Betty Trompetter

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Betty Trompetter
Betty kort voor de oorlog
Betty kort voor de oorlog
Volledige naam Betsij Henriëtte Trompetter
Geboren 27 februari 1917, Hoogeveen
Overleden 23 april 2003, Voorburg
Land Nederland
Ook bekend als "Tineke" / Gonnie van der Laan
Jaren actief 1943-1944
Portaal  Portaalicoon   Tweede Wereldoorlog

Betsij Henriette (Betty) van der Harst-Trompetter, alias 'Tineke' of 'Gon van der Laan' (Hoogeveen, 27 februari 1917 - Voorburg, 23 april 2003) was een Joods verzetsstrijder in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Haar ouders (Roselina van Wijnbergen en David Joël Trompetter) en beide broers (Joël en Bram) werden in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 in Hoogeveen gearresteerd en na een verblijf in Westerbork op transport gezet naar Auschwitz. Haar ouders werden op 5 november 1942 kort na aankomst in Auschwitz vergast, Joël overleed op 17 maart 1944 in Auschwitz na zestien maanden dwangarbeid, Bram kwam om op 21 januari 1945, bij de dodenmars van Blechhammer naar Groß-Rosen. Haar zus Henny, die in de oorlog getrouwd was en in Amsterdam bij haar schoonouders woonde, werd daar gearresteerd en via Westerbork op transport gezet naar Theresienstadt. Na een tocht door diverse concentratiekampen werd ze uiteindelijk in Kratzau (een subkamp van Groß-Rosen) bevrijd. Na de oorlog emigreerde ze naar de Verenigde Staten.

Toen haar familie gearresteerd werd, woonde Betty Trompetter in de Viottastraat te Amsterdam. Door onder te duiken wist ze aan de razzia's te ontkomen. Op 28 november 1942 dook ze onder in pension 'De Roo' in Ugchelen, waar ze haar toekomstige echtgenoot Albert Henry van der Harst leerde kennen. Op 4 maart 1943 vertrokken ze, begeleid door Johannes Post naar een onderduikadres in Rijnsburg.[1] Op verzoek van Johannes besloot ze later koerierster voor het verzet te worden. Als zodanig reisde zij met een eersteklas-treinabonnement door het hele land, wisselde informatie uit en bezorgde bonkaarten, valse identiteitsbewijzen en wapens.

In de onderduik maakte Betty gebruik van een persoonsbewijs van Christina Cornelia de Hoog, waaraan ze binnen het verzet de roepnaam "Tineke" heeft overgehouden. In Rijnsburg kreeg ze een persoonsbewijs van Hillegonda Alida Annetta van der Laan[2], roepnaam "Gon". In het boek "Johannes Post" van Anne de Vries wordt ze Tineke van der Laan genoemd.

Ze heeft meegewerkt aan de overval op het Huis van Bewaring Weteringschans. Deze overval is verraden. Ze is in de Amsterdamse Kinkerstraat opgepakt en gevangengezet in het Huis van Bewaring aan de Havenstraat (bij de Amstelveenseweg). Eind juli 1944 is ze naar Kamp Vught gebracht, vanwaar ze op 6 september 1944 naar Ravensbrück werd vervoerd. In Ravensbrück werkte ze onder andere als stratenmaker. Na ongeveer een maand werd ze naar het Agfacommando, een van de buitencommando's van Dachau vervoerd, waar ze op 15 oktober 1944 aankwam. Met haar medegevangenen liep ze dagelijks naar de Agfa-Kamerawerke-fabriek nabij München. Hier moest ze van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat zelfontspanners voor afweergeschut inregelen.

Na de bevrijding, die voor haar kwam op 30 april 1945, werd zij met enkele lotgenoten twee weken opgevangen in Parijs, waar zij als helden werden onthaald. Bij aankomst in Nederland was niets geregeld; ze reisde met de trein naar Den Haag en liep naar het adres van Albert van der Harst. Met hem trouwde ze op 12 oktober 1945.

Betty Trompetter heeft de kampen overleefd, mede doordat haar Joodse identiteit niet bekend is geworden.