Bonsai

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Japanese Black Pine, 1936-2007.jpg
Een Japanse zwarte den (Pinus thunbergii) gekweekt in de bankan-stijl (gedraaide stijl) sinds 1936
Small-leaved Elm Ulmus minor bonsai 257, December 24, 2008.jpg
Gladde iep (Ulmus minor) in de sokan-stijl (dubbelstammige stijl) gekweekt sinds 1982; de linkerboom is uitgevoerd in de hokidachi-stijl (bezemstijl), de rechterboom in de fukinagashi-stijl (verwaaide stijl)
Blue Atlas Cedar, 1950-2007.jpg
Blauwe atlasceder (Cedrus atlantica var. 'Glauca') gekweekt in de moyogi-stijl (informeel opgaande stijl) sinds 1950; dit is de 'achterkant' van de bonsai (zie kopje 'Opstelling')
Cotoneaster bonsai at Enfield Bonsai Group Summer Show 2008.jpg
Dwergmispel (Cotoneaster) in de ishizuke-stijl (klevend-aan-een-rotsstijl)

Bonsai (盆栽) is de Japanse traditie van het cultiveren van bomen in potten. De term 'bonsai' is de Japanse uitspraak[noot 1] van penzai, wat het Chinees is voor 'boom in bak'. Deze Chinese kunstvorm, die ook bekend staat als penjing, stond aan de basis van de reeds meer dan duizend jaar oude Japanse bonsaitraditie. Bij beide kunstvormen wordt de boom door manipulatie klein gehouden en zodanig gevormd dat het de illusie wekt van een volgroeid exemplaar.

Om dit te bereiken wordt een jonge boom of een scheut, zaailing of stek van een houtige plant in vorm gebracht. Met behulp van metaaldraad kan men de stengels en stammen in de gewenste vorm laten groeien. De boom wordt in zijn groei geremd door de beperkte potruimte en in vorm gebracht en gehouden door het snoeien van de takken, wortels en bladeren. Ook andere technieken worden gebruikt, waarvan enkelen uitsluitend voor de bonsaikweek zijn ontwikkeld. Wanneer de plant zijn beoogde grootte heeft bereikt en voldoet aan de esthetische standaarden, wordt hij overgeplant in een sierpot.

De term bonsai wordt vaak gebruikt als parapluterm voor alle in potten of bakken gehouden miniatuurbomen in oosterse stijl. De bonsaitraditie kent echter een eigen schoonheidsleer en een specifieke canon van stijlen, die voor een deel gebaseerd zijn op natuurlijke groeivormen van bomen. Kamerplanten vormgegeven in de bonsaistijl zijn vaak tropische planten. Traditioneel worden bonsaibomen in Japan buiten geplaatst, zodat alleen winterharde boomsoorten worden gebruikt.

Geschiedenis[bewerken]

Chinese muurschildering uit 706 met een afbeelding van een penjing

De Japanse cultuur vindt voor een groot deel zijn oorsprong in China. Dit geldt ook voor de traditie van bonsai. In de 1e eeuw na Chr. gebruikten Chinese taoïsten miniatuurtuintjes voor contemplatie en meditatie.[noot 2] Beschrijvingen uit de periode van de Tang-dynastie (618–907) noemen dergelijke kleine landschapstukken punsai en maakten voor het eerst melding van het gebruik van dwergbomen.[2] Later werd deze Chinese traditie penjing (盆景; 'landschap in bak') of penzai (盆栽; 'boom in bak') genoemd. Een traditionele penjing kan zeer variëren, van een sierlijke pot met een enkele, door manipulatie klein gehouden boom, tot een complex landschap van planten, water en stenen op een groot blad.

Penjing in Japan (6e–13e eeuw)[bewerken]

In de 6e eeuw kwamen Japanse diplomaten en boeddhistische studenten die China bezochten in aanraking met penjing.[3] Er ontstond veel interesse voor deze miniatuurlandschappen in Japan, zoals blijkt uit diverse documenten, schilderingen en artefacten. Zo bevat de collectie van Shōsōin, een gebouw in het Todai-ji in Nara, een kunstwerk uit de Tenpyō-periode (729–749) dat een klein landschap voorstelt. Het bestaat uit een ondiepe houten blad met uit hout gesneden bergen en een rivierbank van zand. In het zand zijn enkele boompjes van zilver geplaatst. Het stuk toont al de interesse voor miniatuurlandschappen in deze vroege periode.[4]

De vertelling Utsubo Monogatari ('De Vertelling van de Holle Boom'), uit omstreeks 970, bevat een zinsnede die het Japanse idee weerspiegelt dat natuurlijke schoonheid alleen door manipulatie geheel tot haar recht komt.[5] Dit is een principe dat in penjing zijn weerslag vindt:

Aanhalingsteken openen

Een boom die in zijn natuurlijke staat groeit is een grof ding. Alleen wanneer het dicht bij mensen wordt gehouden die het met liefdevolle zorg omringen, kunnen zijn vorm en stijl zich verder ontwikkelen.[noot 3]

Aanhalingsteken sluiten
— Utsubo Monogatari
Afbeelding van een miniatuurboom in aardewerken pot (linksonder) op de handrol Saigyo Monogatari Emaki

De oudst bekende Japanse weergave van een penjing is afgebeeld op de handrol Saigyo Monogatari Emaki (Biografie van de monnik Saigyo) uit 1195, vervaardigd door Saigyo (1118–1190). Latere miniatuurlandschappen met dwergbomen zijn onder andere weergegeven op de handrol Ippen Shonin Eden uit 1299 en een handrol uit de serie Kasuga Gongen Genki E, uit 1309. De twee penjingstukken op deze door Takakane Takashina vervaardigde rol zijn nog typisch Chinees: dwergbomen in een landschap van gras en stenen. Penjingstukken werden waarschijnlijk uitsluitend vanuit China geïmporteerd en alleen voorbehouden aan de welgestelde families, zoals die waartoe Saigyo en Ippen Shonin (1239–1289) behoorden.[6]

Eerste Japanse uitvoeringen (13e–15e eeuw)[bewerken]

Rond de 11e eeuw verbreidde het chán-boeddhisme zich in Japan. Politieke leiders werden door Chinese chán-monniken in kloosters onderwezen en leerden onder andere de principes van penjing.[7][8] Vanaf dat moment konden miniatuurbomen voortaan ook in Japan worden gekweekt. Omstreeks de 13e eeuw begon de Japanse miniatuurlandschapskunst zich te ontwikkelen als een traditie die los kwam te staan van het Chinese penjing.[6][9]

Esthetische principes voor de cultivering van dwergbomen werden rond 1300 vastgelegd in het essay Bonseki no Fu ('Hulde aan Bonseki'), geschreven door priester en dichter Kokan Shiren (1278–1346). Naast het kweken van miniatuurbomen behandelde dit werk ook de onderwerpen landschapsarchitectuur en bonseki.[noot 4][10][11] De dichtbundel Tsurezuregusa, dat omstreeks 1331 verscheen, bevat een dichtwerk waarin de traditie van dwergbomen in potten werd bekritiseerd. Het werk was tot aan het begin van de 17e eeuw alleen onder een kleine kring van dichters bekend, en had derhalve weinig invloed op de ontwikkeling van de schoonheidsleer voor miniatuurlandschappen.

Ondanks de eerste esthetische standaarden kon de uitvoering van Japanse potbomen aanvankelijk nog sterk variëren. Zo werden tot het midden van de 15e eeuw nog miniatuurlandschappen in de Chinese traditie van shuihan penjing vervaardigd (水旱盆景; 'overstroming en droogte'). Hierbij werden verschillende attributen gebruikt die duiding moesten geven aan de schaal en het thema van het werk, waaronder miniaturen van mensen en dieren.[12] Het chán-boeddhisme, dat in Japan zen wordt genoemd, ontwikkelde zich tot een stroming die schoonheid en deugd zochten in strenge soberheid. Dit had zijn weerslag op de Japanse miniatuurlandschappen. De boom kwam centraal te staan en de bij penjing gebruikelijke accessoires werden achterwege gelaten. Ook werd er doorgaans voor een eenvoudige pot of pen gekozen.[12] De handrol Boki Ekotoba uit 1351 bevat de vroegst bekende weergave van afzonderlijke dwergbomen van Japanse makelij. Elke boom staat in een diepe pot, zonder stenen of andere attributen.[6]

Hachi no ki (14e–18e eeuw)[bewerken]

Dit Chinese penjing-exemplaar in een diepe pot weerspiegeld de stijl van de hachi-no-ki in de 14e eeuw

Vanaf de 14e eeuw werden miniatuurpotbomen in Japan hachi no ki (鉢の木) genoemd, wat Japans is voor 'bomen in een kom'. De term hachi () heeft betrekking op een komvormige pot, niet op de ondiepe bak die later ingeburgerd raakte.[13]

Hachi no ki is ook de titel van een bekend no-spel van Zeami Motokiyo (1363–1444). Het verhaalt van een verarmde samoerai die 's winters bezocht wordt door een ambtenaar, vermomd als reizende monnik. Om de bezoeker te warmen verbrandt de samoerai zijn laatste drie miniatuurbomen; een pruimenboom, een kersenboom en een den. Later ontvangt hij als beloning voor deze daad drie landgoederen. Elk landgoed had een naam die betrekking had op een van de drie verbrandde bomen. Het verhaal werd in de loop van enkele eeuwen regelmatig afgebeeld in houtsnedes, waardoor de term hachi no ki steeds meer gemeengoed werd.[13]

Gedurende de 17e eeuw werden miniatuurpotbomen steeds vaker genoemd in proza en dichtkunst. Zo werd er verhaald over een tuinier van een samoerai, die erg trots was op een miniatuurboom die hij had gekweekt. Nadat de samoerai deze boom had beledigd, pleegde de tuinier zelfmoord. De shogun Tokugawa Iemitsu (1604–1651), die bekend stond als een liefhebber van miniatuurpotbomen, staat centraal in een andere vertelling. Zijn raadsman Okubo Hikozemon vond dat Iemitsu teveel tijd besteedde aan zijn hobby, en dat dit ten koste ging van staatszaken. Om Iemitus te ontmoedigen, gooide Hikozemon een van zijn favoriete bomen weg. Desondanks gaf de shogun zijn liefhebberij niet op. Naar verluidt was hij de verzorger van Sandai-Shogun-No Matsu, een Japanse witte den (Pinus parviflora) die in ieder geval reeds in 1610 als miniatuurboom werd gekweekt.[14] Voor zover bekend is het de oudste nog levende bonsaiboom.[noot 5][15]

Tot het einde van de 18e eeuw werden de meeste potten voor miniatuurbomen geïmporteerd vanuit China. Potten die tussen 1465 en circa 1800 waren vervaardigd werden kowatari (古渡; 'oude kruising') genoemd. Dit waren dezelfde diepe potten die ook werden toegepast voor penjing. Veel potten kwamen uit Yixing, in de provincie Jiangsu. Ze waren ongeglazuurd en meestal paarsbruin gekleurd. Ook werden in Japan potten geïmporteerd die waren gemaakt in Guangzhou (Kanton), met name die uit de periode van de Ming-dynastie (1368–1644).[16][noot 6]

Aan het eind van de 18e eeuw was de traditie van de miniatuurbomen in vrijwel heel Japan bekend. Ook het grotere publiek begon zich voor de kunstvorm te interesseren. Zo werd gedurende het Tenmei-tijdperk (1781–1788) elk jaar een tentoonstelling gehouden in Kioto. Kenners uit vijf provincies en omliggende streken brachten miniatuurdennen mee naar de hoofdstad, die door de bezoekers werden beoordeeld.[19]

Begin klassieke periode (1800–1867)[bewerken]

Courtisanes kijkend naar bonsai boom door Kikugawa Eizan (begin 19e eeuw)

Vroeg in de 19e eeuw kwamen Japanse geleerden in de Chinese kunst op geregelde basis bij elkaar in Itami, waar ze discussieerden over recente ontwikkelingen in de penjingtraditie en het Japanse equivalent. Zij ontleenden veel termen en ideeën uit Kai-shi-en Gaden, de Japanse vertaling van het Handboek van de Mosterdzaadtuin (芥子園畫傳).[20][21][22] Zo raakte ook de term 'bonsai' ingeburgerd, de Japanse uitspraak van de Chinese term penzai. Rond het eind van de eeuw werd deze term algemeen gebruikt voor Japanse miniatuurpotbomen.

Een van de eerste plaatsen waar bonsais op grote schaal werden gekweekt was Asakusa. In 1829 begon een kweker in deze wijk in Tokio met het cultiveren van bomen in de takotsuki-stijl, oftewel de octopusstijl, met een korte dikke stam en een hoge kroon van lange, golvende takken. Binnen twintig jaar waren diverse kwekerijen in het gebied zich gaan toeleggen op de handel in bonsai.[23]

1829 was ook het jaar waarin het boek Sōmoku Kin'yō-shū (草木錦葉集) werd gepubliceerd; 'Een Kleurrijke Collectie van Bomen en Planten'. Het was het eerste werk dat de klassieke bonsai behandelde en gaf een gedetailleerde en geïllustreerde beschrijving van het cultiveren van een den. Vier jaar later verscheen het geïllustreerde driedelige werk Kinsei jufu betsuroku: 'Album van Langlevende Planten'. Het behandelde niet alleen de cultivering van bonsaibomen, maar ook de benodigde gereedschappen en een verscheidenheid aan potten in allerlei groottes en kleuren.[24]

In de tweede helft van de 19e eeuw kwam het nakawatari-model in de mode

Gedurende de tweede helft van de 19e eeuw raakten Chinese potten in de mode die in Japan nakawatari of chūwatari werden genoemd, wat allebei 'middelste kruising' betekent. In China werden deze potten gebruikt voor huisaltaren. Ze waren ondiep, rechthoekig of ovaal van vorm, hadden bewerkte poten en een geperforeerde bodem, wat ideaal bleek voor het cultiveren en tentoonstellen van miniatuurbomen. Om aan de groeiende vraag van de Japanse bonsaikwekers te voldoen, gingen veel pottenbakkerijen in het Chinese stadsarrondissement Yixing over op massaproductie van de nakawatari-potten.[25][26] Gelijksoortige modellen worden tegenwoordig nog steeds veelvuldig toegepast.

Deze Japanse witte den (Pinus parviflora) in de chokkan-stijl is sinds 1855 als bonsai gecultiveerd

De bonsaitraditie ontwikkelde zich van een snobistische liefhebberij voor shoguns en samoerai tot een hobby en kunstvorm voor een breed publiek. Toen onder de regering van keizer Komei de Japanse grenzen opengingen, maakte ook het westen kennis met de traditie van miniatuurbomen. Japan nam deel aan allerlei tentoonstellingen in de Verenigde Staten en Europa, waaronder de wereldtentoonstellingen van 1862 en 1867 in Londen en Parijs. Veel bonsaibomen werden na een tentoonstelling achtergelaten, zodat een groeiend aantal buitenlanders kennis maakten met de bonsaitraditie.[27]

Na de Meiji-restauratie (1867–1900)[bewerken]

Komei's opvolger Meiji (1852–1912) was een groot liefhebber van bonsai. Hij droeg er zorg voor dat de traditie een prominente plaats kreeg in de Japanse cultuur.[28] Een jaar na de Meiji-restauratie verhuisde Meiji op 13 oktober 1868 naar het keizerlijk paleis Kokyo in Tokio, de nieuwe hoofdstad van Japan. Zowel binnen als buiten de paleismuren werden bonsaibomen geplaatst.[29][30] Meiji moedigde ook zijn hofhouding aan om zich te verdiepen in de cultivering van miniatuurbomen. Zij die bonsai niet konden waarderen vielen meestal uit de gratie. Al snel hadden bijna alle hogere ambtenaren bonsaibomen in hun bezit. Met name Kijoji Itoh stond bekend om zijn liefhebberij in bonsai. Hij legde een grote verzameling aan en experimenteerde met diverse kweekmethodes.[28]

Een ingekleurde foto van vóór 1886[noot 7] van een bloemenkraam met potplanten, waaronder een aantal bonsaibomen

In tegenstelling tot Komei streefde Meiji naar hechte banden met westerse mogendheden. Japan nam deel aan de wereldtentoonstellingen van 1873 en 1900, in Wenen en Parijs. Dit deed de vraag naar geïmporteerde miniatuurbomen nog meer toenemen. Ook Japanse immigranten die naar westerse regio's trokken, zoals de westkust van de Verenigde Staten en Hawaii, droegen bij aan een verdere bekendheid van de bonsaitraditie.[noot 8] Veel bonsaibomen in de takotsuki-stijl die in Tokio werden geproduceerd, werden naar Europa en de Verenigde Staten geëxporteerd. Om aan de groeiende vraag buiten Japan te voldoen, begonnen steeds meer kwekerijen zich toe te leggen op de massaproductie van bonsaibomen voor de export.[31][noot 9]

Er bestond een groeiend aantal kwekers die, net als Kijoji Itoh, experimenteerde met geavanceerdere technieken en stijlen. In de late jaren 1860 probeerde men om de stam en takken vorm te geven door er bevochtigde hennepvezels aan vast te knopen en deze op spanning te brengen. Het was een lastig karwei en het resultaat was weinig bevredigend.[18] Andere methodes die werden ontwikkeld hadden meer succes. Gaandeweg ontstonden er twee categorieën in de bonsaitraditie: bonsai voor het grote (westerse) publiek en bonsai voor de kenners. Met name de bomen die in Kioto en Osaka werden gekweekt waren populair onder bonsailiefhebbers. In Kioto werden veel bonsais in de bunjingi-stijl (文人木; literati-stijl) uitgevoerd: een subtiel en verfijnd vormgegeven boom met een slanke stam. Bonsais die in Tokio werden gekweekt, hadden echter meestal een overdreven dikke stam. Er ontstond een rivaliteit onder de bonsaikwekers van Kioto en Tokio, die tientallen jaren bleef aanhouden.[18][33]

Aan het einde van de 19e eeuw was een groot aantal boeken en tijdschriften gepubliceerd die de bonsaitraditie behandelde. In 1892 werd een bonsai-kunstwedstrijd gehouden in Tokio, een gebeurtenis die werd verslagen in een driedelig geïllustreerd herdenkingsboek. In dit werk is duidelijk zichtbaar dat bonsai reeds als een opzichzelfstaande kunstvorm werd beschouwd.[34]

Eerste helft van de 20e eeuw[bewerken]

Een Japanse bonsailiefhebber, gefotografeerd rond 1915

Aan het begin van de 20e eeuw waren veel gegoede Japanners in het bezit van een bonsaiboom. Bonsais werden niet alleen buitenshuis geplaatst, maar vaak ook in de tokonoma, een alkoof in de ontvangst- of theekamer waar siervoorwerpen worden tentoongesteld.[35]

Gedurende 1906 tot circa 1913 werd maandelijks Bonsai Gaho uitgegeven, het eerste tijdschrift dat geheel in het teken van bonsai stond.[36] Dankzij tijdschriften als deze raakten Japanners in relatief korte tijd bekend met de nieuwste stijlen, technieken en gereedschappen. Soortgelijke tijdschriften waren Toyo Engei en Hana, beide uitgegeven vanaf 1907,[37] en Bonsai, dat voor het eerst in 1921 verscheen en 518 periodieke uitgaven telde.[noot 10]

Door de ontwikkeling van steeds geavanceerdere technieken werden gecompliceerdere stijlen mogelijk. In 1910 werd in het werk Sanyu-en Bonsai-Dan ('Geschiedenis van Bonsai in de Sanyu-kwekerij') een nieuwe methode besproken om takken en stammen te vormen met behulp van metaaldraad. Het was eenvoudiger dan de voorheen gebruikte bindtechniek, en gaf een aanzienlijk nauwkeurig resultaat.[39] Bonsaikwekers pasten de methode grootschalig toe en het aantal hobbyisten groeide aanzienlijk.[38][40] In de jaren 20 en 30 werden de eerste ijzeren gereedschappen speciaal voor de cultivering van bonsai ontwikkeld.[41]

De eerste grote jaarlijkse bonsaitentoonstelling werd in 1927 gehouden in Tokio.[42] In dezelfde stad werd in het Uenopark voor het eerst de prestigieuze Kokufu-ten-tentoonstelling gehouden in 1934.[43] Tentoonstellingen als deze zorgden net als gedrukte publicaties voor een verdere verbreiding van de bonsaitraditie. In 1940 waren reeds 150 verschillende boomsoorten gecultiveerd als bonsai. Alleen al in Tokio waren ongeveer 300 bonsaiverkopers werkzaam. Elk jaar werden duizenden bonsaistukken geëxporteerd naar het westen en Japanse immigranten hadden de eerste Amerikaanse bonsaikwekerijen en -clubs opgericht.

Na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Deze Japanse witte den, opgekweekt sinds de 17e eeuw, overleefde de atoombom op Hiroshima

Gedurende de Tweede Wereldoorlog in Azië werden verschillende maatregelen getroffen om bonsaibomen tegen het oorlogsgeweld te beschermen. Kyūzō Murata (1902–1991), de verzorger van de keizerlijke bonsaicollectie in Tokio, verborg de bomen samen met die uit kwekerijen in de omgeving. Zo konden enkele exemplaren worden gered tijdens de bombardementen op Tokio.[44] Na de overgave van Japan dat jaar werden in heel het land beschadigde bonsaibomen opgeknapt, een proces dat meer dan tien jaar in beslag nam. Hiertoe behoorden ook bonsais die de atoombom op Hiroshima hadden overleefd.[noot 11] Behalve een groot aantal bonsaiexemplaren waren ook veel kwekerijen verwoest in de oorlog. Hierdoor was het moeilijk om aan jong plantmateriaal te komen. Gedurende de eerste naoorlogse jaren stond de ontwikkeling van bonsai in Japan bijna stil.

Roodbruine Berg; een saikei met een Chinese jeneverbes (Juniperus chinensis) en rodondendrons

In 1963 publiceerde bonsaimeester Toshio Kawamoto zijn Engelstalig werk Bonsai-Saikei, gevolgd door Saikei: Living Landscapes in Miniature in 1967. Deze boeken behandelden de principes van saikei ('aangeplant landschap'), een door Kawamoto ontwikkelde kunstvorm van miniatuurlandschappen, waarbij in tegenstelling tot bonsai meerdere boomsoorten in een werk werden gecombineerd. Hierdoor had het veel overeenkomsten met de Chinese traditie van shuihan penjing. Kawamoto maakte gebruik van veel jong plantmateriaal in zijn saikeistukken. Daar veel oudere bomen tijdens bombardementen waren verwoest, bood Kawamoto een bruikbaar alternatief voor bonsai.[45]

Latere ontwikkelingen zorgden ervoor dat de populariteit van bonsai nieuwe hoogtepunten bereikte, zowel in Japan als in het buitenland. Zo kwam er een grote toename van boeken en tijdschriften over bonsai. Deze werken verschenen in een groot aantal talen, zodat een groeiend aantal niet-Japanners zich kon specialiseren in het trainen van miniatuurbomen.[noot 12] In 1970 verschenen drie nieuwe maandelijkse tijdschriften met bonsai als onderwerp, namelijk Bonsai Sekai, Satsuki Kenkyu en Shizen to Bonsai. In 2016 waren er meer dan 1300 boeken over bonsai beschikbaar in 26 talen,[47] plus enkele tientallen tijdschriften in ruim 13 talen.

OmiyaBonsai 芙蓉園 Fuyo-en Hiroshi Takeyama 001.jpg
Bonsaikwekerij in Kita-ku, een wijk in Saitama die bekend staat om zijn grootschalige productie van bonsais voor de export
Bonsai Osaka-tenmangu01-r.jpg
Bonsaitentoonstelling in de Ōsaka-Temmangū-schrijn te Osaka, 2011

Een andere factor waardoor bonsai wereldwijd toegankelijker werd, was de toename van professionele opleidingen. Aanvankelijk werden opleidingen alleen in Japan gegeven, of in het buitenland door Japanse leraren. Nadat een groep Amerikanen in Tokio een opleiding hadden gevolgd, stichtten zij in 1967 de American Bonsai Society.[48] Dit was een van de eerste opleidingscentra buiten Japan. Steeds meer kwekers maakten studiereizen naar Japan en introduceerden vervolgens de nieuwste bonsaitechnieken en -stijlen in hun thuisland.[49] Tegenwoordig zijn er opleidingscentra verspreid over de wereld gevestigd, alsook leveranciers van jonge bonsaibomen en bijbehorende gereedschappen, potten en andere materialen.[50]

Ook het aantal en omvang van bonsaitentoonstellingen nam in de tweede helft van de 20e eeuw steeds meer toe. Na een pauze van vier jaar werd in 1947 weer de meerdaagse Kokufu-ten-tentoonstelling in Tokio gehouden. Sindsdien heeft de tentoonstelling elk jaar doorgang gevonden.[43] In 1970 werd de Expo 70 gehouden in de Japanse stad Osaka. In deze wereldtentoonstelling werd een grote verscheidenheid aan bonsaibomen en suiseki (fraai gevormde stenen) aan een internationaal publiek getoond. Vijf jaar later werden in Japan twee nieuwe periodieke tentoonstellingen gestart. De eerste, Gafu-ten ('Elegante stijl-tentoonstelling'), stond in het teken van shohin-bonsai: bonsaistukken van 13 tot 25 centimeter hoog. Het tweede evenement was Sakufu-ten ('Creatieve bonsaitentoonstelling'); de eerste tentoonstelling waarbij bonsais werden getoond met vermelding van de naam van de kweker, in plaats van die van de eigenaar.[51] Ook in de daaropvolgende jaren zijn een groot aantal tentoonstellingen in Japan en in Australië, de Verenigde Staten en diverse Europese en Aziatische landen georganiseerd.[52]

In 2016 waren ruim honderdduizend leden verbonden aan zo'n 1500 bonsaiverenigingen. Het aantal hobbyisten die niet aan een vereniging zijn verbonden wordt geschat op meer dan vijf miljoen.[53]

Boomsoorten[bewerken]

Veel soorten die traditioneel als bonsai worden gekweekt, komen buiten Japan niet in de vrije natuur voor. Bovendien worden traditioneel alleen winterharde bomen gebruikt, die hun hele leven buiten worden gehouden in een gematigde klimaat. Wanneer deze bomen lange tijd binnenshuis worden gehouden, zullen ze verzwakken en uiteindelijk dood gaan. Sinds bonsai buiten Japan bekendheid kreeg, werden er alternatieve boomsoorten geïntroduceerd. Een groot aantal planten die een houtachtige stam hebben zijn geschikt.[54]

Soorten met kleine bladeren of korte naalden versterken de illusie van een volgroeid exemplaar en behoren tot de gewildste bonsaibomen.[55] Zo kan een kleinbladige esdoornsoort als de Japanse esdoorn (Acer palmatum) of de drietandesdoorn (Acer buergerianum) de indruk wekken van een grootbladige esdoornboom met normale afmetingen. Jeneverbessoorten (Juniper) zijn taaie planten die geschikt zijn voor ingrijpende technieken als het verwijderen en bleken van de bast. Ook boomsoorten als iepen en wilgen zijn gewild, daar ze dunne takken hebben die relatief eenvoudig te vormen zijn middels metaaldraad.

Ook enkele boomsoorten die in tropische en subtropische klimaten voorkomen kunnen zodanig worden vormgegeven dat ze aan de esthetische normen vab de traditionele bonsai voldoen. Hierbij worden meestal dezelfde kweektechnieken gebruikt.[56] Het voordeel van deze bomen is dat ze ook als kamerplant kunnen worden gehouden.

Stijlen[bewerken]

In de loop van de geschiedenis is een universele canon van bonsaistijlen ontstaan.[57] De meest dominante of in het oog springende stijl die op een bonsai is toegepast, wordt genoemd in een korte beschrijving, zoals in een catalogus. In uitvoeriger beschrijvingen worden daarnaast ook de andere toegepaste stijlen genoemd, de gebruikte boomsoort, het formaat van de bonsai en eventueel het jaartal waarin de boom voor het eerst als bonsai werd getraind.

Reeds in de eerste kweekfasen van een bonsai wordt er gekozen voor de toekomstige stijl. De gekozen boomsoort en zijn uiterlijk heeft invloed op de keuze van de stijl. Een aantal stijlen kan slechts op een beperkt aantal soorten worden toegepast. Elke stijl heeft namelijk richtlijnen voor een correcte vormgeving. Deze zijn voornamelijk bedoeld als leidraad; veel gewaardeerde bonsais voldoen lang niet aan elke stijlregel.

Bonsaistijlen kunnen in een aantal categorieën worden gegroepeerd. Deze behelzen onder andere de oriëntering van de stam, de bewerking van de stam, de vorm en positie van de wortels en het aantal stammen. Sommige bonsaistijlen zijn geïnspireerd op natuurlijke groeiwijzen in de vrije natuur, anderen zijn vooral expressief. Onderstaand overzicht is een selectie van de meest voorkomende stijlen.

Stamoriëntatie[bewerken]

Een groot aantal stijlen hebben betrekking op de richting van de centrale stam. Bij de rechtopstaande stijlen bevindt de top van de stam zich boven de plek waar de bonsai in de grond staat. Hiertoe behoren twee stijlen, chokkan en moyogi, welke het meest worden toegepast.[58] Bij de andere stijlen varieert de positie van de stamtop, van net uit het midden, zoals bij sho-shakan, tot ver naast en onder de stamvoet, zoals bij de kengai-stijlen.

Moerascipres (Taxodium distichum) in de chokkan-stijl
Bonsai streng aufrechte Form.svg

Chokkan (直幹) is de rechtopstaande of formeel opgaande stijl. De stam is geheel recht, staat loodrecht omhoog en loopt naar boven taps toe. De onderste takken, ongeveer op een vierde van de stam, zijn relatief dik en lang. Naar boven toe worden de takken gelijkmatig dunner en korter. De top wordt gevormd door één enkele tak.[59] In de vrije natuur zijn veel bomen op een vergelijkbare manier gevormd, vooral op open stukken waar een boom weinig lichtconcurrentie heeft van andere bomen. Een correct uitgevoerde chokkan-bonsai is symmetrisch gevormd en heeft meestal een kegelvormige bladerkroon.[58] Er moeten bovendien enkele stevige wortels zichtbaar zijn, maar bij voorkeur geen wortels die richting de toeschouwer wijzen.[60]

Bonsai locker aufrechte Form.svg

Moyogi (模様木) is de gebogen opstaande of informeel opgaande stijl. De stam beschrijft een of meer duidelijke bochten, maar de top bevindt zich precies boven de stamvoet. Net als bij chokkan loopt de stam taps toe naar boven.[61] Ook de takken verlopen van dik en lang aan de onderzijde tot kort en dun aan de top. Ter hoogte van de bochten in de stam worden de takken eventueel weggesnoeid of klein gehouden, zodat ze niet te prominent zijn of anderszins afbreuk doen aan het geheel.[62]

Bonsai geneigte Form.svg

Shakan (斜幹), de hellende stijl, is een stijl waarbij een rechte of licht gekromde stam schuin naar links of rechts overhelt, haaks op de kijkrichting.[63] Aan de tegenoverliggende zijde zijn de wortels duidelijk zichtbaar. Gewoonlijk staan de takken evenwijdig met de grond en dus niet loodrecht op de stam.[64] De onderste tak bevindt zich aan de tegenovergestelde zijde van de richting waarin de stam helt.[59] Wanneer de stam slechts weinig uit het lood staat spreekt men van sho-shakan.

Deodarceder (Cedrus deodara) in de han kengai-stijl
Bonsai Kaskaden-Form.svg

Bij kengai (懸崖), oftewel de watervalstijl, bevindt de top van de boom zich lager dan de onderzijde van de pot (zie foto natalpruim). De kengai-vorm is gemodelleerd naar bomen die bijvoorbeeld groeien langs steile rivieroevers of op berghellingen.[65] Om genoeg zonlicht te krijgen groeien zij horizontaler dan gebruikelijk. Sneeuw en vallende rotsen kunnen de takken diep naar beneden buigen. De hoofdtakken komen daardoor lager te hangen dan het aanhechtingspunt. Dit effect kan worden benadrukt door de bonsai in een grote, slanke pot te plaatsen, welke uitsluitend voor deze stijl wordt gebruikt (zie foto vijfbladige wingerd).[noot 13][59]

Bonsai Halbkaskaden-Form.svg

Han-kengai (半懸崖), de half-watervalstijl, is een variant van kengai. De top bevindt zich hier ter hoogte of net onder de rand van de pot.[60][66] Vaak wordt bij deze stijl een opvallende pot gebruikt. Net als kengai is deze stijl ongeschikt voor snel groeiende boomsoorten.

Vorm en positie van de wortels[bewerken]

Enkele bonsaistijlen hebben betrekking op de vorm en positie van het wortelstelsel. Al deze stijlen zijn gebaseerd op natuurlijke groeivormen.

Drietandesdoorn (Acer buergerianum) in de neagari-stijl;
links is de voorkant van de bonsai, gefotografeerd in december, rechts is de achterkant gefotografeerd in augustus
Bonsai Wurzelstamm-Form.svg

Neagari (根上り) is de blootgestelde wortelstijl, waarbij een deel van het wortelstelsel boven de aarde uitsteekt. Soms zijn de wortels zo ver blootgelegd, dat ze tot wel twee derde van het bovengrondse deel uitmaken. De ruimte tussen de blootliggende wortels is altijd leeg.[67] In de natuur treedt dit verschijnsel op wanneer water de aarde rond de boomwortels heeft weggewassen, zoals bij mangroven.

Bonsai über-Felsen-Form.svg

Sekijoju (石上樹) of deshojo (出猩々) is de wortel-over-steenstijl. Hier staat de boom op een steen of kleine rots. Wanneer een boom in de vrije natuur op een rots groeit, groeien de wortels in allerlei richtingen over de rots totdat ze aarde of water bereiken. Hierdoor ontstaan grillige vormen, welke ook worden toegepast bij sekijoju. De wortels mogen elkaar echter niet kruisen. Deze stijl wordt vooral veel toegepast bij jeneverbesplanten en Ficus-soorten.[59]

Bonsai-auf-Felsen-Form.svg

Bij ishizuke of ishitsuki (石付), de klevend-aan-een-rotsstijl, groeit de bonsai uit een kleine rots (zie foto dwergmispel). De wortels zijn verankerd in spleten en holtes en halen hun voedingsstoffen en water uit de aarde uit een holte in de rots. Het wortelstelsel is meestal niet zichtbaar, wel de aanzet van de wortels. In de rots hebben de wortels weinig ruimte en vrijheid om zich te ontwikkelen. De boom heeft daardoor meestal een schraal uiterlijk. Daar de rots als pot fungeert, wordt een ishizuke vaak op een plat blad gepresenteerd.[59]

Meerdere stammen[bewerken]

De meeste bonsais bestaan uit een enkele boom, maar er bestaan meerdere gevestigde bonsaistijlen waarbij meerdere stammen op één wortelstelsel of meerdere afzonderlijke bomen worden toegepast. Deze stijlen kunnen op meerdere manieren worden gecategoriseerd, aan de hand van het aantal stammen, de rangschikking van de stammen en het gebruik van meerstammige of afzonderlijke bomen.[68]

Meerstammige bomen[bewerken]

Buxus microphylla in de sokan-stijl
Bonsai Doppelstamm-Form.svg

Sokan (双幹) is de dubbelstammige stijl, waarbij twee stammen hetzelfde wortelstelsel delen en één stam duidelijk groter en dikker is dan de ander. Meestal raken beide stammen elkaar vlak boven de grond. Vanuit de positie van de kijker dienen de afzonderlijke stammen duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. De dominante stam groeit doorgaans vrijwel of geheel rechtop, terwijl de kleinere stam duidelijk schuin groeit. De takken van beide stammen reiken naar alle richtingen, maar doorgaans niet naar de tegenoverliggende stam.[69] De bladeren van beide stammen vormen vaak één bladerdak.[59]

Bij kabudachi (株立) groeien drie of meer stammen op hetzelfde wortelstelsel (zie foto atlasceder). De stammen hebben altijd een oneven aantal en net als bij sokan raken ze elkaar dicht boven de grond.[70] Bij sankan (三幹) heeft de bonsai drie stammen. De formaten van de stam variëren, waarbij één stam dominant is. De stammen zijn zodanig gepositioneerd dat ze niet in een rechte lijn staan. Hierdoor oogt de bonsai zo natuurlijk mogelijk. De stijlen gokan, nanakan en kyukan staan respectievelijk voor een bonsai met vijf, zeven en negen stammen. Het principe komt overeen met sankan, maar hierbij kunnen ook twee (bij gokan) of meer stammen domineren.[59]

Korabuki, de schildpadstijl, komt overeen met kabudachi, alleen vormen de wortels boven de grond een koepelvorm. Alle stammen groeien bovenop dit wortelstelsel.[71]

Bonsai Floss-Form.svg

Ikadabuki (筏吹き) is de rechte vlotstijl. Het imiteert een natuurlijk fenomeen wanneer op een omgevallen boom vanuit de stam nieuwe uitlopers opschieten. De jonge stammen kunnen zowel rechte als bochtige vormen hebben en groeien soms ook op een begraven deel van de stam. Bij een ikadabuki-bonsai groeien de nieuwe stammen op een rechte stam, en staan derhalve in een relatief rechte lijn. Bij netsunagari (根連なり), ook wel netsuranari genoemd, groeien de stammen op een bochtige moederstam, waardoor ze niet in een rechte lijn staan. Deze stijl wordt dan ook de bochtige vlotstijl genoemd.[72] Bij beide stijlen delen de stammen vaak hetzelfde bladerdak.[59]

Meerdere afzonderlijke bomen[bewerken]

Bonsai Wald-Form.svg
Goshin is een bekende bonsai in de yose ue-stijl, waarbij elf jeneverbesbomen een bos vormen

Yose ue (寄せ植え) is de bosstijl, waarbij een groep afzonderlijke bomen in een pot staan. Het aantal bomen is doorgaans oneven wanneer zij eenvoudig te tellen zijn.[73] De bomen hebben verschillende hoogtes, zodat ze de indruk wekken van bomen van verschillende leeftijden. Er kunnen meerdere technieken worden gebruikt om de suggestie van hoge bomen te wekken. Zo worden kleinere bomen meer achteraan geplaatst, een perspectivische truc om het gezichtspunt lager te doen lijken. De bonsaipot die voor deze stijl gebruikt wordt heeft een lage vorm, zodat de hoogte van de bomen wordt benadrukt. In plaats van een pot wordt ook wel een vlakke steen gebruikt.[74] Een yose ue-bonsai telt altijd maar één boomsoort. Bij meerdere soorten spreekt men van saikei ('aangeplant landschap'), wat als een aparte traditie wordt beschouwd.

Soju betekent letterlijk 'twee-boom' en is een bonsaistijl waarbij twee afzonderlijke bomen in een pot zijn geplaatst. Net als bij sokan is er een dominante, grote boom naast een kleiner exemplaar. Ze kunnen dicht bij elkaar geplaatst zijn, zodat het geheel sterk op de sokan-stijl lijkt, maar ze kunnen ook op geruime afstand van elkaar staan.[75]

De stijlen sambon-yose, gohon-yose, nanahon-yose en kyuhon-yose staan respectievelijk voor drie, vijf, zeven en negen afzonderlijke bomen in een pot. Het heeft andere principes als yose ue, de bosstijl; het telt een klein aantal bomen en er gelden strengere esthetische stijlnormen. Drie of meer bomen mogen niet in eenzelfde lijn staan. De bomen kunnen variëren in stamdikte en hoogte, maar qua proporties, bladdichtheid en andere visuele kenmerken komen ze zoveel mogelijk overeen.[74] Bij sambon-yose is slechts één boom dominant, bij de overige stijlen kunnen dit er meer zijn.

Overige vormen[bewerken]

De bonsaicanon kent een aantal vormstijlen die niet in genoemde categorieën kunnen worden geplaatst. Enkele stijlen zijn gebaseerd op beschouwingen in de natuur, maar deze categorie kent ook een aantal fantasievormen.

De bunjin-gi-stijl dankt zijn naam aan de Chinese literati, die vaak schrale en verwrongen bomen schilderden. Afgebeeld is een hangende rol van Ma Lin (ca. 1180–na 1256) en een Japanse zwarte den.
Bonsai Literaten-Form.svg

Karakteristiek voor bunjin-gi (文人木), de literatistijl, is de vrijwel kale, meestal verwrongen stam met slechts weinig takken[76] en het gebruik van een kleine, ronde bonsaipot. In de natuur komt deze vorm voor wanneer meerdere bomen dicht op elkaar op voedselarme grond groeien. De bomen concurreren met elkaar voor zonlicht en groeien daardoor in grillige vormen de hoogte in. Alleen de top wordt door de zon beschenen, dus alleen daar groeien takken.[59] Het is een verschijnsel dat vaak bij dennen wordt aangetroffen, zoals de grove den. Om de strijd om het bestaan te accentueren, wordt bij de bonsai aan de top soms een jin, of dode tak gevormd.[59] Bunjin-gi is Japans voor 'wenren-boom'. De wenren, oftewel de literati, was een Chinese klasse van geletterde ambtenaren die onder andere bekend zijn om hun shan shui-landschappen. Bomen werden vaak in dezelfde barre condities afgebeeld als die waarop bunjin-gi is gestoeld.

Bonsai windgepeitschte Form.svg

Fukinagashi (吹き流し) is de verwaaide stijl, waarbij de bonsai de indruk wekt alsof hij aan sterke winden uit één richting is blootgesteld (zie foto gladde iep). De stam helt sterk naar de andere kant. De takken groeien vanuit alle zijden van de stam, maar wijzen uiteindelijk in dezelfde richting als de stam.[77] Deze stijl wordt vaak toegepast in combinatie met andere stijlen, zoals moyogi, han-kengai, shakan en de meerstammige stijlen.

Bonsai Bankan-Form.svg

Bankan (蟠幹), de samengerolde stijl, is gebaseerd op de Chinese draak, die in het boeddhisme het geluk symboliseert (zie foto Japanse zwarte den). De stam is vaak sterk gekronkeld en stelt het lichaam van de draak voor, terwijl de takken de ledematen vormen.

Bonsai Besen-Form.svg

Hokidachi (箒立ち), de bezemstijl, wordt veel toegepast bij bomen met een groot aantal dunne takken, zoals wilgen en iepen (zie foto gladde iep). De stam is recht en loopt niet door tot aan de top. De takken steken in alle richtingen uit, met een lengte die gewoonlijk ongeveer een derde van de totale hoogte bedragen. Wanneer de boom in blad staat, vormt de bladerkroon een ronde bal.[78][79]

Bewerking van de bast[bewerken]

Een aantal stijlen betreffen de bewerking van de bast van de stam en takken. Bij deze stijlen wordt meestal bast van de stam en takken verwijderd, waardoor de bonsai een doorleefd en respectabel uiterlijk krijgt.[80]

Juniperus californica in de sharimiki-stijl; een strook van resterende bast loopt via de achterkant naar de naalden

Shari of sharimiki (舎利幹) is de drijfhoutstijl. Een of meer verticale stroken van de bast worden met een mes verwijderd, waarna het onderliggende hout wordt gebleekt. De bonsai stelt zo een boom voor die bloot heeft gestaan aan zon, hevige wind en andere omstandigheden, waardoor de schors is afgesleten en het onderliggend hout door de zon verkleurt. Meestal begint zo'n kale blek vlak boven de wortels, waarna een steeds nauwer wordende strook naar boven groeit.[59] Er wordt altijd minstens een smalle streep levend schors overgelaten, die de bladeren met het wortelstelsel verbindt, zodat het transport van voedingsstoffen en water mogelijk blijft. Deze ingrijpende techniek kan alleen worden toegepast bij de meest geharde boomsoorten, zoals met name jeneverbesstruiken. De kale bast geeft een sterke impressie van een hoge leeftijd, ongeacht de vorm van de boom.[81] Daarom worden bij een bonsai in de sharimiki-stijl de richtlijnen van overige toegepaste stijlen doorgaans minder streng gehandhaafd..

Sabamiki is een stijl waarbij de stam gespleten of hol is. Het weerspiegelt het effect van natuurkrachten als bliksem of andere weersinvloeden.[82] De bast wordt gewoonlijk verwijderd, waarna de holte wordt uitgebeiteld. Deze kan in grootte variëren van een ondiepe scheur tot een diepe boomholte, maar nooit zo diep dat de toevoer van voedingssappen in de boom wordt stopgezet.

Chinese jeneverbes in de bunjin-gi-stijl gecombineerd met de tanuki-stijl

Tanuki (狸) is een bonsaistijl waarbij een levende bonsaiboom wordt gecombineerd met een fraai gevormd stuk doodhout. Vaak heeft deze de vorm van een afgestorven boomstam- of stronk. Eventueel wordt in het doodhout een kerf gemaakt, waarin de levende boom wordt vastgemaakt. Na verloop van tijd zal deze zodanig met het dode hout versmelten dat het één boom lijkt. Het is een techniek die aanzienlijk minder tijd vergt dan sharimiki. De tanuki-stijl wordt in de Japanse traditie echter weinig gewaardeerd en niet tentoongesteld in de formele Japanse tentoonstellingen. Hieraan dankt de stijl dan ook zijn naam tanuki, wat wasbeerhond betekent; in Japan een weinig complimenteuze bijnaam.

Formaatklassen[bewerken]

Shohin-bonsais tentoongesteld op de Gafu-ten 2015

Bij Japanse tentoonstellingen en in catalogussen wordt dikwijls een indicatie van de grootte en het gewicht van een bonsai gegeven. Dit gebeurt middels een systeem van formaatklassen, die slaan op de hoogte en het gewicht van de bonsai en bijbehorende pot.[83]

Bij de grootste formaatklassen wordt het gewicht aangeduid in het aantal handen die nodig zijn om de bonsai te verplaatsen. 'Twee handen' geeft bijvoorbeeld aan dat een bonsai met pot door één persoon kan worden verplaatst, terwijl een bonsai in de klasse hachi-uye wordt verplaatst door 'zes handen', oftewel drie personen.[84]

De grootste formaatklasse vereist 'vier handen'. Deze klasse wordt ook wel 'Keizerlijke bonsai' genoemd, vernoemd naar de enorme bonsais die keizer Meiji in zijn tuinen rond Kokyo liet plaatsen.[85] Bij de kleinste drie formaatklassen, mame, shito en keshitsubo, heeft de bonsai een zeer klein aantal takken en bladeren. Voor de cultivatie van deze miniatuurbonsais bestaan specifieke technieken en stijlen.

Klasse Gewicht Hoogte
Grote bonsais Keizerlijke bonsai Acht handen 152-203 cm
Hachi-uye Zes handen 102-152 cm
Dai of Omono Vier handen 76-122 cm
Middelgrote bonsais Chiu of Chumono Twee handen 41-91 cm
Katade-mochi Eén hand 25-46 cm
Miniatuurbonsais Komono Eén hand 15-25 cm
Shohin Eén hand 13-20 cm
Mame Palmformaat 5-15 cm
Shito Vingertopformaat 5-10 cm
Keshitsubo Maanzaadformaat 3-8 cm

Kweektechnieken[bewerken]

Bonsaigereedschap; van links naar rechts: bladtrimmer, hark met spatel, wortelhaak, borstel van kokosvezels, holle tang, knoptang, draadtang, kleine, middelgrote en grote schaar

Het cultiveren en onderhouden van bonsai is een specialistische tak in de plantenteelt, waarbij specifieke technieken en gereedschappen worden gebruikt.[50] Ook bij andere tuinbouwgenres, zoals topiary en niwaki, worden bomen op artistieke wijze vormgegeven. Maar bij een bonsai heeft de kweker dankzij het kleine formaat meer controle op de vormgeving en kan hij gedetailleerder werken.

De vormgevingsfase van een bonsai wordt ook wel de trainingsfase genoemd. Hierin wordt hij zodanig bewerkt dat de bonsai ondanks zijn geringe hoogte de indruk zal wekken van een volgroeide, statige boom. Om dit binnen relatief korte tijd te realiseren, wordt er zelden begonnen met het opkweken vanuit zaad. Meestal wordt een gedeeltelijk of geheel volgroeide plant gebruikt of een stek zonder littekens, verkregen door het stekken of afleggen van een geschikte boom of struik.

Schematische weergaven van het vormgeven van een den in de moyogi-stijl: 1 en 2: snoei van de centrale loot; 3: de jonge boom wordt in een schuine stand geplant; 4 en 5: na enkele jaren worden ongewenste zijtakken gesnoeid; 6: middels metaaldraad wordt de boom in de gewenste vorm gewikkeld; 7: na enkele jaren worden de naalden aan de onderzijde van de takken gesnoeid en heeft de bonsai zijn beoogde vorm gekregen

Bij de vormgeving zijn een aantal traditionele esthetische normen van toepassing. De kweker bepaalt van te voren de uiteindelijke voorkant en de stijl van de boom. Sommige bonsaistijlen vereisen verwrongen takken en stam. Deze geven de plant een oud en verweerd uiterlijk, een effect dat kan worden versterkt door de bast deels kaal te strippen. Bij de vormgeving van bonsai is het van belang dat het uiteindelijke resultaat geen sporen vertoont van de gebruikte technieken, zoals snoeilittekens of kerven van metaaldraad.

Wanneer een bonsai zijn beoogde uiterlijk heeft gekregen is de trainingsfase afgerond en wordt hij in een sierpot geplaatst. De boom zal echter zijn vorm weer verliezen als hij niet periodiek wordt bijgehouden. Net als alle bomen in gematigde naald- en loofbossen veranderd een bonsai gedurende de seizoenen. Vanaf de lente maakt hij onder invloed van zonlicht nieuw weefsel aan, waardoor het wortelstelsel en de bladerkroon zich zal uitbreiden. Veel technieken die worden gebruikt bij de totstandkoming worden daarom ook later met enige regelmaat opnieuw gebruikt.

Snoeien[bewerken]

Bij deze Chinese jeneverbes in de moyogi-stijl zijn de naalden zodanig gesnoeid dat er groepjes aan de bovenzijde van de takken overblijven

Snoeien is de meest gebruikte techniek bij zowel de ontwikkeling als het onderhoud van een bonsai. De boom dient zodanig te worden gesnoeid dat er hoogstens ondiepe wonden zichtbaar blijven. Wanneer een litteken op de juiste manier wordt behandeld, zal er nieuwe bast over de plek groeien zonder zichtbare sporen achter te laten.

Ingrijpend snoeien is essentieel voor de vormgeving. Dankzij het snoeien van de stam, de takken en de wortels verkrijgt een bonsai zijn kleine formaat met de juiste verhoudingen. Door het bovenste gedeelte van de stam te verwijderen krijgt de boom een naar verhouding dikkere stam en een compacter uiterlijk. Naar gelang de wensen van de kweker worden takken geheel verwijderd of voor een deel ingekort. Ook na de trainingsfase blijft snoeien van belang, wil de bonsai zijn vorm niet verliezen.

Bij diverse bonsaistijlen dienen de takken van de boom goed zichtbaar te blijven onder clusters van bladeren of naalden. Om dit te bereiken worden bladeren, naalden of knoppen die aan de onderzijde van de takken groeien weggesnoeid. Bij veel naaldbomen groeien de naalden verspreid over de gehele tak, zodat ze tot aan de stam moeten worden verwijderd.

Metaaldraad en klemmen[bewerken]

Een watercipres (Metasequoia glyptostroboides) wordt middels metaaldraad vormgegeven

Draad gemaakt van koper of aluminium kan worden gebruikt om een bonsai in de gewenste vorm te laten groeien en kleine takken en bladeren in de juiste richting te dwingen. Deze methode kan niet worden toegepast bij plantensoorten met broze of stijve takken of soorten die onvoldoende lignine aanmaken; de stof die de plantendelen doet verhouten.

Het draad wordt om jonge takken of scheuten gewikkeld, zodat deze in de juiste vorm kunnen verhouten. De tijd die hiervoor nodig is hangt af van het type plant. Bij de meeste loofbomen is dit zes tot negen maanden, maar bij naaldbomen kan dit enkele jaren duren.

Een alternatieve methode voor het vormen van stam en takken is het gebruik van klemmen. Deze kunnen een grotere kracht uitoefenen dan metaaldraad. Klemmen worden daarom vooral toegepast bij grotere bonsais of bij soorten met onbuigzamer hout. Om schade aan de boom te voorkomen, worden de klemmen over een lange periode stukje bij beetje aangedraaid, een proces dat soms jaren duurt.

Enting[bewerken]

Bij het kweken van bonsai wordt het Enten van plantendelen voor twee doeleinden gebruikt. Het kan worden gebruikt om een bonsai vorm te geven. Hiervoor worden knoppen, takken of wortels geënt op een voor dit doel behandeld gebied onder de schors van de boom.[86][87] Sommige boomsoorten kunnen niet op hun eigen wortelstelsel als bonsai gedijen en worden daarom geënt op het wortelstelsel van een taaiere soort. Voorbeelden zijn populaire soorten als de Japanse esdoorn (Acer palmatum) en de Japanse zwarte den (Pinus thunbergii).[88]

Simulatie van dood hout[bewerken]

Deze Chinese jeneverbes heeft een vrijwel kale stam (shari) en enkele ontschorste takken (jin)

Door de bast van een bonsai te ontdoen van zijn schors, wordt de indruk van dood hout gewekt. Hierdoor krijgt de boom niet alleen een ouder uiterlijk, maar wekt hij bovendien de indruk dat hij beproevingen heeft doorstaan als ziekte, storm of blikseminslag. De bedoeling is de bonsai een eerbiedwaardiger uiterlijk te geven.

Veel toegepaste technieken zijn jin en shari. Bij jin wordt de schors van een tak geheel verwijderd, zodat deze dood lijkt. Shari is een techniek waarbij schors gedeeltelijk van de stam wordt getrokken. Zo wordt bijvoorbeeld de indruk gewekt dat de boom is getroffen door de bliksem of beschadigd is tijdens een hevige storm.

Soms wordt de blootgelegde stam verder behandelt. Zo kan de oppervlakte van het hout worden opgeruwd of ingekerfd. Chemicaliën als kalkzwavel worden toegepast om het hout te bleken en tegelijk duurzamer te maken.[89]

Esthetica[bewerken]

In de loop der tijd zijn er een groot aantal normen en richtlijnen ontwikkeld voor het vormgeven van bonsai. Reeds vroeg in de geschiedenis van bonsai resulteerde de invloed van het zen-boeddhisme in een soberder uitstraling in vergelijking tot het Chinese penjing. Deze trend ontwikkelde zich verder door de invloed van wabi sabi,[89] die ook zijn wortels heeft in het boeddhisme. Deze wereldbeschouwing houdt niet alleen het streven naar spaarzaamheid en eenvoud in, maar ook de waardering van de schoonheid van imperfectie en vergankelijkheid.[90] In het uiterlijk van een bonsai uit zich dit onder andere in knoestige en holle stammen, kronkelende en kale takken en het gebruik van dood hout.[noot 14]

De ontwikkelde schoonheidsleer heeft ervoor gezorgd dat een correct uitgevoerde bonsai eenvoudig als zodanig is te herkennen. De canon van bonsaistijlen geldt vooral als een soepele richtlijn bij het vormgeven, maar de esthetische normen zijn essentieel voor een correcte uitvoering in de bonsaitraditie.

Proporties[bewerken]

Deze appelboom heeft dankzij het kleine formaat buitenproportionele vruchten

Het voornaamste doel van de bonsaischoonheidsleer is het kweken van een goed geproportioneerde en ogenschijnlijk volgroeide boom, die klein genoeg is om in een pot te houden. Veel bonsaistijlen zijn gebaseerd op natuurlijke groeivormen, maar toch zijn er verschillen. De kweker manipuleert de boom zodanig, dat de beoogde leeftijd wordt verbetert of overdreven. Ook bepaalt hij de 'voorkant' van de boom, de zijde die naar de toeschouwer wordt gericht. Aan de achterzijde heeft een bonsai vrijwel hetzelfde silhouet, maar de stam en takken kunnen hier vaak vreemd en rommelig aandoen.

De stam, takken en bladeren of naalden moeten tezamen de bonsai het uiterlijk geven van een boom van normaal formaat. Te grote bladeren werken bevreemdend en zijn in de bonsaitraditie ongewenst, net als bijvoorbeeld een dunne stam met dikke takken. Uitzonderingen op deze norm zijn de vruchten en bloeiwijzen die een bonsaiboom periodiek draagt

Takken die afbreuk doen aan de balans
Branches to cut to obtain a bonsai (crop).jpg
  1. takken te laag op de stam
  2. kruisende takken
  3. tegenoverliggende takken
  4. Y-vormige takken
  5. takken binnen een bocht van de stam
  6. V-vormige takken
  7. takken die de stam kruisen
  8. naar de bodem wijzende takken
  9. opgerichte takken aan de top (niet bij alle stijlen)

Visuele balans[bewerken]

Visuele balans kan worden bereikt door het manipuleren van de stam, takken, bladerdek en wortels. Ook de lege ruimtes tussen takken en bladergroepen dienen in balans te zijn met de boom. Dit wordt onder andere bereikt door bladsnoei en het kweken van kronkelende takken. Takken die naar beneden wijzen of takken die zichtbaar de bast of andere takken kruisen worden ook verwijderd. De achtergrond van een bonsai is door deze lege ruimtes meestal goed te zien, ook wanneer de bonsai in blad staat.

De diverse bonsaistijlen kunnen worden onderverdeeld in de categorieën statische en dynamische balans. Een bonsai met een statische visuele balans heeft symmetrische vormen, wat resulteert in een stabiele, rustige indruk. Dit is kenmerkend voor de chokkan-stijl. De meeste stijlen hebben juist een dynamische balans. Dit wordt bijvoorbeeld bereikt door asymmetrie en door boomvormen die instabiliteit of beweging suggereren, zoals de kengai-stijl en de fukinagashi-stijl.

Asymmetrie[bewerken]

De bonsaischoonheidsleer ontmoedigt symmetrische vormen in de positie van takken en wortels, zowel radiaal als bilateraal. Asymmetrie zorgt er niet alleen voor dat een bonsai natuurlijk aandoet, maar beantwoordt ook aan de principes van wabi sabi.

Gewoonlijk heeft de achterzijde en zijkanten van een bonsai meer takken dan de voorzijde, waardoor radiale symmetrie wordt doorbroken. Bilaterale symmetrie wordt voorkomen door het snoeien van tegenoverliggende takken. Ook het terugsnoeien van takken van dezelfde lengte zorgt voor een asymmetrische indruk.

Bij meerstammige stijlen zijn de afzonderlijke stammen meestal zodanig gegroepeerd dat ze asymmetrisch staan en bovendien niet in een rechte lijn.

Geen sporen van de kunstenaar[bewerken]

Ongewenste sporen van metaaldraad in een dennenbonsai

Een bonsai mag geen sporen tonen van de toegepaste kweektechnieken. Een gesnoeide tak mag bijvoorbeeld geen zichtbaar litteken achterlaten, zeker niet aan de voorzijde van de bonsai. Pas nadat het litteken geheel is bedekt met bast of schors wordt een exemplaar tentoongesteld. Een afgebroken tak kan echter juist een meerwaarde hebben doordat het de indruk kan wekken dat de boom door rukwinden of blikseminslag is getroffen. Ook ingegroeide metaaldraad mag niet zichtbaar zijn, net zoals gemaakte afdrukken of vergroeiingen in het hout.[89]

Opstelling[bewerken]

De voornaamste doelen van bonsai zijn de voldoening van vindingrijkheid en inspanning voor de kweker en de contemplatie voor de toeschouwer.[89] Een op de juiste manier gekweekte bonsais kan van verschillende gezichtspunten worden bewonderd. Het heeft, net als veel beeldhouwwerken, een door de kunstenaar bepaalde voor- en achterkant. De voorkant is de zijde waarbij de belangrijkste kenmerken volgens de kweker het voordeligst uitkomen.

Bij een opstelling worden een of meer bonsais gewoonlijk met de voorkant richting de toeschouwer geplaatst. De hoogte van de opstelling en de afstand tot het kijkpunt dienen een indruk te geven een volwassen boom, gezien vanaf een afstand. Een bonsai die op enige afstand van een bank is geplaatst, kan relatief laag worden opgesteld. In een tentoonstelling worden bonsais meestal hoger geplaatst, daar de toeschouwer gewoonlijk dichter op de bonsai staat.[noot 15] Volgens de schrijver Peter Adams moet een bonsaiopstelling aan de volgende criteria voldoen:

Aanhalingsteken openen

Op de juiste hoogte, in afzondering, tegen een vlakke achtergrond, verstoken van alle overbodigheden als etiketten en lelijke kleine accessoires.
"... at the right height; in isolation; against a plain background, devoid of all redundancies such as labels and vulgar little accessories."

Aanhalingsteken sluiten
Peter D. Adams, The Art of Bonsai[88]

Traditioneel wordt een bonsai vrijwel het gehele jaar door buiten geplaatst. De boom is afhankelijk van allerlei factoren, zoals zonlicht, water en beschutting tegen hevige wind en neerslag. De opstelling buiten is daarom vooral praktisch en meestal sober ingericht. Binnenshuis wordt een bonsai gewoonlijk in een tokonoma geplaatst. De meeste boomsoorten zijn slecht bestand tegen een lang verblijf binnenshuis en worden gewoonlijk al na enkele dagen weer in de buitenopstelling geplaatst.

Potten[bewerken]

Verschillende bonsaipotten

Een bonsaipot kan verschillende vormen hebben. De onderzijde van de pot bevat gaten voor de afwatering, die zijn bedekt met gaas. Zo blijft de aarde in de pot en kunnen er via de onderzijde geen ongedierte naar binnen klimmen. De zijden van de pot staan bij voorkeur recht omhoog of schuin naar buiten. Zo kan de bonsai er eenvoudig uit worden getild wanneer de kweker aan de wortels wil werken.

Voor de pot die tijdens de trainingsfase wordt gebruikt bestaan geen esthetische richtlijnen. Er zijn verschillende formaten, materialen en vormen mogelijk. Meerdere bonsaibomen kunnen worden gehuisvest in een grote bak. Deze kunnen veel potgrond per boom bevatten, zodat wortelgroei kan worden bevorderd. Een trainingspot bevat slechts één boom. Deze bevat meestal minder potgrond, zodat het wortelstelsel kan worden aangepast aan zijn uiteindelijke vorm.

Wanneer een bonsai gereed is, wordt hij in een sierpot geplaatst, meestal gemaakt van aardewerk. De vorm, kleur en formaat van de pot wordt gewoonlijk afgestemd op de stijl van de boom, alsook de hoogte en de dikte van de stam. De pot fungeert als een omlijsting van de bonsai, net als een schilderijlijst voor een schilderwerk.

Voor de meeste stijlen wordt een onopvallende, lage pot gebruikt. Formeel vormgegeven bonsais, zoals die in de chokkan-stijl, worden meestal geplaatst in een rechthoekige pot met rechte zijden en scherpe hoeken. Ovale of ronde potten worden daarentegen gebruikt voor de informelere stijlen. Voor coniferen is een ongeglazuurde pot gebruikelijk, terwijl loofbomen meestal in geglazuurde potten worden tentoongesteld.

Een kengai-bonsai van een vijfbladige wingerd (Parthenocissus quinquefolia) in een extra hoge pot

Enkele alternatieve potten worden alleen voor specifieke stijlen gebruikt. Bonsais in de kengai en han kengai-stijl worden gewoonlijk in potten geplaatst die de hangende vorm benadrukken. Voor een kengai-bonsai wordt ook een extra hoge pot gebruikt, zodat de takken vanaf grote hoogte vrij naar beneden kunnen hangen. Complex vormgegeven bonsais, zoals die in de yose ue-stijl, worden vaak op een platte bak of een vlakke steen geplaatst, zodat er zo min mogelijk afleiding bestaat (zie foto atlasceder). Hierdoor vormt de aarde meestal een vlakke heuvel. Ook een ishizuke-bonsai wordt vaak op een vergelijkbare ondergrond geplaatst, daar de aarde bij deze stijl zich in een rots bevindt.

De stijl van de pot hangt ook sterk af van de plaats van herkomst en de periode waarin het is gemaakt. Sommige antieke potten zijn zeer gewild bij bonsaikwekers en verzamelaars, zoals die uit plaatsen als Tokoname in Japan of Yixing in China.[noot 16][26][91]

Toontafel[bewerken]

Een veelgebruikt attribuut voor een bonsaiopstelling is de toontafel, meestal gemaakt van een donkere houtsoort en afgewerkt met een donkere, egale laklaag.[92] Deze tafel dient om de bonsai hoger te plaatsen dan de ondergrond. Zo wordt de bonsai niet alleen in het middelpunt gezet, maar kan ook het gezichtspunt worden verbeterd. Het uiterlijk en formaat van de tafel wordt afgestemd op de bonsai en zijn pot, maar zonder teveel de aandacht te trekken. Doorgaans is het blad een derde groter dan de pot.[93]

Net als het geval is bij de pot, heeft de toegepaste bonsaistijl invloed op het uiterlijk van de tafel. Voor de meeste stijlen wordt een lage toontafel gebruikt met een rechthoekig blad. Kengai en han kengai-bonsais worden daarentegen meestal op hoge tafels met ronde of vierkante bladen geplaatst.[92][93] Voor de kleine shohin-bonsais bestaan speciale constructies, waarbij meerdere exemplaren op verschillende hoogtes kunnen worden getoond (zie foto shohin-bonsais).

Een algemeen principe in de schoonheidsleer van bonsai is het gebruik van asymmetrische vormen en opstellingen. De toontafel is echter meestal symmetrisch van vorm. Ook de pot wordt in het midden van de tafel geplaatst, zodat de twee een symmetrisch geheel vormen.[92] De visuele balans wordt bereikt door de vorm en plaatsing van de bonsai en de bijbehorende pot. De tafel speelt hierin geen rol en dient daarom zo weinig aandacht te trekken. In een tokonoma wordt de tafel traditioneel nooit in het midden geplaatst.

Overige attributen[bewerken]

Binnenopstelling van een Chinese iep op een toontafel, met een hartlelie-shitakusa en een bamboeschildering op hangende rol

Bij een opstelling kunnen attributen worden gebruikt, die samen met de bonsai een harmonieus geheel vormen. Met uitzondering van de pot op de toontafel worden deze asymmetrisch opgesteld. Naast of schuin voor de bonsai kan een shitakusa worden geplaatst, een gezelschapsplant die speciaal voor bonsaiopstellingen bedoeld is.[94] Voor de shitakusa worden onder andere mos, gras, korstmos, kleine bloemen, bamboe of bolgewassen gebruikt. Deze worden in een kleine pot geplaatst of op een stuk drijfhout of een steen. De grootte van de shitakusa wordt afgestemd op het formaat van de bonsai en, indien aanwezig, de toontafel.

Bij een binnenopstelling worden vaak meerdere attributen asymmetrisch opgesteld, die samen met de bonsai het beeld van een landschap oproepen. Deze worden zodanig geselecteerd dat ze elkaar aanvullen en eventueel de sfeer van een bepaald seizoen oproepen.[95] Een hangende rol vertegenwoordigt de achtergrond. Naast of schuin voor de bonsai dient een kleiner object als voorgrond. Vaak wordt hiervoor een shitakusa gebruikt, maar ook andere objecten die in de natuurlijke setting passen zijn geschikt, zoals een suiseki. Dit is een fraaie steen die op natuurlijke wijze is gevormd of gebeeldhouwd en ook apart kan worden tentoongesteld.