Blücher (oorlogsschip)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nazi vlag
Blücher (oorlogsschip)
Duitse kruiser Blücher
Duitse kruiser Blücher
Geschiedenis
Werf Deutsche Werke, Kiel
Kiellegging 15 augustus 1935
Tewaterlating 8 juni 1937
In dienst 20 september 1939
Status Getorpedeerd en tot zinken gebracht op 9 april 1940 in Oslofjord
Algemene kenmerken
Lengte 206 meter
Breedte 21,3 meter
Diepgang 7,7 meter
Deplacement 14.050 longton (standaard), 18.208 longton volgeladen
Voortstuwing en vermogen 132.000 pk (98 MW)
Vaart 32,5 knopen
Bemanning Ongeveer 1600
Bewapening Kanonnen:
8 × 203 mm
12 × 105 mm
6 × 40 mm
12 × 37 mm
32 × 20 mm
12 × 21-inch torpedobuizen,
160 zeemijnen
Vliegtuigen en faciliteiten 3
Portaal  Portaalicoon   Maritiem

De Blücher was een Duits oorlogsschip uit de Tweede Wereldoorlog. Het was genoemd naar de Pruisisch generaal Blücher, die in 1815 een belangrijke rol speelde bij het verslaan van het Franse leger van Napoleon Bonaparte tijdens de slag bij Waterloo.

De Blücher behoorde tot de categorie zware kruiser en was een exemplaar van de Admiraal Hipper klasse. Tot deze klasse behoorden nog vier identieke zusterschepen: de Prinz Eugen, Admiraal Hipper, Seydlitz en de Lützow. De Lützow werd niet afgebouwd en verkocht aan de Sovjet-Unie en de Deutschland werd omgedoopt tot Lützow; de Seydlitz werd deels omgebouwd tot vliegdekschip en werd in 1945 opgeblazen.

De Blücher was bij het uitbreken van de oorlog het nieuwste schip van de Kriegsmarine. Het schip werd echter op haar eerste reis meteen vernietigd, nog voordat het ook maar één schot op de vijand kon aflossen.

De bouw[bewerken]

In november 1938 werd bij Deutsche Werke in Kiel begonnen met de bouw van de Blücher. De bedoeling was dat de Blücher vrijwel identiek zou worden aan haar drie zusterschepen, maar tijdens de bouw in september 1939 viel Duitsland Polen aan. Groot-Brittannië en Frankrijk verklaarden, tegen de verwachtingen van de Duitse marine in, de oorlog aan Duitsland, waardoor de Duitse marine haar plannen moest wijzigen. Om tot een confrontatie met Groot-Brittannië te komen moest Duitsland vanuit de zee kunnen landen. Daarvoor moesten oorlogsschepen beschikken over faciliteiten om soldaten snel aan land te kunnen zetten. De Blücher werd verbouwd en kreeg een ruim om soldaten te vervoeren en hijskranen om landingsvaartuigen te kunnen afzetten.

Het schip werd in januari 1940 officieel in dienst gesteld. De Blücher was een van de grootste zware kruisers die ooit gebouwd zijn, met een relatief grote bemanning van 1600 man (zware kruisers van de geallieerden hadden gewoonlijk slechts 800-850 manschappen). Voordelen van de Blücher met betrekking tot de zware kruisers van de geallieerden waren de grotere breedte (meer incasseringsvermogen tegen torpedotreffers), precisieafstandsmeters en vérdragend 200 mm geschut en de krachtige luchtafweer met gyrogestabiliseerde afstandsmeters.

De ondergang[bewerken]

Gekapseisde Blücher

In april 1940 begon Duitsland aan Operatie Weserübung: de invasie van Denemarken en Noorwegen. De Blücher kreeg de opdracht om samen met het Duitse pantserschip Lützow de Noorse hoofdstad Oslo te bezetten.

De missie was simpel: de twee schepen moesten met hun kanonnen landinwaarts vuren en alle strategische doelen rond Oslo vernietigen. Vervolgens zouden beide schepen 2000 mariniers ontschepen die de stad Oslo zouden innemen.

Op 9 april arriveerden de Blücher en de Lützow in de Oslofjord. De Duitse marine had echter een groot struikelblok over het hoofd gezien: voor de Noorse kust, op een eiland, lag fort Oscarsborg, een vesting uit het midden van de 19e eeuw. In dit fort stonden drie oude kanonnen die, ironisch genoeg, door de Duitsers zelf waren geschonken. Verder was er nog een onderaardse afvuurplaats voor torpedo's.

Twee van de drie kanonnen, Mozes en Aaron genaamd, waren bemand. Zij losten allebei één schot op de Blücher, op zeer korte afstand. De kruiser werd meteen fataal geraakt: een granaat trof de brug van het schip met de vuurleiding (de kamer van waaruit de kanonnen bestuurd worden), waardoor de Blücher niet onmiddellijk in staat was om terug te schieten. De tweede granaat trof de brandstofopslagplaats van het vliegtuig waardoor de Blücher midscheeps in brand vloog. Aangezien de brandslangen doorzeefd waren, kon de brand niet geblust worden. Het Noorse leger vuurde nu een tweetal zwaar verouderde torpedo’s af op de Blücher. De Blücher werd door beide geraakt.

De kapitein van de Blücher koerste het zinkende schip daarna in de richting van de wal om zo veel mogelijk opvarenden te kunnen redden. Door de torpedotreffers en de ontstane waterschade kapseisde het schip echter plotseling en zonk in ongeveer twee uur naar de bodem van de fjord. Omdat de bemanning nieuw was en geen gevechtservaring had, werden er veel fouten gemaakt bij het herstellen van de torpedoschade en ging de kapitale Blücher al op haar eerste reis verloren.

Van de 2202 opvarenden kwamen er 830 om het leven. De overlevenden wisten zwemmend de kant van het nabijgelegen eiland te bereiken. De ondergang van de Blücher in april 1940 behoort met die van de Bismarck (1941), de Scharnhorst (1943) en de Tirpitz (1944) tot de grootste verliezen van de Kriegsmarine in de Tweede Wereldoorlog.

Vandaag de dag ligt de Blücher nog steeds in de fjord. Het schip ligt op 90 meter diepte en lekt nog steeds olie, al is er in 1994 al 1600 ton olie verwijderd uit het wrak.

In populaire cultuur[bewerken]

De Amerikaanse rockband Kamelot heeft op zijn album Ghost Opera uit 2007 een nummer aan het schip gewijd.

De Noorse metalband Vreid heeft op hun album Milorg uit 2009 een tweedelige suite aan de ondergang van het schip gewijd.