Betrekkingen van het Indisch Subcontinent met de Grieks-Romeinse wereld

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Romeinse handel met het Indische subcontinent volgens de Periplus van de Erythreïsche Zee, 1ste eeuw n.Chr.

Het Indische subcontinent raakte, via de volkeren van het Oude Nabije Oosten, pas bekend bij de Grieken nadat het Perzische Rijk zich op het einde van de 6e eeuw v.Chr. tot aan de vallei van de Indus had uitgebreid.

Kennis over het land: fabels en legenden[bewerken | brontekst bewerken]

Rond 510 v.Chr. verkende een zekere Scylax van Caryanda in opdracht van koning Darius I de Indus, en zeilde vervolgens vanaf de Indus-delta om het Arabisch Schiereiland heen naar Egypte. Het verslag dat Scylax van deze avontuurlijke tocht neerschreef werd door Hecataeus en Herodotus gebruikt als bron voor hun summiere beschrijvingen van India.

De Indica (Ἰνδικά) van Ctesias, die van ± 405 tot 397 v.Chr. lijfarts van Artaxerxes II was, bevatten overigens méér wonderlijke verhalen dan echt betrouwbare inlichtingen, maar maken toch voor het eerst melding van de Ganges.

Politieke geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Maar het was pas door de expedities van Alexander de Grote dat de kennis over India, althans over het noordwesten ervan, wat nauwkeuriger werd. Alexander drong door tot de Hyphasis, op een punt ruim 300 km ten oosten van de Indus, en de geschriften van ooggetuigen die aan deze tochten hadden deelgenomen verspreidden deze kennis over de Griekssprekende wereld.

Seleucus I Nicator drong vermoedelijk nog verder dan Alexander door in oostelijke richting, maar hij moest rond 300 v.Chr. zijn Indische veroveringen afstaan aan koning Sandracottus (= Chandragupta). Aan diens hof in Paliputra aan de Ganges verbleef van 302 tot 281 v.Chr. de Ioniër Megasthenes als ambassadeur van het Seleucidenrijk. Zijn (helaas verloren) werk Indica (Ἰνδικά) vormde wellicht de belangrijkste bron voor Arrianus' gelijknamige werk, en bevatte de eerste berichten in het westen over de Brahmanen. Ook bestond er een levendig diplomatiek verkeer tussen Chandraguptas kleinzoon Asoka en de vorsten van de Hellenistische diadochenrijken.

In de 2e eeuw v.Chr. stond het noordwesten van India onder de heerschappij van de Grieks-Bactrische vorst Demetrius en zijn opvolgers, waarover verder weinig bekend is. Aan deze Hellenistische heerschappij kwam bij de aanvang van de 1e eeuw v.Chr. een einde, door de invallen van Saken, Scythen en Tocharen.

Intussen had de opkomst van het Parthische Rijk van de machtige Arsaciden de directe contacten tussen het Nabije Oosten en India vrijwel geheel geblokkeerd.

Handelsbetrekkingen[bewerken | brontekst bewerken]

Munt van de Romeinse keizer Augustus (r. 27 v.Chr.–14 n.Chr.), gevonden bij opgravingen in Pudukottai, Tamil Nadu, India.

Deze contacten werden opnieuw intenser onder keizer Augustus nadat een zekere Hippalus een rechtstreekse route van de Rode Zee naar zuidelijk India had ontdekt (zie Periplus van de Erythreïsche Zee). Augustus, Claudius en andere keizers ontvingen Indische gezantschappen. In de 1e en 2e eeuw na Chr. dreven Griekse en Romeinse kooplieden een levendige handel met grote delen van India, dat parfums, specerijen, parels en edelstenen, ivoor, Chinese zijde en exotische dieren exporteerde. Op zijn beurt importeerde het Indische subcontinent uit de Grieks-Romeinse wereld wijn, linnen, glas, keramiek en gouden en zilveren munten (waarvan er vele werden gevonden, vooral in het zuiden van het land). De meeste kooplieden bezochten grote marktplaatsen op de westkust van het schiereiland, maar sommigen drongen zelfs door tot Taprobane (nu Sri Lanka genaamd), de oostkust van India en zelfs Achter-Indië. Tamil-bronnen uit deze periode vermelden Griekse kooplieden als ingezetenen in deze streken.

Ivoren beeldje "Pompeii Lakshmi", Indiase kunst gevonden in ca. 1938 in de ruïnes van Pompeii (verwoest in 79 n.Chr).

Vanaf de aanvang van de 3e eeuw kwam de handel steeds meer in handen van Arabische en Perzische kooplieden. Sindsdien werd India voor Grieken en Romeinen geleidelijk weer het verre land van fabels en legenden dat het vóór Alexander de Grote was geweest, en dat zou het ook blijven gedurende een groot deel van de middeleeuwen.

Kunst[bewerken | brontekst bewerken]

De Grieks-Romeinse hellenistische invloed op de Indische (beeldende) kunst was vooral sterk van de 2e eeuw vóór tot de 1e eeuw na Chr., maar plaatst de kunsthistorici nog steeds voor enkele onopgeloste problemen.

Christenen[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens de traditie zou de apostel Thomas in India het christendom gepredikt hebben. Bekeerde Indiërs zouden de oorsprong zijn van de Malabar-christenen die nu nog steeds hoofdzakelijk aan de oostkust wonen. Waarschijnlijker is dat het christendom pas massaal ingang vond door de zending van Nestorianen in later eeuwen hoewel er natuurlijk best al christenen in de eerste eeuw beland kunnen zijn via de reguliere zeeroute vanuit Egypte.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]