Bodemvervloeiing

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Door vervloeiing tijdens de aardbeving van 2004 in Niigata, Japan, komt de riolering bovendrijven

Bodemvervloeiing is een verschijnsel waarbij de bodem een aanzienlijk verlies van sterkte en samenhang ondervindt in reactie op toegebrachte spanning, gewoonlijk door een aardbeving. Hierdoor gedraagt de bodem zich als een vloeistof. Dit verschijnsel kan ook optreden bij oevers van bijvoorbeeld estuaria met losgepakt zand in de ondergrond. Trillingen van golven kunnen dan lokaal de waterspanning verhogen, hetgeen leidt tot bodemvervloeiing. Overigens wordt het verschijnsel in dit verband meestal zetttingsvloeiing genoemd. In extreme gevallen kan dit tot een dijkval leiden.

Dit verschijnsel wordt meestal waargenomen in losse zanderige grond, omdat los zand de neiging heeft om samen te drukken wanneer het beladen wordt. Dicht gepakt zand heeft daarentegen de neiging om uit te dijen. In een waterverzadigde grond zijn de porieruimtes tussen de grondkorrels gevuld met water. Door de samenpersing van de grond neemt de druk in het water toe en zal het de neiging hebben om uit de grond te vloeien. Indien de belasting van de grond sterk en herhaaldelijk plaatsvindt, zal het water niet tijdig kunnen wegvloeien vooraleer de volgende belasting van de grond plaatsvindt. Daarom zal elke cyclus van belasting de waterdruk in de grond opbouwen. Uiteindelijk kan hierdoor de waterdruk groter worden dan de spanning die de grondkorrels met elkaar verbindt. Het gevolg is dat de grond zijn sterkte verliest en zich gedraagt zoals een vloeistof. Hierdoor kunnen aardverschuivingen of -verzakkingen plaatsvinden. Anders gezegd: doordat de waterdruk in de poriën toeneemt zal de onderlinge kracht tussen te korrels afnemen (de korrelspanning neemt af) en komen de korrels minder stevig te liggen en kunnen makkelijk gaan stromen.

Zie ook[bewerken]