Bonsai

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een Japanse zwarte den (Pinus thunbergii) gekweekt in de Bankan-stijl (gedraaide stijl) sinds 1936
Natalpruim (Carissa macrocarpa var. Horizontalis) in de kengai-stijl (watervalstijl)

Bonsai (Japans: 盆栽, Geluidsfragment uitspraak (info / uitleg)) is de Japanse kunst van gecultiveerde bomen in potten. De benaming is de Japanse uitspraak van het Chinese penzai (盆栽), wat letterlijk 'boom in bak' betekent. Deze Chinese kunstvorm, die ook bekend staat als penjing, stond aan de basis van de reeds meer dan duizend jaar oude Japanse bonsaitraditie. Bij beide kunstvormen wordt de boom door manipulatie klein gehouden en zodanig gevormd dat de illusie wordt gewekt van een volgroeid exemplaar.

Een bonsaiboom dient relatief klein te zijn en te voldoen aan de geldende esthetische standaarden. Hiervoor wordt een zaailing of stek van een houtige plant in vorm gebracht. Met behulp van metaaldraad kan men de stengels en stammen in de gewenste vorm laten groeien. De boom wordt in zijn groei geremd door de beperkte potruimte en in vorm gebracht en gehouden door het snoeien van de takken, wortels en bladeren en eventueel door enten. Wanneer de plant bijna zijn beoogde grootte heeft bereikt, wordt hij overgeplant in een sierpot.

De term bonsai wordt tegenwoordig gebruikt als parapluterm voor alle in potten of bakken gehouden miniatuurbomen in oosterse stijl. Voor bonsaibomen die als kamerplant dienen worden vooral tropische plantensoorten gebruikt. Traditioneel worden bonsaibomen echter vooral buiten neergezet. Wegens het gematigd klimaat van Japan worden winterharde boomsoorten gebruikt, die binnenshuis niet of slecht gedijen.

Geschiedenis[bewerken]

Chinese muurschildering uit 706 met een afbeelding van een penjing

Net als veel andere Japanse kunstuitingen heeft bonsai zijn oorsprong in China. In de 1e eeuw na Chr. gebruikten taoïsten miniatuurlandschappen voor contemplatie en meditatie. Volgens sommige legendes bezaten sommige taoïsten het vermogen om een heel landschap te miniaturiseren totdat het geheel in een kleine bak of pen paste.[1] Beschrijvingen uit de periode van de Tang-dynastie (618–907) noemen de kleine landschapstukken punsai en maken melding van het gebruik van dwergbomen.[2] Later werd deze kunstvorm penjing (盆景; 'landschap in bak') of penzai (盆栽; 'boom in bak') genoemd. Een traditionele penjing kan variëren van een sierlijke pot met een enkele, door manipulatie klein gehouden boom, tot een complex landschap van planten, water en stenen op een presenteerblad.

Penjing in Japan (6e–13e eeuw)[bewerken]

In de 6e eeuw kwamen Japanse diplomaten en boeddhistische studenten die China bezochten in aanraking met penjing.[3] Er bestond in Japan veel interesse voor deze miniatuurlandschappen, zoals blijkt uit diverse documenten, schilderingen en andere artefacten. De collectie van Shōsōin, een gebouw in het Todai-ji in Nara, bevat een kunstwerk uit de Tenpyō-periode (729–749) dat een klein landschap voorstelt.[4] Het bestaat uit een ondiepe houten blad met uit hout gesneden bergen en een rivierbank van zand. In het zand zijn enkele boompjes van zilver geplaatst. Het stuk toont al de interesse voor miniatuurlandschappen in deze vroege periode.

Een zinsnede uit de Japanse vertelling Utsubo Monogatari ('De Vertelling van de Holle Boom') uit omstreeks 970 weerspiegelt het idee dat natuurlijke schoonheid alleen door manipulatie geheel tot haar recht komt,[5] een principe dat in penjing zijn weerslag vindt:

Aanhalingsteken openen Een boom die in zijn natuurlijke staat groeit is een grof ding. Alleen wanneer het dicht bij mensen wordt gehouden die het met liefdevolle zorg omringen, kunnen zijn vorm en stijl zich verder ontwikkelen.[noot 1]
— Utsubo Monogatari
Aanhalingsteken sluiten
Pensai afgebeeldt op de handrol Saigyo Monogatari Emaki (linksonder)

De oudst bekende Japanse weergave van een penjing is afgebeeld op de handrol Saigyo Monogatari Emaki (Biografie van de monnik Saigyo) uit 1195, vervaardigd door Saigyo (1118–1190). De afgebeelde miniatuurboom in aardewerken pot was in die tijd nog een statussymbool voor vooraanstaande families, zoals die waartoe Saigyo behoorde. Latere miniatuurlandschappen met dwergbomen zijn onder andere weergegeven op de handrol Ippen Shonin Eden uit 1299 en een handrol uit de serie Kasuga Gongen Genki E, uit 1309. De twee penjingwerken op deze door Takakane Takashina vervaardigde rol zijn nog typisch Chinees: dwergbomen in een landschap van gras en stenen. Penjing was alleen voorbehouden aan welgestelde families, zoals die waartoe Saiyo en Ippen Shonin (1239–1289) behoorden, en werden waarschijnlijk altijd vanuit China geïmporteerd.[6]

Eerste Japanse uitvoeringen (13e–15e eeuw)[bewerken]

Rond de 11e eeuw breidde in Japan het Chinese chán-boeddhisme zich steeds meer uit. In kloosters werden politieke leiders door Chinese chán-monniken onderwezen, die hen onder andere de principes van penjing bijbrachten.[7][8] Vanaf dat moment konden miniatuurbomen ook in Japan worden gekweekt. Omstreeks de 13e eeuw begon de Japanse bonsaitraditie zich te ontwikkelen als een landschapskunst dat los kwam te staan van het Chinese penjing.[6][9]

Esthetische principes voor de cultivering van dwergbomen werden rond 1300 vastgelegd in het essay Bonseki no Fu ('Hulde aan Bonseki'), geschreven door priester en dichter Kokan Shiren (1278–1346). Naast het kweken van miniatuurbomen behandelde dit werk ook de onderwerpen landschapsarchitectuur en bonseki: miniatuurlandschappen van wit zand, kiezels en stenen op zwartgelakte bladen.[10][11] De dichtbundel Tsurezuregusa, dat omstreeks 1331 verscheen, bevat een dichtwerk waarin de traditie van dwergbomen in potten werd bekritiseerd. Het werk was tot aan het begin van de 17e eeuw alleen onder een kleine kring van dichters bekend, en had derhalve weinig invloed op de ontwikkeling van de bonsaitraditie.

Ondanks de vastgelegde esthetische standaarden kon de uitvoering van Japanse potbomen onderling sterk verschillen. Tot het midden van de 15e eeuw werden in Japan nog allerlei miniatuurlandschappen in de Chinese traditie van shuihan penjing vervaardigd (水旱盆景; 'overstroming en droogte'). Hierbij werden verschillende attributen gebruikt die duiding moesten geven aan de schaal en het thema van het werk, waaronder miniaturen van mensen en dieren.[12] Het chán-boeddhisme, dat in Japan zen wordt genoemd', ontwikkelde zich in een stroming die schoonheid en deugd zochten in strenge soberheid. Dit had zijn weerslag op de Japanse miniatuurlandschappen. De boom kwam centraal te staan en de bij penjing gebruikelijke accessoires werden achterwege gelaten. Ook werd er doorgaans voor een eenvoudige pot of pen gekozen.[12] De handrol Boki Ekotoba uit 1351 bevat de vroegst bekende weergave van afzonderlijke dwergbomen van Japanse makelij. Elke boom staat in een diepe pot, zonder stenen of andere attributen.[6]

Hachi no ki (14e–18e eeuw)[bewerken]

Dit Chinese penjing-exemplaar in een diepe pot weerspiegeld de Japanse hachi-no-ki-stijl van de 14e eeuw

Vanaf de 14e eeuw werden miniatuurpotbomen in Japan hachi no ki (鉢の木) genoemd, wat 'bomen in een pot' betekent.[13] De term hachi () slaat op een komvormige pot, niet op de ondiepe bak die later gemeengoed werd in bonsai. Hachi no ki is ook de titel van een bekend no-spel van Zeami Motokiyo (1363–1444). Het verhaalt van een verarmde samoerai die 's winters bezocht wordt door een ambtenaar, vermomd als reizende monnik. De samoerai verbrandt zijn laatste drie miniatuurbomen om de ambtenaar te warmen; een pruimenboom, een kersenboom en een den. Voor deze daad wordt hij beloond met drie landgoederen waarvan elke naam een van de drie bomen noemt. Het verhaal is in de loop van enkele eeuwen regelmatig afgebeeld in houtsnedes, waardoor de term hachi no ki ingeburgerd raakte. Andere oude termen voor de Japanse traditie van miniatuurbomen in potten zijn bunjin hachiue of bunjin ueki, wat vrij vertaald respectievelijk 'literati-potplant' en 'literati-potplanten' betekent.

In de 17e eeuw werden miniatuurpotbomen steeds vaker genoemd in proza en dichtkunst. Zo wordt er verhaald over een tuinier van een samoerai, die erg trots was op een zelfgekweekte miniatuurboom. Nadat de samoerai deze boom beledigde, pleegde de tuinier zelfmoord.[14] De shogun Tokugawa Iemitsu (1604–1651), die bekend stond als een liefhebber van hachi no ki, staat centraal in een andere vertelling. Zijn raadsman Okubo Hikozemon vond dat Iemitsu teveel tijd besteedde aan zijn potbomen, en dat dit ten koste ging van staatszaken. Om Iemitus te ontmoedigen, gooide Hikozemon een van zijn favoriete bomen weg. Desondanks gaf de shogun zijn liefhebberij niet op. Naar verluidt was hij de verzorger van Sandai-Shogun-No Matsu, een Japanse witte den (Pinus parviflora) die in ieder geval al in 1610 als miniatuurboom werd gekweekt. Voor zover bekend is het de oudste nog levende bonsaiboom.[noot 2][15]

Tot het einde van de 18e eeuw werden de meeste potten voor miniatuurbomen geïmporteerd vanuit China. Potten die tussen 1465 en circa 1800 waren vervaardigd werden kowatari (古渡; 'oude kruising') genoemd. Dit waren dezelfde diepe potten die ook werden toegepast voor penjing. Veel potten kwamen uit Yixing, in de provincie Jiangsu. Ze waren ongeglazuurd en meestal paarsbruin gekleurd. Ook werden in Japan potten geïmporteerd die waren gemaakt in Guangzhou (Kanton), en dan met name uit de periode van de Ming-dynastie (1368–1644).[16] Volgens een boek over horticultuur uit 1681 gebruikten Japanners die geen kowatari konden betalen ook Haliotis-schelpen als pot. Dit zou hen niet ervan weerhouden hebben om er azalea's in te kweken.[17][18]

Aan het eind van de 18e eeuw was de traditie van de miniatuurbomen in vrijwel heel Japan bekend. Ook het grotere publiek begon zich voor de kunstvorm te interesseren. Zo werd gedurende het Tenmei-tijdperk (1781–1788) elk jaar een tentoonstelling gehouden in Kioto. Kenners uit vijf provincies en omliggende streken brachten miniatuurdennen mee naar de hoofdstad, die door de bezoekers werden beoordeeld.[19]

Begin klassieke periode (1800–1867)[bewerken]

Courtisanes kijkend naar bonsai boom door Kikugawa Eizan (begin 19e eeuw)

Vroeg in de 19e eeuw kwamen op geregelde basis Japanse geleerden in de Chinese kunst bij elkaar in Itami, waar ze discussieerden over recente ontwikkelingen in penjing en de Japanse varianten. Zij ontleenden veel termen en ideeën uit Kai-shi-en Gaden, de Japanse vertaling van het Handboek van de Mosterdzaadtuin (芥子園畫傳).[20][21][22] Zo werd ook de term 'bonsai' gebruikt, de Japanse uitspraak van de Chinese term penzai. Rond het eind van de eeuw werd deze term algemeen gebruikt voor de Japanse miniatuurpotbomen.

Een van de eerste plaatsen waar bonsais op grote schaal werden gekweekt was Asakusa, een wijk in Tokio. In 1829 begon een inwoner met het cultiveren van bomen in de tako-tsuki-stijl (octopusstijl), met lange, golvende takken. Binnen twintig jaar waren diverse kwekerijen in het gebied zich gaan toeleggen op de handel in bonsai.[23][24]

In 1829 werd Sōmoku Kin'yō-shū (草木錦葉集) gepubliceerd; 'Een Kleurrijke Collectie van Bomen en Planten'. Het boek gaf een gedetailleerde en geïllustreerde beschrijving van hoe een den als bonsai moet worden gecultiveerd. Het was het eerste werk dat de klassieke bonsai behandelde. Vier jaar later verscheen het driedelige werk Kinsei jufu betsuroku: 'Album van Langlevende Planten'. Deze geïllustreerde catalogus behandelde de cultivering van bonsaibomen en de noodzakelijke gereedschappen. Het toonde ook een verscheidenheid van potten in diverse hoogtes en kleuren.[25]

In de tweede helft van de 19e eeuw kwam het nakawatari-model in de mode

Gedurende de tweede helft van de 19e eeuw werden potten populair die nakawatari of chūwatari werden genoemd, wat allebei 'middelste kruising' betekent. Deze potten, die vanaf 1816 vanuit China werden geïmporteerd, waren ondiep en rechthoekige of ovaal van vorm en bezaten een geperforeerde bodem en bewerkte poten. Ongeglazuurd werden ze in China veelvuldig gebruikt voor huisaltaren. Om aan de groeiende vraag van de bonsaikwekers te voldoen, gingen veel pottenbakkerijen in Yixing over op massaproductie van nakawatari-pottensamo.[26][27]

Deze Japanse witte den (Pinus parviflora) wordt sinds 1855 als bonsai gecultiveerd

De bonsaitraditie ontwikkelde zich van een specialiteit van shoguns en samoerai tot een hobby en kunstvorm voor een breed publiek. Nadat onder de regering van keizer Komei de Japanse grenzen opengingen, maakte ook het westen kennis met de traditie van miniatuurbomen. Japan nam deel aan allerlei tentoonstellingen in de Verenigde Staten en Europa, waaronder de wereldtentoonstellingen van 1862 en 1867 in Londen en Parijs. Veel tentoongestelde bonsaibomen werden na het evenement in het land achtergelaten.[28]

Na de Meiji-restauratie (1867–1900)[bewerken]

Komei's opvolger Meiji (1852–1912) was een groot liefhebber was van bonsai. Hij droeg er zorg voor dat de traditie een prominentere plaats kreeg in de Japanse cultuur.[29]. Een jaar na de Meiji-restauratie verhuisde Meiji op 13 oktober 1868 naar het keizerlijk paleis Kokyo in Tokio, de nieuwe hoofdstad van Japan. Zowel binnen als buiten de paleismuren werden bonsaibomen geplaatst.[30][31] Meiji moedigde ook zijn hofhouding aan om zich te verdiepen in de cultivering van miniatuurbomen. Zij die bonsai niet konden waarderen vielen meestal uit de gratie. Al snel hadden bijna alle hogere ambtenaren bonsaibomen in hun bezit. Met name Kijoji Itoh stond bekend om zijn liefhebberij in bonsai. Hij legde een grote verzameling aan en experimenteerde met diverse kweekmethodes.[29]

Een ingekleurde foto van vóór 1886[noot 3] van een bloemenkraam met potplanten, waaronder een aantal bonsaibomen

In tegenstelling tot Komei streefde Meiji naar hechte banden met westerse mogendheden. Japan nam deel aan de wereldtentoonstellingen van 1873 en 1900, in Wenen en Parijs. Dit deed de vraag naar geïmporteerde miniatuurbomen nog meer toenemen. Ook Japanse immigranten die naar westerse regio's trokken, zoals de westkust van de Verenigde Staten en Hawaii, droegen bij aan een verdere bekendheid van de bonsaitraditie.[noot 4] Veel bonsaibomen in de tako-tsuki-stijl die in Tokio werden geproduceerd, werden naar Europa en de Verenigde Staten geëxporteerd. Om aan de groeiende vraag buiten Japan te voldoen, begonnen ook andere kwekerijen zich toe te leggen op de massaproductie van bonsaibomen voor de export.[32]

Er bestond een groeiend aantal kwekers die, net als Kijoji Itoh, experimenteerde met geavanceerdere technieken en stijlen. In de late jaren 1860 probeerde men om de stam en takken vorm te geven door er bevochtigde hennepvezels aan vast te knopen en deze op spanning te brengen. Het was een lastig karwei en het resultaat was weinig bevredigend.[18] Andere methodes die werden ontwikkeld hadden meer succes. Gaandeweg ontstonden er twee categorieën in de bonsaitraditie: bonsai voor het grote (westerse) publiek en bonsai voor de kenners. Met name de bomen die in Kioto en Osaka werden gekweekt waren populair onder bonsailiefhebbers. In Kioto werden veel bonsais in de bunjingi-stijl (文人木; literati-stijl) uitgevoerd: een subtiel en verfijnd vormgegeven boom met een slanke stam. Bonsais die in Tokio werden gekweekt, hadden echter meestal een overdreven dikke stam. Er ontstond een rivaliteit onder de bonsaikwekers van Kioto en Tokio, die tientallen jaren bleef aanhouden.[18][33]

In Japan kwamen nieuwe boeken en tijdschriften op de markt, waardoor de cultivering van bonsai voor een groter publiek toegankelijker werd. In 1892 werd een bonsai-kunstwedstrijd gehouden in Tokio, een gebeurtenis dat werd verslagen in een driedelig geïllustreerd herdenkingsboek. Het werk laat duidelijk de tendens zien dat bonsai reeds als een opzichzelfstaande kunstvorm werd beschouwd.[34]

Eerste helft van de 20e eeuw[bewerken]

Een Japanse appel (Malus sieboldii) in de moyogi-stijl (informele, rechtopstaande stijl), sinds 1905 als bonsai gekweekt

Aan het begin van de 20e eeuw waren veel gegoede Japanners in het bezit van een bonsaiboom. Bonsais werden niet alleen buitenshuis geplaatst, maar vaak ook in de tokonoma, een alkoof in de ontvangst- of theekamer waar siervoorwerpen worden tentoongesteld.[35]

Gedurende 1906 tot circa 1913 werd maandelijks Bonsai Gaho uitgegeven, het eerste tijdschrift dat geheel in het teken van bonsai stond.[36] Dankzij tijdschriften als deze raakten Japanners in relatief korte tijd bekend met de nieuwste stijlen, technieken en gereedschappen voor bonsai. Soortgelijke tijdschriften waren Toyo Engei en Hana, beide uitgegeven vanaf 1907,[37] en Bonsai, dat voor het eerst in 1921 verscheen en 518 periodieke uitgaven telde.[noot 5]

Door de ontwikkeling van steeds geavanceerdere technieken werden gecompliceerdere stijlen mogelijk. In 1910 werd in het werk Sanyu-en Bonsai-Dan ('Geschiedenis van Bonsai in de Sanyu-kwekerij') een nieuwe methode besproken om takken en stammen te vormen middels metaaldraad. Het was eenvoudiger dan de voorheen gebruikte bindtechniek, en gaf een aanzienlijk nauwkeurig resultaat.[39][40] Bonsaikwekers pasten de methode grootschalig toe en het aantal hobbyisten groeide aanzienlijk in Japan.[40][38] In de jaren 20 en 30 werden de eerste ijzeren gereedschappen speciaal voor de cultivering van bonsai ontwikkeld.[41]

In 1927 werd in Tokio de eerste grote jaarlijkse bonsaitentoonstelling gehouden.[42] De prestigieuze Kokufu-ten-tentoonstelling ving in 1934 voor het eerst aan in het Uenopark te Tokio.[43] Tentoonstellingen als deze zorgden net als drukwerk voor een verdere verbreiding van de bonsaitraditie. In 1940 waren reeds 150 verschillende boomsoorten gecultiveerd als bonsai. Alleen al in Tokio waren ongeveer 300 bonsaiverkopers werkzaam. Elk jaar werden duizenden bonsaistukken geëxporteerd naar het westen en Japanse immigranten hadden de eerste bonsaikwekerijen en -clubs opgericht in de Verenigde Staten.

Deze Japanse witte den, opgekweekt sinds de 17e eeuw, overleefde de atoombom op Hiroshima

Gedurende de Tweede Wereldoorlog in Azië werden verschillende maatregelen getroffen om bonsaibomen tegen het oorlogsgeweld te beschermen. Kyūzō Murata (1902–1991), de verzorger van de keizerlijke bonsaicollectie in Tokio, verborg de bomen samen met die uit kwekerijen in de omgeving. Een aantal exemplaren bleef zo ongeschonden tijdens de bombardementen op Tokio in maart 1945. [44] Na de overgave van Japan dat jaar werden in heel het land beschadigde bonsaibomen opgeknapt, een proces dat meer dan tien jaar in beslag nam. Elke boom die de atoombom op Hiroshima had overleefd, waaronder een aantal bonsais, werd een hibaku jumoku ('gebombardeerde boom') genoemd.

Na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na afloop van de Tweede Wereldoorlog zorgden een aantal ontwikkelingen ervoor dat de traditie van bonsai aanzienlijk populairder en toegankelijker werd, zowel in Japan als in het buitenland. Zo was er een drastische toename van boeken en tijdschriften over bonsai. Doordat deze werken in steeds meer talen verschenen, kon ook een groeiend aantal niet-Japanners zich specialiseren in het trainen van bonsai. Een van de eerste Engelstalige boeken is Japanese Tray Landscapes, dat in 1937 in Beijing werd uitgegeven. Het is geschreven door Alfred Koehn, een Duitse diplomaat die in samenwerking met Yuji Yoshimura bonsaicursussen voor beginners gaf in Tokio. Een toonaangevend Engelstalig boek in de vroege naoorlogse periode is The Art of Bonsai, uitgegeven in 1957. Dit boek was geschreven door Yoshimura en zijn student Giovanna M. Halford, en behandelde zowel de teelt als de esthetische aspecten van bonsai.[45] In 1970 verschenen drie nieuwe maandelijkse tijdschriften met bonsai als onderwerp, namelijk Bonsai Sekai, Satsuki Kenkyu en Shizen to Bonsai. In 2016 waren er meer dan 1300 boeken over bonsai beschikbaar in 26 talen,[46] plus enkele tientallen tijdschriften in ruim 13 talen.

In 1963 publiceerde bonsaimeester Toshio Kawamoto zijn Engelstalig werk Bonsai-Saikei, gevolgd door Saikei: Living Landscapes in Miniature in 1967. Deze boeken behandelden de principes van saikei ('aangeplant landschap'), een door Kawamoto ontwikkelde kunstvorm van miniatuurlandschappen. Het vertoont veel overeenkomsten met de Chinese traditie van shuihan penjing. Kawamoto maakte gebruik van veel jong plantmateriaal, wat een toegankelijker alternatief was voor de gebruikelijke oudere bomen. Er kwam zo meer keuze in plantensoorten en er was minder tijd nodig om ze te trainen.

Een andere factor waardoor bonsai wereldwijd toegankelijker werd, was de toename van professionele opleidingen. Aanvankelijk werden opleidingen alleen in Japan gegeven, of in het buitenland door Japanse leraren. Nadat een groep Amerikanen in Tokio een opleiding hadden gevolgd, stichtten zij in 1967 de American Bonsai Society.[47] Dit was een van de eerste opleidingscentra buiten Japan. Steeds meer kwekers maakten studiereizen naar Japan en introduceerden vervolgens de nieuwste bonsaitechnieken en -stijlen in hun thuisland.[48] Tegenwoordig zijn er opleidingscentra verspreid over de wereld gevestigd, alsook leveranciers van jonge bonsaibomen en bijbehorende gereedschappen, potten en andere materialen.[49]

Shohin-bonsais tentoongesteld op de Gafu-ten 2015

Het aantal en omvang van bonsaitentoonstellingen nam in de tweede helft van de 20e eeuw steeds meer toe. Na een pauze van vier jaar werd in 1947 weer de meerdaagse Kokufu-ten-tentoonstelling in Tokio gehouden. Sindsdien heeft de tentoonstelling elk jaar doorgang gevonden.[43] In 1970 werd de Expo 70 gehouden in de Japanse stad Osaka. In deze wereldtentoonstelling werd een grote verscheidenheid aan bonsaibomen en suiseki (fraai gevormde stenen) aan een internationaal publiek getoond. Vijf jaar later werden in Japan twee nieuwe periodieke tentoonstellingen gestart. De eerste, Gafu-ten ('Elegante stijl-tentoonstelling'), stond in het teken van shohin-bonsai: bonsaistukken van 13 tot 25 centimeter hoog. Het tweede evenement was Sakufu-ten ('Creatieve bonsaitentoonstelling'); de eerste tentoonstelling waarbij bonsais werden getoond met vermelding van de naam van de kweker, in plaats van die van de eigenaar.[50] Ook in de daaropvolgende jaren zijn een groot aantal tentoonstellingen in Japan en in Australië, de Verenigde Staten en diverse Europese en Aziatische landen georganiseerd.[51]

In 2016 waren minstens honderdduizend leden verbonden aan zo'n 1500 bonsaiverenigingen. Het aantal hobbyisten die niet aan een vereniging zijn verbonden wordt geschat op meer dan vijf miljoen.[52]

Bonsai-principes[bewerken]

Japanse zwarte den ('Pinus thunbergii) in de literati-stijl
Mee bezig Mee bezig
Aan dit artikel of deze sectie wordt de komende uren of dagen nog druk gewerkt.
Klik op geschiedenis voor de laatste ontwikkelingen.

Bonsai heeft niets te maken met een bepaalde dwergvariant van een plant- of boomsoort, maar uitsluitend met de methoden en technieken om een kleine plant of boom te kweken, te vormen en te onderhouden zodanig dat de suggestie of illusie ontstaat van een grote, volwassen en oude boom. Deze bonsaitechnieken vinden hun voedingsbodem in de botanische kennis en in de algemene ontwerp kennis.

De gefaseerde methode om van een zaailing of een startplant tot een volwaardig bonsai te komen ziet er globaal zo uit: Eerst moet bepaald worden of de stam dik genoeg is en de wortelvoet goed genoeg is voor het uiteindelijke ontwerp. Zo niet dan moet de stam bij voorkeur in de volle grond worden geplant om snel dikker te worden. Correctie aan de wortelvoet is mogelijk maar vereist nog meer tijd dan de stamontwikkeling. Dit kan dus enige (tientallen) jaren duren. Om de groeiscenario’s te kunnen bepalen moet men dus eerst een globaal idee hebben over het uiteindelijke uiterlijk (ontwerp). De globale afmetingen en vorm moeten eerst bepaald worden: hoogte, vorm, compositie, karakter. Dit is zonder twijfel een van de moeilijkste onderdelen van bonsaivorming, omdat men ver in de toekomst moet kijken, gewapend door ervaring én inspiratie/idee. Beginners hebben natuurlijk nog geen ervaring, maar hopelijk wel frisse inspiraties.

Het ontwerp begint altijd met de bepaling van de voorzijde van de bonsai, de vorm of stijl, en de gewenste afmetingen. Uit deze drie "gegevens" wordt het ontwerp vervolgens bepaald, verder uitgedacht en uitgevoerd, en wel in de volgorde: stam, gesteltakken, tweede, derde en eventueel vierde vertakking.

Na het ontwerp volgt de eerste stylingsronde, de echte ingrepen aan de boom of plant zelf. De wortelvoet, de stamdikte en de stambeweging moeten dan al min of meer goed zijn, omdat men dit moeilijk nog kan omvormen. Meestal bestaat de eerste styling uit een grove snoeibeurt om alleen de essentiële gesteltakken te behouden en te ontwikkelen. Alle "foute" of onnodige takken worden weggesnoeid. Men gaat hier soms heel ver: er bestaan klasse-bonsais die bij nader inzien slechts uit drie gesteltakken bestaan (maar wel met 2e, 3e en zelfs 4e vertakkingen binnen/op deze gesteltakken). Een mooie boom uit drie gesteltakken is bijna ondenkbaar. Na de (grove) snoei wordt vaak bedrading als techniek ingezet om alle takken in de juiste vorm en richting te kunnen buigen. De (zwaar) gesnoeide en bedrade pré-bonsai wordt daarna met rust gelaten, bemest en vertroeteld om zich te herstellen van de snoeibeurt. De nieuwe groei zal de pré-bonsai nu dichter brengen bij de uiteindelijke vorm dan voor de styling.

Een tweede, derde, en verdere stylingsronde volgt zo nodig in de loop der jaren. Een bonsai wordt dan "af" verklaard wanneer de bonsai de beoogde vorm heeft bereikt. Toch is een bonsai nooit werkelijk af. Laat men de bonsai namelijk verder groeien zonder ingrepen, dan zal hij weer uit de vorm geraken.

Bonsaistijlen[bewerken]

Tussen 1700 en 1849 werden er in Japan door de hoogste Japanse bonsaimeesters, geheel in overeenstemming met het zenboeddhisme, 15 hoofdstijlen voor bonsaivorming ontwikkeld. Deze hoofdstijlen zijn gebaseerd op boomzielen uit de vrije natuur.

  • Chokkan (rechtopgaande stijl): deze stijl is een veel voorkomende Bonsai vorm. Ook in de natuur komt deze stijl veel voor, vooral op lichte plekken waar de boom geen concurrentie heeft van andere bomen. In de recht lopende stam moet een duidelijke verjonging te zien zijn, de stam moet dus onder dikker zijn dan aan de top. Op ongeveer 1/4 van de stamlengte groeien de eerste zijtakken. De top wordt gevormd door een tak, de stam loopt dus niet helemaal tot het einde door.
  • Shakkan (hellende stijl): hierbij staat de boom schuin naar één kant. Vaak wordt een hoek van 70 tot 90 graden beschreven. De wortels onder de hellende stam lijken in de grond te worden gedrukt, terwijl de wortels zich aan de andere zijde krachtig tonen. Asymmetrische verdeling van takken en taps toelopende stam. Zichtbaar bij alle boomsoorten.
  • Moyogi (gebogen opgaande stijl): onderaan beschrijft de stam een goed zichtbare bocht, waarna in de hogere delen van de stam het evenwicht gezocht wordt. De takken zijn asymmetrisch verdeeld en de stam loopt taps toe. Zichtbaar bij vrijwel alle boomsoorten.
  • Kengai (cascadestijl): in deze stijl wordt een door natuurkrachten naar beneden groeiende boom afgebeeld. In de natuur treedt dit fenomeen onder andere op in rotsachtige omgeving, waar bomen onder meer door vallende rotsblokken en hevige sneeuwval, vaak gedwongen worden om krom naar beneden te groeien. Niet zichtbaar bij snel groeiende boomsoorten.
  • Han-Kengai (half-cascadestijl): de kruin is aanwezig, doch laag. een der takken helt over en doet denken aan Kengai. Niet zichtbaar bij snel groeiende boomsoorten.
  • Bunjingi (literati- of wijsgerenstijl): deze stijl is gebaseerd op het principe van de vrijgestelde boom in een bos op voedselarme grond. Deze bosbomen hebben namelijk een hoge, sierlijke kroon die op een matig gekronkelde stam staat. Zichtbaar bij met name naaldbomen.
  • Hokidachi (bezemstijl): de naam geeft al aan dat de boom qua uiterlijk gelijkt op een bezem. Een rechte stam eindigt in een ronde, dicht vertakte kroon. Zichtbaar bij iep en haagbeuk.
  • Sharimiki (drijfhoutstijl): uitsluitend vertegenwoordigd door jeneverbes. De stammen van jeneverbessen die in rotsachtige gebieden groeien, worden door steenslag vaak ontschorst en gedeeltelijk geschild. Door de zon bleken deze wonden vaak uit tot witte lijnen in de stam. Dit worden Shari's genoemd.
  • Seki Joju (wortels-over-steenstijl): deze stijl is gebaseerd op bomen die op rotsen hun wortels naar beneden sturen ten einde daar meer voedingsstoffen en water te vinden. Wortel en stam krijgen daardoor hetzelfde uiterlijk. Zichtbaar bij vrijwel alle boomsoorten.
  • Ishisuki (hangend-aan-een-rotsstijl): de boom groeit in een spleet van een rots. Wortels zijn niet zichtbaar buiten de rots, wel de wortelaanzet. Alle voedingsstoffen en water worden uit het diepe van de rots gehaald. Zichtbaar bij vrijwel alle boomsoorten.
  • Sokan (dubbelstammige stijl): twee stammen komen uit dezelfde wortelhals, waarbij de één dikker is dan de ander. Zichtbaar bij alle boomsoorten.
  • Kabudachi (meerstammige stijl): drie of meer stammen komen uit dezelfde wortelhals. Zichtbaar bij alle boomsoorten.
  • Ikadabuki (vlotstijl): een omgeworpen boom richt de zijtakken op, waaruit schijnbaar nieuwe boomindividuen omhoogkomen. De stam(-loop) blijft zichtbaar. Zichtbaar bij alle boomsoorten.
  • Yose-ue (bosstijl): een groep bomen die als geheel een natuurlijk element van een landschap vertegenwoordigen. Zichtbaar bij alle boomsoorten.
  • Saikei (natuurlijk landschap): een natuurlijk landschap dat in zijn aanzicht vrij is van menselijke invloeden. Per definitie niet gebonden aan de aanwezigheid van bomen, wel vaak gewenst in het kader van bonsai.
  • Bonkei (menselijk landschap): een natuurlijk landschap dat in zijn aanzicht verrijkt is met menselijke invloeden. Per definitie niet gebonden aan de aanwezigheid van bomen, wel vaak gewenst in het kader van bonsai.

Nieuwe ontwikkelingen[bewerken]

Naast de klassieke, Japanse bonsaivormen met de specifieke, esthetische regels, doen nieuwe termen zoals potensai, mallsai en snobsai de ronde. Potensai wordt vaak gebruikt als men een bonsai in wording wil aanduiden. Mallsai (van het Engelse mall, winkelcentrum) is een massabonsai die met weinig toewijding en esthetische criteria heel goedkoop wordt aangeboden in de supermarkten of tuincentra. Snobsai is een aanduiding voor een dure bonsai die door rijke mensen zonder enige kennis van bonsai wordt gekocht en puur als decoratie en/of statussymbool wordt gebruikt.

Externe links[bewerken]