Bijzondere rechtspleging

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Verhoor in mei 1945 van Max Blokzijl, de radiopropagandist van de NSB. Blokzijl werd in september 1945 door het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag ter dood veroordeeld en is een jaar later gefusilleerd

De bijzondere rechtspleging was de rechtspleging die na de bevrijding van Zuidelijk Nederland tot doel had al diegenen te berechten die zich gedurende de Tweede Wereldoorlog schuldig hadden gemaakt aan vooral collaboratie, hoog- en landverraad en oorlogsmisdaden. Op 5 november 1945 werd het Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging (DGBR) ingesteld op het ministerie van Justitie, dat de leiding had over de organisatie. Er werden 14.000 uitspraken gedaan, waaronder 145 doodstraffen.

Voorbereiding[bewerken]

De bijzondere rechtspleging werd in 1943 middels een viertal besluiten ingesteld, namelijk het:

  • Besluit Buitengewoon Strafrecht:[1]
In dit besluit werd onder meer strafbaar gesteld: misdrijven tegen de veiligheid van de staat (zoals dienstneming bij en hulpverlening aan de Duitsers) en verder misdrijven als moord, doodslag en mishandeling. Strafbaar werd voorts verklaard ieder die een ander in handen van de bezetter had gespeeld.
  • Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven:[2]
Met dit besluit werden in Amsterdam, Arnhem, 's-Hertogenbosch, Den Haag en Leeuwarden de Bijzondere Gerechtshoven in het leven geroepen. Daarnaast werd een Bijzondere Raad van Cassatie opgericht. Het besluit bepaalde dat de raad met vijf leden vonniste, waarvan één of twee leden militair waren en de overige leden jurist. De hoven vonnisten volgens het besluit met drie leden, waarvan één militair, hoewel in de praktijk ook college's met vijf leden voorkwamen.
  • Besluit Buitengewone Rechtspleging:[3]
Dit besluit regelde de procedure voor de hoven en de raad.
  • Bijzonder Gratie-adviesbesluit:[4]
Deze bepaalde dat de Kroon gratie kon verlenen.

Deze besluiten voorzagen echter niet in een rechtsgrondslag voor de hechtenis van de verdachte en gearresteerde delinquenten, daarom werden deze besluiten in 1945 aangevuld met het Besluit politieke delinquenten 1945 dat hierin voorzag.[5]

Aantallen[bewerken]

Naar alle waarschijnlijkheid zijn er omstreeks 150.000 personen gearresteerd in het kader van de bijzondere rechtspleging. Het was gezien dit enorme aantal niet mogelijk al dezen te vervolgen; bijna 90.000 werden daarom in de loop der tijd (voorwaardelijk) buiten vervolging gesteld. De Bijzondere Gerechtshoven hebben tegen ruim 14.000 personen (onder wie 242 Duitsers) sententies uitgesproken.[6]

Groepen[bewerken]

Deze 14.000 personen bestonden uit de volgende groepen:

  • bestuurders die de nationaalsocialistische beginselen onderschreven
  • economische collaborateurs
  • mensenjagers
  • mishandelaars
  • moordenaars
  • de NSB-top
  • politiefunctionarissen
  • propagandisten
  • verraders
  • wapendragers

Gratiëring[bewerken]

Vanaf 1947 vond, in enkele golven, veelvuldig gratiëring plaats. Het gevolg was dat in 1964 de laatste Nederlandse politieke delinquent de gevangenis verliet. Daarna zaten nog slechts de Duitse oorlogsmisdadigers Willy Lages, Franz Fischer, Ferdinand aus der Fünten en Joseph Kotälla vast.

Executies[bewerken]

Er zijn in totaal 145 doodstraffen uitgesproken, waarvan er uiteindelijk 42 zijn voltrokken. Onder anderen Anton Mussert en Hanns Albin Rauter zijn voor een vuurpeloton terechtgesteld.

Drie executies werden al voor de bevrijding van het hele land en de officiële wettelijke start van de bijzondere gerechtshoven uitgevoerd. Op 3 mei 1945 zijn namelijk Warner Salomons, Teun Pâques en Henk Eggers geëxecuteerd.[7]

Na deze drie volgde als eerste onder het regiem van de bijzondere gerechtshoven de pro-Duitse propagandist Max Blokzijl op 16 maart 1946. Mussert was de tweede en in totaal werden 39 mensen geëxecuteerd, met als bekendste de Duitser Hanns Rauter. Ook werd er een vrouw geëxecuteerd, de Joodse verraadster Ans van Dijk. Ook de broer van de in 2011 nog gezochte oorlogsmisdadiger Klaas Faber, genaamd Pieter Faber, werd geëxecuteerd.

De laatste executies, die van Artur Albrecht en Andries Pieters, vonden plaats in maart 1952. Daarnaast pleegden twee veroordeelden zelfmoord.

Vooral het gratiebeleid na 1947 heeft ervoor gezorgd dat veel oorlogsmisdadigers de doodstraf ontliepen. Tegen de zin van sommige verzetslieden, werden, door de invloed van minister Donker en koningin Juliana, veel doodstraffen omgezet in een tijdelijke of levenslange gevangenisstraf.

De Wet van 13 mei 1948 tot opheffing van de bijzondere gerechtshoven, de Bijzondere Raad van Cassatie en de tribunalen bepaalt dat deze op nader te bepalen tijdstippen worden opgeheven.

Nederlands-Indië[bewerken]

Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 werd als uitvloeisel van internationale afspraken ieder geallieerd land de mogelijkheid geboden, naar het geldend recht van dat land, Japanse oorlogsmisdadigers te berechten. Een uitzondering hierop vormden de voor het Tokio-Tribunaal geselecteerde Japanse oorlogsmisdadigers. In Nederlands-Indië werden 15 Temporaire Krijgsraden geïnstalleerd. De raad te Batavia behandelde het merendeel der zaken, waaronder die tegen de Kempeitai. Uit de processtukken bleek hoe in strijd met de wetten en gebruiken in oorlogstijd door leden van de Kempeitai de vernederingen en folteringen van de slachtoffers plaats had gevonden.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Besluit van 22 december 1943, houdende vaststelling van het Besluit Buitengewoon Strafrecht, Stb. D 61.
  2. Besluit van 22 december 1943, houdende vaststelling van het Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven, Stb. D 62.
  3. Besluit van 22 december 1943, houdende vaststelling van het Besluit Buitengewone Rechtspleging, Stb. D 63.
  4. Besluit van 22 december 1943 houdende vaststelling van het Bijzonder Gratie-adviesbesluit, Stb. D 64.
  5. Besluit van 26 oktober 1945, houdende vaststelling van het Besluit politieke delinquenten 1945, Stb. F 244.
  6. dr. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog: deel 12, Epiloog, eerste helft. 's-Gravenhage, SDU-Uitgeverij, 1988, p. 620
  7. De vergeten eerste berechting en executie van Nederlandse landverraders