusselse muziekdrukkers. In dit verband wordt opgemerkt dat Buns’ opus VIII - geheel bestaande uit 13 sonates - wel in Amsterdam werd gedrukt! De kracht en macht van het machtige calvinistische Den Haag dient niet te worden onderschat en zo kwam de geestelijke muziek van Buns niet of nauwelijks aan bod in de Republiek.

Dat Buns niet in de beslotenheid van het klooster bleef, blijkt onder meer uit de hierboven aangehaalde reislustigheid die hij aan den dag legde. Bovendien waren het de Karmelieten zelf die zich sinds de hervorming van Touraine in 1604 sterk maakten voor de integratie van kunst en onderwijs in het klooster, dus ook voor de muziek van Buns. In die zin en als exponent daarvan stond de Latijnse school in Boxmeer – geopend in 1658 - mede borg voor “artes liberales usque ad rhetoricam”. Deze Latijnse school vormde ook een tegenwicht tegen de gereformeerde colleges in de Republiek. De graven van den Bergh zagen deze school als een wetenschappelijk centrum en als een blijk van de aanwezigheid van een cultureel bolwerk. Maar ook de Karmelieten dienden zich te gedragen naar “jurisdictiones, praeeminentias et immunitates” (rechtsmacht, voorrang en onschendbaarheid) van de graven van den Bergh en die stonden ook weleens aan de kant van Oranje! En dat was dan soms de andere zijde van de medaille in Boxmeer!

Discografie[bewerken]

Instrumentale muziek

  • Benedictus Buns, Triosonates door Ensemble Séverin, NM Classics 92131, 2004, opgenomen in april 2003 met 13 Sonates van Buns.
  • Music from the Golden Age of Rembrandt - instrumental and vocal works[dode link] door Musica Amphion o.l.v. Pieter-Jan Belder, Brilliant Classics 93100, 2006.
  • cd Brabants Muzyk Collegie Brabants Muzyk Collegie, Brabantse Barokmuziek. Recorded 1998. Uitvoerenden: Eindhovens Vocaal Ensemble and Brabants Muzyk Collegie, conductor & organist Ruud Huijbregts. A private edition. Triosonate nr 3 Opus VIII en Sonata finalis nr. 15 out of Completoriale Melos Musicum, Buns opus V.

Geestelijke muziek

Voor verder opgenomen werken van Bendictus Buns op cd/LP zie onderstaande lijst en kijk voor de opgenomen specifieke geestelijke werken bij mr. Wim Goossens Boxmeer in classical-composers.

Bronnen, noten en/of referenties[bewerken]

  • Alois Wolfgang Arbogast, Benedictus a Sancto Josepho alias Buns Gelriensis, Karmeliter, Organist und hochberühmter Komponist, 1984, pp. 106–119.
  • Buns: brief aan graaf Oswald III van den Bergh in ’s-Heerenbergh in 1688, zie Wout van Kuilenburg, blz.10 en archief van het Slot ’s-Heerenbergh. Brief Benedictus Buns aan Graaf Oswald
  • Mr. Wim Goossens, Benedictus à Sancto Josepho (±1640–1716) in Classical Composers Database, 2004–2008. Wim Goossens: Buns in Classical composers Database.
  • New Grove: Grove Music Online 2007.
  • Het HonderdComponistenBoek, Haarlem, 1997
  • Ruud Huijbregts, cd-boekje Brabantse Barokmuziek 1998.
  • A.I.M. Kat De geschiedenis der kerkmuziek in de Nederlanden sedert de Hervorming (Hilversum, 1939), pg 111-112, 131ff.
  • Kreisarchiv Kleve: Sammlung Benedictus à Sancto Josepho door Frits Noske (nr S7).
  • Wout van Kuilenburg, De grenzen te buiten, Orgels, hun makers en behuizingen bezien vanuit Boxmeers perspectief, Het Orgel, 102 (2006) nr. 4 pp. 6, 7 and p. 11.
  • Wout van Kuilenburg (2), Orgels in Boxmeer publicatie van de Stichting tot behoud van het Nederlandse orgel nr. 46 (maart 1997) p. 3, 4, 7.
  • J. H. van der Meer, Woord vooraf bij de publicatie van de trio sonata in d-minor, opus VIII nr.3, 1958, Amsterdam Kassel.
  • J. H. van der Meer (2), Benedictus a Sancto Josepho van de Orde der Carmelieten (1642–1716) in Tijdschrift voor Muziekwetenschap 18, 1958 pp. 129–147.
  • J. H. van der Meer, Benedictus a Sancto Josepho vom Karmeliterorden'" inKirchenmusikalisches Jahrbuch 46, Keulen, 1962, pp. 99–120.
  • J. H. van der Meer, Benedictus a Sancto Josepho vom Karmeliterorden in Kirchenmusikalisches Jahrbuch 47, Keulen, 1963, pp. 123–124.
  • J. H. van der Meer, Benedictus a Sancto Josepho vom Karmeliterorden in Die Musik in Geschichte und Gegenwart (MGG), Kassel, 1973, Band 15, pp. 648 ev..
  • Frits Noske, Music bridging divided religions Deel 1-2. Wilhelmhaven: Noetzel, 1989. (Paperbacks on Musicology 10) pp 280, 281–528.
  • Rudolph Rasch, Review van F.R. Noske, Music bridging divided religions (1989). in Tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis 41 (1991b), pp. 135–140.
  • Rudolph Rasch, Radio Netherlands Music, biography of Benedictus Buns op internet.
  • Hans Schouwman in an Introduction of the publication of O Jesu Chare by Buns Opus VI p.1;
  • Hans Smout in Gelderlander 31 maart 2001;
  • Jos van Veldhoven in cd-boekje Saint & Sinners 1998, Channel Classics 12498, p. 3-13;
  • Marinus Waltmans, Introduction bij de uitgave van vier motetten van Buns in 1982, in Vereniging voor Nederlandse muziekgeschiedenis, Utrecht, 1982, pp. V–XII.
  • Emile Wennekes, in het inlegboekje van de cd Benedictus Buns, door Ensemble Séverin, NM Classics 92131, 2004.
  • Drs. A.T.A. Wolters-van der Werff, De Latijnse school van de paters Karmelieten, Drukkerij Schoth BV, 1993.
  • H.J. Zomerdijk, Het muziekleven in Noord-Brabant, 1770-1850, in Bijdrage tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland. LI (1981), pp.35-36.
  • Jan Jaap Zwitser, in Canon van de rooms-katholieke kerkmuziek in Nederland, Gregorius blad, Benedictus Buns, Uitgeverij Gooi en Sticht, Utrecht, pp. 50–55.
  • Zowel in 1967 onder leiding van Theo Lamée als in 2001 onder leiding van Hans Smout zijn te Boxmeer Benedictus Buns memorials gehouden, zie publicaties in De Volkskrant, De Gelderlander en het Boxmeers Weekblad.