Bep Turksma

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hulda Elisabeth (Bep) Turksma (Rotterdam, 11 mei 1917Antwerpen, 21 september 1987) was een Nederlands verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog en één van de 48 vrouwelijke Engelandvaarders.

Turksma werd geboren als oudste dochter in het Joodse gezin van David Simon Turksma, koopman in manufacturen, en Sara Israël Katan. Haar vader overleed in 1933 toen zij zestien jaar oud was.

Oorlogsjaren[bewerken]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte Turksma betrokken bij het Delfts studentenverzet. Op 10 september 1942 werd ze gearresteerd.[1] Na haar arrestatie werd ze naar kamp Westerbork overgebracht. Als leerling-verpleegster werd zij daar nachtverpleegster. Dit gaf haar voldoende vrijheid drie maanden later te ontsnappen. Zij dook onmiddellijk onder.

Op 8 februari 1943 besloot zij Nederland te verlaten, alleen. Ze stak de grens over, ging naar Turnhout, nam de tram naar Antwerpen en vervolgens de trein naar Parijs, en kwam vrijwel moeiteloos door alle controles.
In Parijs bleef zij tot 27 maart. Een Franse vrouw bracht haar via Bordeaux naar Langon, waar zij over de demarcatielijn met Vichy-Frankrijk werd gezet. Op 1 april werd Turksma echter gearresteerd in Pau. Ze zat een maand gevangen, en werd daarna naar het kamp in Gurs gebracht. Eind mei 1943 lukte het haar dit kamp te ontvluchten. In Lyon kreeg ze nieuwe valse papieren. Op 17 september ging ze naar Mauléon. Een passeur bracht haar door de Pyreneeën. In Isaba werd ze weer gearresteerd. Ze werd in Pamplona vastgehouden, maar op 14 oktober mocht ze haar reis naar Madrid vervolgen. Op 13 april 1944 kon ze naar Lissabon reizen om op 17 april naar Engeland te vliegen.

In Londen werd ze gastvrouw in Oranjehaven.

Na de oorlog[bewerken]

Na de oorlog hoorde Turksma dat haar broer Salomon, die als patiënt in Het Apeldoornsche Bosch was opgenomen, in januari 1943 in Auschwitz was omgebracht, en haar moeder in juni 1943 in Sobibor.
Ze werd secretaresse van het Nederlands-Indisch Rubberfonds in Indonesië, en was vervolgens secretaresse van de Nederlandse ambassades in Lima, Warschau en Nairobi. Om gezondheidsredenen moest ze haar werk stoppen, waarna ze in Nederland op het departement van Buitenlandse Zaken werkte. Hierna richtte Turksma in 1966 te Baarn een opleiding op in het zelf maken van haute couture volgens een methode die ze in Peru van een Argentijnse lerares had geleerd.[2] Ze had inmiddels haar oorlogsherinneringen op papier gezet en in 1958 wilde ze die publiceren. Ze vond toen echter geen uitgever en oordeelde zelf in 1966 ook dat het "een heel slecht boek" was.[2] Mede door de aandacht die de Weinreb-affaire vervolgens trok, werd haar manuscript in 1971 toch gepubliceerd onder de titel Vraag me niet waarom ....

De Weinreb-affaire[bewerken]

Friedrich Weinreb schreef in "Het Land der Blinden" (1969), het eerste deel van zijn memoires Collaboratie en Verzet, dat hij in september 1942 was verraden door een joods meisje dat Bep Turksma heette. Aanvankelijk werd gedacht dat Turksma was overleden, maar in juni 1969 liet zij in het Nieuw Israelietisch Weekblad optekenen dat ze nog in leven was en Weinreb nooit had gekend.[3] In wat de Weinreb-affaire ging heten, werd Turksma onder andere gesteund door Willem Frederik Hermans. Een rechtszaak die ze tegen Weinreb en Renate Rubinstein aanspande verloor ze, maar in 1976 werd ze in een rapport door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie vrijgepleit van alle beschuldigingen.

Turksma woonde aan het eind van haar leven in Antwerpen-Berchem, waar ze op 70-jarige leeftijd overleed.

Bibliografie[bewerken]

  • Turksma, Bep - Vraag me niet waarom ...: het avontuurlijke oorlogsverhaal van een jonge Nederlandse jodin (1971), uitgeverij Het Wereldvenster, met een voorwoord van Mathieu Smedts

Externe link[bewerken]