Bohr-effect

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Verschillen in de ruimtelijke structuren van oxy- en desoxyhemoglobine.

Het Bohr-effect is een eigenschap van hemoglobine die voor het eerst in 1904 door de Deense fysioloog Christian Bohr werd beschreven. Het Bohr-effect houdt in dat hemoglobine minder affiniteit heeft om zuurstof, aan het omliggende weefsels af te geven.

Het Bohr effect houdt in dat als het CO2 gehalte in het bloed lager wordt, de chemische binding van zuurstof met hemoglobine sterker wordt. Doordat het hemoglobine de zuurstof niet loslaat, is het moeilijker voor de vitale organen om zuurstof op te nemen.


Hiervoor zijn vier redenen bekend:

"Adem je diep, dan daalt de concentratie koolstofdioxide (CO2) in het bloed. Hierdoor kan het hemoglobine de zuurstof niet loslaten (dat heet het Bohr-effect)."


  1. er is een verhoging van het koolstofdioxideconcentratie in bepaalde weefsels
  2. er is een afname van de pH
  3. de temperatuur stijgt
  4. een stof met een hogere affiniteit komt in contact met het hemoglobine en verdrijft de zuurstof (bijvoorbeeld cyanide of koolstofmonoxide)

Dit zorgt voor een rechtsverschuiving van de zuurstofdissociatiecurve. Omgekeerd bindt koolstofdioxide minder goed aan hemoglobine bij een verhoging van het zuurstofgehalte. Dit wordt het Haldane-effect genoemd. Er is onder andere sprake van het Haldane-effect wanneer het bloed langs de longen wordt gevoerd; het hemoglobine neemt hier extra zuurstof op.