Bezetting van de Al-Masjid al-Haram

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bezetting van de Al-Masjid al-Haram
De Al-Masjid al-Haram
De Al-Masjid al-Haram
Plaats Al-Masjid al-Haram in Mekka in Saoedi-Arabië
Datum 20 november 1979 - 4 december 1979
Doden 270 tot 1000[1]
Dader(s) Volgelingen van Mohammed Abdullah al-Qahtani en Juhayman al-Otaybi
Juhayman al-Otaybi

De bezetting van de Al-Masjid al-Haram in de stad Mekka in Saoedi-Arabië vond plaats op 20 november 1979. Bij deze actie bezetten islamitische verzetsstrijders de heiligste plek binnen de islam. De veroveraars stelden dat de Mahdi, de verwachte bevrijder binnen sommige stromingen van de islam, in de persoon van Mohammed Abdullah al-Qahtani, een van hun leiders, was gekomen.

De gijzelingsactie, die drie weken na de jaarlijkse bedevaart (hadj) naar Mekka plaatsvond, schokte de gehele islamitische wereld. De bezetting werd na twee weken beëindigd nadat veiligheidstroepen de moskee aanvielen. Honderden mensen verloren daarbij het leven. De bezetting was het kantelpunt voor Saoedi-Arabië. De regering besloot daarna om een striktere islamitische wetgeving in te voeren om islamitische extremisten wind uit de zeilen te nemen.

Achtergrond[bewerken]

Juhayman al-Otaybi leidde de aanval. Hij was afkomstig uit de machtige familie in Nadjd. Hij verklaarde dat zijn zwager Al-Qahtani de Mahdi was. Zijn volgers geloofden daarin omdat zijn naam en die van zijn vader identiek waren aan de naam van de profeet Mohammed en diens vader. Verder was de dag van de aanval volgens de islamitische jaartelling de eerste dag van het jaar 1400. Volgens een hadith zou dat de dag zijn waarop de Mahdi zichzelf zou openbaren. De aanvallers waren voorstanders van een striktere toepassing van de islamitische wetten. Zij wilden dat vrouwen geen onderwijs meer zouden krijgen, het afschaffen van de televisie en het uitzetten van niet-moslims. Ze waren bovendien zeer kritisch op het Saoedische regime vanwege haar banden met de Verenigde Staten en andere westerse landen.

Beide zwagers hadden elkaar ontmoet toen zij beiden voor opruiing vast zaten. Otaibi beweerde toen een visioen van Allah te hebben ontvangen waarin hem werd verteld dat Al-Qahtani de Mahdi was. Zij besloten dat ze een nieuwe staat wilden stichten op een theocratische grondslag. De meeste aanhangers wierven zij onder theologie-studenten van de Islamitische universiteit van Medina. Anders volgelingen kwamen uit Jemen, Koeweit en Egypte. Beide zwagers konden ongestoord hun radicale boodschap uitdragen in verschillende moskeeën door het land heen. Leden van de Oelema ondervroegen hen over de vermeende ketterij, maar waren voorzichtig met actie tegen hen te ondernemen. Zij vreesden namelijk de islamitische extremisten alleen maar in de kaart te spelen daarmee.

Door donaties van rijke volgelingen kon de groep zich goed bewapenen en trainingen volgen. Sommige waren lid geweest van de Nationale Garde. In de weken voorafgaand aan de aanval werden er veel wapens en munitie de moskee binnengesmokkeld en verborgen in verschillende van de honderden ruimten onder de moskee.

Aanval[bewerken]

Het was gebruikelijk dat pelgrims die geen onderdak hadden in de moskee sliepen. Gebruikelijk was dat sommigen lijkkisten bij zich meehadden in de hoop dat de doden iets van de zegeningen zouden meekrijgen in deze heilige omgeving. Een deel van de rebellen had ook in de moskee overnacht en hadden doodskisten meegenomen die gevuld waren met wapens.[2] Andere aanvallers kwamen op de dag tijdens het ochtendgebed mee naar binnen. De meeste van hen hadden de Saoedische nationaliteit, hoewel er onder de aanvallers ook meerdere Afro-Amerikanen waren die zich tot de islam hadden bekeerd.[2]

In de ochtend van 20 november 1979 bereidde de imam van de Al-Masjid al-Haram zich voor om het ochtendgebed te leiden voor vijftigduizend man. Hij werd lastig gevallen door enkele aanvallers die wapens onder hun kleren hadden verborgen. Zij schoten twee agenten neer die bij de ingang op wacht stonden en sloten de toegangen met kettingen af. In totaal hielden meer dan vierhonderd mannen en enkele vrouwen met kinderen de moskee bezet. Een aantal werknemers van de moskee wist op tijd te vluchten en sloeg alarm.

De bezetters lieten de meeste gijzelaars vrij en sloot de rest op in het heiligdom. Zij namen defensieve posities in en installeerden scherpschutters op de minaretten. De gijzelaar moesten helpen om de duizenden tapijten op te rollen en bij de poorten neer te leggen om deze te blokkeren.[3] Niemand van buiten wist precies hoeveel bezetters en gijzelaars er in de moskee waren. Kort na de bezetting probeerden een honderdtal veiligheidsofficieren van het ministerie van Binnenlandse Zaken de moskee te heroveren. De aanval leidde tot een groot aantal slachtoffers. Daarna kregen zij steun van het Saoedische leger en de Nationale Garde. In opdracht van de Saoedische regering was de hele stad tegen de avond ontruimd. De Saoedische regering sloot al het internationale telefoonverkeer om gezichtsverlies te voorkomen wanneer in het buitenland het nieuws van de moskeebezetting bekend zou worden.[4]

Turki bin Faisal al-Saoed, het hoofd van de Saoedische inlichtingendienst, betrok een commandopost op enkele honderden meters van de moskee en gaf in de weken daarna van daaruit leiding aan pogingen om de moskee opnieuw in te nemen. De Saoedische troepen werden geïnstrueerd en getraind door een Franse politie-eenheid. Wel op afstand, omdat zij de heilige stad Mekka niet mochten betreden.[1] Eerst moest er bovendien toestemming worden gezocht van de Oelema, de religieuze adviesraad van de regering, om de Al-Masjid al-Haram aan te vallen, omdat elke vorm van verzet binnen of tegen de moskee verboden was. Saillant detail was dat Abdul Aziz bin Baz, het hoofd van de raad, eerder in Medina les had gegeven aan Otaibi. De Oelema vaardigde een fatwa uit met toestemming om de moskee aan te vallen.

De Saoedische troepen lanceerden na het fatwa een aantal aanvallen op drie van de belangrijkste poorten tot de moskee. Zij kwamen echter nooit dichtbij doordat sluipschutters schoten op alles wat bewoog. Het omroepsysteem van de moskee werd door de bezetters gebruikt om hun boodschap uit te dragen door de straten van Mekka. Op een gegeven moment daalde Saoedische commando's aan touwen uit helikopters neer op de binnenplaats van de moskee. Zij werden gevangengenomen door de bezetters die superieure posities innamen. Ook pogingen om de moskee door de ondergrondse gangen van het gebouw te heroveren hadden maar beperkt succes.

Toch rukten de Saoedische troepen langzaam op en rond 27 november hadden zij het grootste deel van de moskee in handen. De Kaäba, het heiligste deel van de moskee, was ongeschonden uit de strijd gekomen. De Saoedische soldaten hadden opdracht gekregen niet in de richting van het gebouw te schieten. Op hun beurt zagen de bezetters de Kaäba ook als een heilige plek, wat voorkwam dat zij zich daar verschansten.[5] Dit ging wel gepaard met zware verliezen. Een deel van de bezetters raakte gedesillusioneerd toen de vermeende Mahdi het leven verloor door een granaat. Na een vermaning van Juhayman besloten zij door te vechten.[6] In de catacomben onder de moskee bleven verschillende van de bezetters tot het einde toe verzet bieden. In verschillende delen van Mekka kwam het ook tot gevechten doordat meerdere militanten door de omsingeling heen waren gebroken. De strijd duurde nog twee weken lang.

Nasleep en reacties[bewerken]

Volgens de Saoedische autoriteiten bedroeg het dodental officieel 270 personen, waaronder 127 militairen. Verder waren er 560 gewonden. Volgens diplomaten lag het daadwerkelijke dodental veel hoger, waarschijnlijk in de buurt van de duizend of meer.[1]

Oitabi viel levend in handen van de Saoedische troepen, samen met 67 andere rebellen. Zij werden in het geheim berecht en de meeste – 63 in totaal – ter dood veroordeeld. Op 9 januari 1980 vond de executie plaats in een achttal Saoedische steden. Het vonnis was uitgevaardigd door koning Khalid en bekrachtigd door de Oelama. Al-Qahtani, de vermeende Mahdi, was tijdens de gevechten rond de moskee al gedood.

In Iran stelde ayatollah Khomeini op de radio dat de aanval het werk zou zijn van criminele Amerikaanse imperialisten en het internationale zionisme. In verschillende Arabische landen waren er felle demonstraties tegen Amerika. In de Pakistaanse hoofdstad Islamabad werd de Amerikaanse ambassade bestormd en met de grond gelijk gemaakt. Datzelfde gebeurde later in de Libische hoofdstad Tripoli.

De reactie van de koninklijke familie op de aanval was dat zij veel strenger gingen toezien op het naleven van de regels van een veel striktere vorm van de islam. Zo werden bioscopen bijvoorbeeld gesloten en kreeg de Oelema meer zeggenschap binnen de regering. De nieuwe maatregelen hadden maar ten dele effect. Ook daarna was er sprake van een groeiend islamisme bij de bevolking.

Literatuur[bewerken]

  • Yaroslav Trofimov, The Siege of Mecca: The Forgotten Uprising in Islam's Holiest Shrine and the Birth of Al Qaeda (New York: Doubleday, 2007).