Boomwurger

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Boomwurger
Celastrus orbiculatus in een boom
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (Planten)
Stam:Embryophyta (Landplanten)
Klasse:Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade:Bedektzadigen
Clade:'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade:Fabiden
Orde:Celastrales
Familie:Celastraceae (Kardinaalsmutsfamilie)
Geslacht
Celastrus
L. (1753)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Boomwurger op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Boomwurger (botanische naam: Celastrus) is een geslacht uit de kardinaalsmutsfamilie (Celastraceae), dat ongeveer 30-40 soorten van snelgroeiende klimplanten omvat. Het geslacht heeft een groot verspreidingsgebied in Oost-Azië, Oceanië, Amerika en Madagaskar, waar het voorkomt in bossen in een tropisch tot gematigd klimaat. Veruit de grootste diversiteit bestaat in Oost-Azië, alleen in China zijn er 16 endemische soorten.[1] Het geslacht werd beschreven door Carl Linnaeus en gepubliceerd in zijn boek Species plantarum uit 1753.[2] De door hem gekozen geslachtsnaam Celastrus was al voor Linnaeus in gebruik voor verschillende groenblijvende soorten en is afgeleid van het Griekse kelastra (groenblijvende boom).[3]

In België en Nederland zijn er hoofdzakelijk twee soorten als sierplanten in de handel, de Aziatische (rondbladige) boomwurger (C. orbiculatus) en de Amerikaanse boomwurger (Celastrus scandens). De oorspronkelijk uit Oost-Azië afkomstige Aziatische boomwurger wordt in de Verenigde Staten en Nieuw-Zeeland als een invasieve exoot beschouwd. In Nederland zijn ook ettelijke malen exemplaren van deze boomwurgersoort verwilderd aangetroffen en voorzichtshalve verwijderd.[4][5]

Beschrijving[bewerken | brontekst bewerken]

Boomwurgers zijn bladverliezende, zelden groenblijvende, slingerplanten die zich om de stam en de takken van bomen winden. Door de secundaire diktegroei van de stengels kunnen de vaten in de bast van de boom afgeknepen worden, waardoor een boom geheel of gedeeltelijk kan afsterven.

De verschillende soorten hebben ronde of hoekige takken die bedekt zijn met talrijke langwerpige of ronde, lichtkleurige kurkporiën. De bladeren zijn afwisselend geplaatst en typisch 5-20 cm lang. De steunblaadjes zijn klein, lijnvormig en vallen vroeg af. Het blad is meestal eivormig, behaard of kaal met een gave, gezaagde of gekartelde bladrand. Bij de meeste soorten wordt het blad in de herfst geel.

De meestal eenslachtige bloemen zijn klein, wit, roze of groenachtig en de bloeiwijze is pluimvormig. De vrouwelijke exemplaren krijgen gelige vruchten. De vrucht is een ongeveer bolvormige, zelden langwerpige, leerachtige doosvrucht met een doorsnee van 8 tot 10 millimeter, die na rijping met drie kleppen openspringt en waarbij één tot zes zaden tevoorschijn komen. De zaden zijn elliptisch, rijk aan eiwitten en bijna volledig omsloten door een vlezige, rood- oranje- of geelkleurige zaadmantel. Ze worden door vogels gegeten, die de zaden na vertering uitscheiden waardoor deze verspreid worden. Voor mensen zijn ze giftig.

Soorten[bewerken | brontekst bewerken]

Het geslacht omvat 38 geaccepteerde soorten, die navolgend met auteursaanduiding en verspreidingsgebied zijn opgesomd:[6]

Afbeeldingen[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Celastrus van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.