Blijde Inkomst (1356)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het Zoutleeuwse exemplaar van de Blijde Inkomst (1356)

De Blijde Inkomst van 1356 was een keure die aan het hertogdom Brabant werd toegestaan door Johanna van Brabant en haar man Wenceslas. Ze vormt een belangrijk document in de middeleeuwse geschiedenis van de Lage Landen, dat de verhouding tussen de hertog van Brabant en zijn onderdanen regelde. Het charter werd uitgevaardigd op 3 januari 1356.

De ondertekening van de oorkonde geschiedde onder zware politieke druk van de Brabantse steden en landsheerlijkheden die zich het jaar ervoor symbolisch hadden verenigd in het Verbond van Brabantse Steden, waarin zij elkaar (niet verder benoemde) steun beloofden en verklaarden bij elkaar te horen.

De Blijde Inkomst beperkte de macht van de vorst (de hertog van Brabant) door te stellen dat de hertog geen oorlog mocht voeren of belastingen mocht heffen zonder raadpleging en instemming van de steden en het gewest van Brabant. Het bevatte ook een ongehoorzaamheidsclausule die de onderdanen het recht gaf op verzet tegen de hertog van Brabant als deze zich niet aan de bepalingen van de Blijde Inkomst hield. In latere eeuwen hebben mensen zich regelmatig beroepen op de Blijde Inkomst om aan te tonen dat vorsten beperkt waren in hun macht. Met name het recht op verzet werd aangehaald. Zo werd in de Tachtigjarige Oorlog door veel opstandelingen verwezen naar de Blijde Inkomst. Een voorbeeld daarvan is dat in de Trouwe waerschouwinghe aen de goede mannen van Antwerpen (1581) wordt gesteld dat de Blijde Inkomst vaststelt dat de koning of landsheer 'slechts een dienaar van het recht, stadhouder van God, een herder van het volk, een vader van het land' was, die zijn macht ontleende aan de gewestelijke staten, die de hele gemeenschap vertegenwoordigden.

Verder bepaalde de Blijde Inkomst de ondeelbaarheid van het Brabantse grondgebied. Ook werd vastgelegd dat men Brabants burger moest zijn om in een bestuur plaats te nemen.

Al in juni 1356 werd het document genegeerd toen de Brabantse Successieoorlog uitbrak. Toch werd de geldigheid van het document door de opvolger van Johanna, Antoon van Bourgondië, opnieuw geactiveerd. Alle volgende vorsten, tot zelfs keizer Jozef II in de 18e eeuw, hebben bij hun inhuldiging als hertog van Brabant de eed van trouw aan de Blijde Inkomst afgelegd.

Dit document fungeerde als een soort grondwet, die de burgers beschermde tegen de vorstelijke willekeur.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • Edmond Poullet, Mémoire sur l'ancienne constitution brabançonne, 1863, 408 p.
  • Ria van Bragt, De Blijde Inkomst van de hertogen van Brabant Johanna en Wenceslas, 1956 (= Standen en Landen, nr. 13)
  • Émile Lousse, "La Joyeuse Entrée de Brabant", in: Le Folklore Brabançon, 1957, p. 325-359
  • Pieter A.M. Geurts, Leo Van Puyvelde, Louis Lebeer, Jan Willem Bosch, Guido van Dievoet en Alfons Vranckx, 1356-1956. Plechtige herdenking van de Blijde Inkomst (= Standen en Landen, vol. XVI), 1958, 164 p.
  • Raymond Van Uytven, "De rechtsgeldigheid van de Brabantse Blijde Inkomst van 3 januari 1356", in: Tijdschrift voor Geschiedenis, 1969, p. 39-48
  • Valerie Vrancken, De Blijde Inkomsten van de Brabantse hertogen. Macht, opstand en privileges in de vijftiende eeuw, 2018, ISBN 9789057187155