Bonno Thoden van Velzen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bonno Thoden van Velzen
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Persoonlijke gegevens
Volledige naam Hendrik Ulbo Eric Thoden van Velzen
Geboortedatum 5 april 1933
Geboorteplaats Vlissingen
Nationaliteit Nederlandse
Werkzaamheden
Vakgebied Antropologie
Universiteit Universiteit Utrecht
Soort hoogleraar gewoon hoogleraar
Beroep antropoloog
surinamist
afrikanist
Portaal  Portaalicoon   Onderwijs

Hendrik Ulbo Eric ('Bonno') Thoden van Velzen (Vlissingen, 5 april 1933) is een Nederlandse antropoloog, surinamist en afrikanist.

Achtergrond[bewerken]

Thoden van Velzen is de zoon van een stuurman bij de Nederlandse koopvaardij, zijn grootvader was directeur van de Rijksnormaalschool in Deventer. De overgrootvader, betovergrootvader en betoudovergrootvader waren dominees. Een broer van de laatste, hoofd van de militie van Emden in de tweede helft van de 18e eeuw, droeg de voornaam Bonno die Hendrik Thoden van Velzen, ontevreden als hij was met zijn eigen doopnaam, in 1956 adopteerde als zijn roepnaam. Sindsdien wordt hij met die voornaam door intimi aangesproken, maar als wetenschappelijk publicist gebruikt hij vrijwel altijd zijn initialen.

School- en diensttijd[bewerken]

Thoden van Velzen bracht een deel van zijn jeugd door in Utrecht, waarnaar de familie noodgedwongen verhuisde toen Vlissingen door de Duitse bezetter tot 'Sperrgebiet' werd verklaard. Na de oorlog doorliep hij twee klassen op de Carpentier Alting Stichting, een middelbare school in Batavia waar zijn vader van 1947 tot 1950 werkte bij de Dienst Scheepvaart te Tandjong Priok. Terug in Vlissingen kon hij in 1950-1952 zijn school afmaken. Een jaar later was Thoden van Velzen onder de wapenen, hij zwaaide in 1955 af als reserveofficier bij de artillerie.

Studietijd[bewerken]

In 1955 begon Thoden van Velzen aan de studie culturele antropologie aan de Universiteit van Amsterdam. De wetenschappelijke insteek van André Köbben, die juist in dat jaar J.J. Fahrenfort - een theoretisch etnoloog van de oude stempel - als jong hoogleraar was opgevolgd, inspireerde en vormde hem. Köbben was een empirist en een pragmaticus: de feitelijkheden die door antropologisch veldwerk aan het licht kwamen, feiten die gecorreleerd konden worden en eventueel statistisch bewerkt, waren voor hem het uitgangspunt. De 'transacties' tussen de actoren in een samenleving vormden voor hem de grondstof van de antropoloog, en niet een aantal uitgangspunten en conclusies die afkomstig waren van grote denksystemen zoals het marxisme of het Franse structuralisme waarmee op empirisch niveau, in dit geval het antropologisch veldwerk, weinig mee was aan te vangen.

Tijdens zijn studie ontmoette Thoden van Velzen onder de studenten van Köbben zijn toekomstige levens- en onderzoekspartner Wilhelmina van Wetering. Na hun afstuderen togen beiden naar Suriname voor een promotieonderzoek bij de Marrons.

Veldwerk[bewerken]

Deze eerste veldwerkperiode vond tussen mei 1961 en november 1962 plaats bij de Ndyuka (of Okanisi), de omvangrijkste marrongroep in het Surinaamse binnenland. Na afloop van het onderzoek promoveerden ze beiden bij Köbben, Thoden van Velzen over de machtsverhoudingen in de Ndyuka-maatschappij. In 1966, het jaar van zijn promotie, werd hij wetenschappelijk medewerker bij het Afrika-Studiecentrum in Leiden, waar hij tot 1971 zou blijven. Deze functie voerde hem tussen 1966 en 1969 naar Tanzania. Het zwaartepunt van zijn onderzoek werd gevormd door de gevolgen van de socialistische Ujamaa-hervormingen voor de verhoudingen op het platteland. In tegenstelling tot de bedoelingen van de toenmalige president Julius Nyerere bleken de door hem gewenste hervormingen méér in plaats van minder sociale ongelijkheid te brengen. Thoden van Velzen was een van de wetenschappers die hier in een vroege fase op wees. In 1977 zou Thoden van Velzen aan Tanzania zijn laatste artikel wijden, de studie van de Ndyuka-samenleving in al haar facetten zou vanaf dan zijn levenswerk worden. Vanaf 1965 tot 2010, soms met pauzes van enkele jaren, verkeerde hij 15 keer als onderzoeker onder de Ndyuka, in een aantal gevallen vergezeld van zijn vrouw. Deze korte veldwerkperiodes varieerden in lengte van drie tot zeven weken.

Academische loopbaan[bewerken]

In 1971 volgde Thoden van Velzen in Utrecht de zeventigjarige professor Fischer op als hoogleraar culturele antropologie. Onder zijn professoraat, van 1971 tot 1991, zou de Utrechtse opleiding uitgebouwd worden tot het centrum voor Surinaamse en Caribische studies, te vergelijken met de Leidse academische specialisatie in Indonesische en de Nijmeegse in Oceanische studies.

Van 1988 tot 1999 was hij tevens als docent verbonden aan de Amsterdam School for Social Science Research en van 1996 tot 1999 als bijzonder hoogleraar culturele antropologie aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds 1990 is Thoden van Velzen gewoon lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Gematigd freudiaan[bewerken]

Tijdens zijn vroege veldwerk in Suriname en Tanzania constateerde Thoden van Velzen dat de emotionele component van het intermenselijk handelen een noodzakelijk onderdeel van het antropologisch onderzoek moest zijn; de 'kale' meetbare transacties waren niet voldoende om het groepsleven in al zijn facetten te begrijpen. Hij vond aansluiting bij het gedachtegoed van Freud met wiens visie en begrippen het mogelijk was om 'onder het oppervlak' van het transactionele verkeer te kijken of sleutelmythen van de Ndyuka te kunnen doorgronden.

Bibliografie[bewerken]

  • 'Residence, Power and Intra-societal Aggression', in: International Archives of Ethnography 49, 1960, p. 169-200 [met W. van Wetering].
  • Politieke beheersing in de Djuka maatschappij: een studie van een onvolledig machtsoverwicht. (Academisch proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 1966).
  • Land Scarcity and Rural Inequality in Tanzania: Some Cases from Rungwe District (met P.M. van Hekken). The Hague: Mouton, 1972.
  • Antropologen op zoek naar de sterke man (Oratie Universiteit Utrecht), 1973.
  • 'Robinson Crusoe and Friday: Strength and Weakness of the Big Man Paradigm', in: Man, Journal of the Royal Anthropological Institute 8, 1973: 592-612.
  • 'On the Political Impact of a Prophetic Movement in Surinam', in: W.E.A. van Beek and J.H. Scherer (eds.), Explorations in the Anthropology of Religion; Essays in Honour of Jan van Baal. (Verhandelingen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land en Volkenkunde 74). The Hague: Martinus Nijhoff, 1975, p. 215-233 [met W. van Wetering].
  • 'Coalitions and Network Analysis', in: J. Boissevain & J.C. Mitchell (eds.), Network Analysis: Studies in Human Interaction. Den Haag: Mouton, 1973.
  • 'Controllers in Rural Tanzania', in: David Parkin (ed.), Town and Country in Rural Tanzania. London: Oxford University Press, 1975, p. 178-189.
  • 'Staff, Kulaks and Peasants', in: L. Cliffe, J.S. Coleman & M.R. Doornbos (eds.), Government and Rural Development in East Africa. The Hague: Martinus Nijhoff, 1977, p. 223-250.
  • 'Bush Negro Regional Cults: A Materialist Explanation', in: R.P. Werbner (ed.), Regional Cults. London: Academic Press, 1977, p. 93-118.
  • 'Bush Negro Prophetic Movements: Religions of Despair?', in: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 133, 1977, p. 100-135 (met Chris de Beet).
  • 'The Origins of the Gaan Gadu Movement of the Bush Negroes of Surinam', in: Nieuwe West-Indische Gids 52, 1978, nr. 3/4, p. 81-130.
  • 'De Tapanahoni Djuka in de negentiende eeuw', in: J.G. Spalburg, De Tapanahoni Djuka rond de eeuwwisseling: Het dagboek van Spalburg. Bronnen voor de studie van Bosneger samenleningen 5. Utrecht: Instituut voor Culturele Antropologie, 1979, p.14-27
  • 'Het ontbrekende gereedschap', in: A. de Ruijter (red.), Beginselen in botsing. Opstellen over de keuze tussen naturalisme en symbolisme aan de hand van Sahlins' "Culture and Practical Reason". Utrecht: ICAU, 1981, p. 110-116.
  • 'Female Religious Responses to Male Prosperity in Turn-of-the-Century Bush Negro Societies', in: Nieuwe West-Indische Gids 56, 1982, p. 43-68 (met W. van Wetering)
  • 'Voorspoed, angsten en demonen', in: Antropologische Verkenningen 1, 1982, p. 85-118.
  • 'De Aukaanse (Djoeka) beschaving', in: Sociologische Gids 29, 1982, nr. 3-4, p. 243-278.
  • 'Welvaarts- en armoedereligies in het Surinaamse binnenland', in: Glenn Willemsen (red.), Suriname: de schele onafhankelijkheid. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1983, p. 37-74.
  • 'Affluence, Deprivation and the Flowering of Bush Negro Religious Movements', in: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 139, 1983, p. 99-139 (met W. van Wetering).
  • 'Voer voor antropologen'; inleiding tot Sigmund Freud, Totem en taboe, in: Sigmund Freud Nederlandse editie, reeks Cultuur en Religie dl. 4 (red. Paul Beers en Wilfred Oranje). Meppel/Amsterdam: Boom, 1984, p. 9-18.
  • 'Irma at the Window: The Fourth Script of Freud's Specimen Dream', in: American Imago 41, nr. 3, 1984, p. 245-293.
  • 'The Gaan Gadu Cult: Material Forces and the Social Production of Fantasy', in: Social Compass 32, nr. 1, 1985, p.93-109.
  • 'Herinneringen die rondspoken: het verleden in een Afro-Surinaamse samenleving', in: Sociologisch Tijdschrift 14, nr. 3, p. 407-436 (met W. van Wetering)
  • 'De Brunswijk-opstand: antropologische kanttekeningen bij de Surinaamse burgeroorlog', in: Sociologische Gids, nr. 3, 1988, p. 212-236.
  • Vluchtelingen, opstandelingen en andere Bosnegers van Oost-Suriname, 1986-1988. Utrecht: Instituut Culturele Antropologie Utrecht, 1988 (met T.S. Polimé)
  • 'Irma's Rape: The Hermeneutics of Structuralism and Psychoanalysis Compared', in: L.B. Boyer and S.A. Grolnick (eds.), The Psychoanalytic Study of Society 12, 1988, p. 1-36.
  • The Great Father and the Danger: Religious Cults, Material Forces, and Collective Fantasies in the World of the Surinamese Maroons. Dordrecht: Foris Publications, 1988 (met W. van Wetering).
  • 'Purity, a Gready Ideology', in: Walter van Beek (ed.), The Quest for Purity. Amsterdam: Mouton De Gruyter 1988, p. 1-35 (met Walter E.A. van Beek).
  • 'Puritan Movements in Suriname and Tanzania', in: idem, p. 217-245.
  • 'Demonologie en de betovering van het moderne leven', in: Sociologische Gids 36, 1989, nr. 3/4, p. 155-186 (met W. van Wetering).
  • 'Social Fetishism among the Surinamese Maroons', in: Etnofoor 3, nr.1, 1990, p. 77-95.
  • 'Antropologie en droomtaal', in: Etnofoor 4, nr. 2, 1991, p. 21-41.
  • 'Revenants that cannot be shaken: Collective Phantasies in a Maroon Society', in: American Anthropologist 97, nr.4, 1995, p. 722-732.
  • 'Dangerous Ancestors: Ambivalent Visions of Eighteenth and Nineteenth Century Leaders of the Eastern Maroon of Suriname', in: Stephan Palmié (ed.), Slave Cultures and the Culture of Slavery, Knoxville: University of Tennessee Press, 1995, p. 112-144.
  • 'Dramatization: How Dreamwork Shaped Culture', in: The Psychoanalytic Review 84(2), 1997, p. 173-188.
  • 'Het ondergrondse leven: raakvlakken tussen psychoanalyse en antropologie', in: Joost Baneke en Roland Pierloot (eds.), Psychoanalyse en antropologie. Amsterdam: Thela Thesis, 1998.
  • 'Een primadonna in het Surinaamse binnenland', in: Henk Driessen & Huub de Jonge (red.), Miniature enthnografiche. Nijmegen: SUN, 2000, p. 102-105.
  • 'Dangerous Creatures and the Enchantment of Modern Life', in: P. Clough & J.P. Mitchell (eds.), Powers of Good and Evil: Moralities, Commodities and Popular Belief. New York/Oxford: Berghahn, 2001, p. 17-42 [met W. van Wetering].
  • 'Ndyuka', in: Melvin Ember, Carol R. Ember, and Ian Skoggard (eds.), Encyclopedia of World Cultures, Supplement. New York: MacMillan Reference USA, 2002, p. 224-227 [met W. van Wetering].
  • Een koloniaal drama. De grote staking van de Marron vrachtvaarders, 1923. Utrecht, 2003 [Bronnen voor de Studie van Suriname, deel 23].
  • In the Shadow of the Oracle: Religion as Politics in a Suriname Maroon Society. Long Grove (Illinois): Waveland Press, 2004 [met W. van Wetering].
  • 'De rol van de goden bij de Binnenlandse Oorlog', in: OSO, Tijdschrift voor Surinamistiek 2006(1), p. 114-130
  • 'De wijze raadslieden en de kapotmakers: een probleem met mondelinge overleveringen', in: Peter Meel en Hans Ramsoedh (eds.), Ik ben een haan met een kroon op mijn hoofd. Pacificatie en verzet in koloniaal en postkoloniaal Suriname. Amsterdam: Bert Bakker, 2007, p. 75-91.
  • 'Violent Witch Finders and the Suspension of Social Order in a Suriname Maroon Society', in: Rob van Ginkel en Alex Strating (eds.), Wildness and Sensation: Anthropology of Sinister and Sensuous Realm. Apeldoorn/Antwerpen: Het Spinhuis, 2007, p. 157-176 [met W. van Wetering].
  • 'Met een zwerver in debat: civilisatie en barbarij in staatloze samenlevingen', in: Annet Mooij, David Bos en Sonja van ’t Hof (eds.), Grenzeloos nieuwsgierig: opstellen voor en over Abram de Swaan. Amsterdam: Bert Bakker, 2007, p. 198-207.
  • 'In een Zwarte Vrijstaat', in: John Leerdam en Noraly Beyer (red.), Suriname en ik. Persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland. Amsterdam: J.J. Meulenhoff, 2010, p. 140-144
  • Een Zwarte Vrijstaat in Suriname. De Okaanse Samenleving in de 18e eeuw. Leiden: KITLV Uitgeverij, 2011 (met Wim Hoogbergen).
  • Een Zwarte Vrijstaat in Suriname. De Okaanse Samenleving in de 19e en 20e eeuw. Leiden: E.J. Brill, 2013 (met W. van Wetering).
  • ‘The Checkered Fate of a Super Obiya: Notes From a Kenti Watcher’, in: Jean Moomou (ed.), Sociétes marronnes des Amériques: Mémoires, patrimoines, identités et histoire du XVIIe au XXe siècles. Matoury, Guyane: Red Ibis Editions, 2015, p. 311-335.
  • 'Through Maroon worlds: a conversation with Bonno Thoden van Velzen, in: Canadian Journal of Latin American and Carribian Studies 2016, vol. 41, No.2, p. 254-278 (met Olivia Maria Gomes da Cunha).
  • 'The Making of Ancestors in a Surinamese Maroon Society', in: Maarit Forde and Janique Hume (eds), Passages and Afterworlds: Anthropological Perspectives on Death in the Caribbean. Durham/London: Duke University Press 2018, p. 80-108 (met W. van Wetering).
  • 'Why the African Gods failed the Aukan Maroons', in: Olivia Maria Gomes da Cunha (ed), Maroon Cosmopolitics: Personhood, Creativity and Incorporation. London/Boston: Brill, 2019, p. 54-79