Bewijs (strafrecht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Links: voetafdruk op de plaats delict. Rechts: schoen van de verdachte. Rondjes geven de overeenkomsten aan: bewijs dat de schoen van de verdachte op de plaats delict was.

In het strafrecht is het bewijs de informatie die aantoont dat de verdachte datgene heeft gedaan waarvan hij beschuldigd wordt. De beschuldiging staat normaal gesproken in de tenlastelegging.

Bewijsmiddelen[bewerken]

Een bewijs kan onder meer bestaan uit:

Aan de hand van de bewijsmiddelen moet de toedracht worden aangetoond.

Bewijsstelsels[bewerken]

In het strafrecht is er een indeling te maken in wettelijke bewijsstelsels en vrije bewijsstelsels. Het gehanteerde bewijsstelsel bepaalt hoeveel vrijheid een rechter heeft om te beoordelen wat de waarde is van het ter zitting gepresenteerde bewijs.[1]

  • Wettelijke bewijsstelsels: de rechter is gebonden aan in de wet verankerde bewijsregels.
    • Positief-wettelijk bewijsstelsel, een limitatief en sluitend systeem van bewijsregels dat automatisch leidt tot een wel of niet bewezenverklaring.
    • Negatief-wettelijk bewijsstelsel, een limitatief systeem van bewijsregels dat wel automatisch leidt tot vrijspraak (wanneer niet is voldaan aan de minimale wettelijke bewijseisen) maar niet automatisch tot bewezenverklaring. Dit stelsel wordt in Nederland gehanteerd.
  • Vrije bewijsstelsels: de beoordeling van de waarde van het bewijs is niet in de wet verankerd maar wordt aan de rechter overgelaten.
    • Stelsel der conviction intime, de rechter hoeft er alleen persoonlijk van overtuigd te zijn (subjectieve overtuiging) dat het bewijs wel of niet voldoende is.
    • Stelsel der conviction raisonnée, de rechter moet er op basis van algemeen aanvaarde wetenschappenschappelijke inzichten en ervaringsfeiten (objectieve overtuiging) van overtuigd zijn dat het bewijs wel of niet voldoende is en zijn beoordeling van het bewijs motiveren in het vonnis.

Nederlands strafrecht[bewerken]

Wettig en overtuigend[bewerken]

Volgens het Nederlandse strafrecht kan iemand alleen veroordeeld worden als er wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor zijn of haar schuld. Hierbij zijn wettig en overtuigend twee verschillende begrippen. Het is dus mogelijk dat het bewijs wettig is, maar niet overtuigend en het is ook mogelijk dat het bewijs overtuigend is, maar niet wettig. In beide gevallen zal er vrijspraak moeten volgen.

De genoemde begrippen hebben de volgende betekenis:

  • wettig bewijs: het bewijs voldoet aan de wettelijke eisen; er zijn geen redenen waarom de rechter moet besluiten dat bepaalde gegevens niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastgelegde feit; er is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum.
  • overtuigend bewijs: de rechter is persoonlijk door het bewijs overtuigd dat de verdachte inderdaad datgene heeft gedaan waarvan hij of zij beschuldigd wordt.

Een paar voorbeelden kunnen dit verduidelijken.

Wel wettig, niet overtuigend
Iemand werd verdacht van het veroorzaken van een dodelijk ongeluk. De verdachte bekende, maar werd toch vrijgesproken. De rechtbank concludeerde:

"Hoewel er voldoende wettig bewijs is in de vorm van de bekentenis van verdachte en verschillende belastende getuigenverklaringen, acht de rechtbank dit bewijs niet overtuigend. Er zijn ook aanwijzingen en verklaringen in het dossier, die er op wijzen dat een ander dan verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit de bestuurder van de Renault tractor is geweest, en dat verdachte de schuld op zich neemt." (LJN-nummer AO2511)

Wel overtuigend, niet wettig
Een situatie waarin er simpelweg te weinig bewijs is, het bewijs bestaat bijvoorbeeld alleen uit een (geloofwaardige) verklaring van het slachtoffer. De rechter zal overigens nooit laten blijken dat hij overtuigd is van de schuld van de verdachte, als er te weinig bewijs blijkt te zijn voor een veroordeling.

Categorieën wettige bewijsmiddelen[bewerken]

In het Wetboek van Strafvordering worden vijf categorieën van wettige bewijsmiddelen genoemd (artikel 339):

  1. eigen waarneming van de rechter
  2. verklaringen van de verdachte
  3. verklaringen van een getuige
  4. verklaringen van een deskundige
  5. schriftelijke bescheiden

Foto's, films, geluidsbanden, dvd's, etc. maar ook het moordwapen worden niet genoemd en kunnen dus niet rechtstreeks als wettig bewijsmiddel dienen. Ze kunnen wel ter zitting aan de rechter zijn getoond en vallen dan onder de eigen waarneming van de rechter. Ook is het mogelijk dat ze in een proces-verbaal zijn beschreven.

Onwettig verkregen bewijs[bewerken]

In het Wetboek van Strafvordering staan de eisen waaraan het bewijs moet voldoen (artikel 338-344a). Als het bewijs niet aan de regels voldoet en ook niet meer kan worden hersteld, bepaalt artikel 359a welke van de volgende maatregelen wordt toegepast:

  • er volgt strafvermindering,
  • het bewijs wordt genegeerd, mogelijk wordt de verdachte veroordeeld op grond van ander bewijs.
  • het openbaar ministerie wordt niet ontvankelijk verklaard, en dan vervalt de hele zaak.

Externe links[bewerken]