Carel Bel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Carel Bel, ca 1944/1945

Carel Bel (Ambt Doetinchem, 29 mei 1903 - Enschede, 19 mei 1981) was een klompenmaker in Boekelo en verzetsman in de Tweede Wereldoorlog.

Eerste jaren in Boekelo[bewerken | brontekst bewerken]

Carel Bel werd in 1903 geboren te Ambt Doetinchem (later Doetinchem) als zoon van Herman Bel (1874-1956), kleermaker en Willemina Grada (Mina) Dierssen (1878-1955) z.b.[1]

Carel leerde het klompenmakersvak, "met de hand", bij Hendrik Ebbers van de "Bosboom" te Doetinchem. Op tweede Pinksterdag in het jaar 1927 fietste Carel vanuit Doetinchem via Borculo en Haaksbergen naar Boekelo, waar nog geen klompenmaker gevestigd was. Hij bouwde daarna met zijn broer Evert een werkplaats aan de Windmolenweg 51 tegenover de Landbouwbank en de Coöperatieve Melkinrichting. Carel vestigde zich officieel op 2 oktober 1928 te Boekelo, Gem. Lonneker (op 1 mei 1934 werd dit Gem. Enschede), aan de Windmolenweg 51 met een eigen Klompenmakerij. Hier maakte hij gemiddeld vijf paar klompen per dag, zonder hulp van machines. Hij was in die tijd in de kost bij de familie Harwich, op nr. 50, schuin tegenover de werkplaats. Hij trouwde op 4 maart 1932 te Doetinchem met Grada Ebbers, zij was dienstbode in Doetinchem-Stad, bij de familie Sachtleven (Groothandel in graan en zaden). Ze hadden elkaar leren kennen op de zangvereniging. Grada Wilhelmina (Grada) Ebbers 1902-1953 was een dochter van Bernard Ebbers 1868-1946, kleermaker / boer en Grada Willemina (Gerritjen) Bulten 1876-1953 z.b. Na het huwelijk op 4 maart 1932 te Doetinchem gingen zij aan de overzijde van de werkplaats wonen op de Windmolenweg 34. Hier werden de vier kinderen Harry, Willemien, Ben en Carel geboren en groeiden er op.

Oorlogsjaren[bewerken | brontekst bewerken]

In de oorlog 1940-'45 zat Carel in het verzet, hij had vanaf het begin van de oorlog nauwe contacten met Gerhard Hannink (aannemer te Usselo) die op zijn beurt weer in verbinding stond met de groep rond ds. Leendert Overduin[2][3] in Enschede. Zo wist hij ook van een wapendropping door geallieerde vliegtuigen in de buurt en hielp hij met het verstoppen van die wapens in Boekelo, bij Gerard Kamp, die achter de klompenmakerij van Carel een bedrijf in bouwmaterialen had. Overigens heeft Carel nooit deelgenomen aan gewapende verzetsacties. Carel kreeg contact met Duits-Joodse vluchtelingen, die bij Enschede de grens waren overgekomen sinds 1934 en vooral eind 1938, na de Kristallnacht. Zij waren na hun vlucht naar Nederland oorspronkelijk gehuisvest in de buurt van de Gasfabriek in Enschede, waarna later een Joodse textielfabrikant (Sigmund Menco) een villa in Twekkelo ter beschikking stelde (Haimers's Esch aan de toenmalige Strootsweg, waar van 1938 tot 1942 het opleidingsinstituut Hachsjara[4] - geschiktmaking - was gevestigd).[5] Het ging om een groep van 40 tot 60 jonge mensen. In deze tijd woonden en werkten zij in de omgeving bij o.a. landbouwers; van één Joodse vluchteling (Manfred Strauss) is bekend dat deze bij de smid in Boekelo (Sachse) in opleiding was.[6] Ook volgden zij een opleiding als "Palestinapioniers".[7] Eind 1942, begin 1943 werd de vervolging van de Joden door de Duitsers opgeschroefd. Een 14 tal Joodse jongens die in Haimer's Esch zaten, doken onder in een gat in de grond in de omgeving van Hof te Boekelo (omgeving Molenveld). De jonge mannen kochten regelmatig klompen bij Carel Bel (ze werkten bij landbouwers in de buurt), Carel was op de hoogte van het feit dat ze ondergedoken zaten. Ook zat in huize Bel sinds eind 1942, begin 1943 een jong Joods meisje van vier jaar (Carry - Carolientje - de Vries uit Neede) ondergedoken. Haar vader was slager in Neede en kende daardoor veel mensen. Voor haar komst naar Boekelo, had ze in Wierden en Enter ondergedoken gezeten. Ze was zogenaamd een dochter van familie uit Rotterdam, waar het huis van was gebombadeerd.

Toen de Duitsers lucht kregen van de schuilplaatsen van de Joodse mannen en meer gingen patrouilleren, werd het te gevaarlijk voor ze om daar te blijven. Een groot aantal dook onder in een kippenhok bij een boerderij in de omgeving van de Boekelerhof. Vier van deze Duits-Joodse Palestinapioniers (Max Flaksbaum, Alfred Heijmann, Siegfried Lehmann en Abraham Bernhard Winzelberg), vonden eind 1942, begin 1943 een onderduikadres op de zolder van de werkplaats van Carel. Door verraad werd Carel met de vier jongens van begin twintig jaar oud, op woensdag 10-11-1943 om circa 07.45 uur opgepakt. Op die ochtend, kwam Jan van Limburg (een bekende Jodenjager in Enschede, ook wel "Jan met de Kappen" genoemd) het huis van Carel binnen. De kinderen Bel en Carry waren boven op de slaapkamer aan het spelen, toen de oudste van de kinderen Bel Jan van Limburg hoorde vragen of er Joden in huis waren. Carry werd snel onder de dekens verstopt. Toen Jan met de Kappen achter de slaapkamerdeur keek en vroeg of ze met zijn vieren waren, riepen de kinderen Bel in koor: "Ja".

Helaas werden de vier jonge mannen die boven de klompenmakerij ondergedoken zaten, wel gevonden. Zij werden door een zestal agenten gearresteerd en samen met Carel gedwongen in te stappen in een politiebus. Carry werd intussen door Grada via de achtertuin ondergebracht bij de buren, waarna ze dezelfde dag nog achter op de fiets door Dinie Hannink (toen 15 jaar oud), naar Lida Kempkes in Haaksberen werd gebracht. Kort daarna is ze naar een adres in Enschede gebracht, bij de familie Weldink. Hier heeft ze het restant van de oorlog doorgebracht, waarbij ze later op dat adres herenigd werd met haar tweelingzusje Mary. Carel kreeg 6 maanden kamp Amersfoort (onder kampnummer P.D.A. 3226)[8] en overleefde dit. In mei 1944 kwam hij weer vrij, was ernstig verzwakt, kaalgeschoren en ziek als gevolg van Hongeroedeem. De vier jongens werden allen door de Duitsers vermoord, onder andere in Flossenbürg en Auschwitz. Het Joodse meisje Carry overleefde de oorlog, evenals haar familie: een jongere broer, tweelingzus, oudere zus en ouders. De kinderen Bel hadden geen weet van de Joodse jongens die ondergedoken zaten. Na de oorlog hoorden ze dat 's avonds wanneer het donker was, de jongens een luik konden openen en een ladder naar beneden konden schuiven om zo wat in het bos achter de werkplaats te kunnen lopen. Grada bracht de jongens het eten in een mand, waarbij het eten verstopt was onder aanmaakhoutjes die op een stapel naast de werkplaats opgestapeld lagen.[9]

Carel bleek verraden door een jachtopziener (Klaas Albertus Johannes Buring, geboren te Stad-Hardenberg, 25 sept. 1902) uit Driene, die eerder ook opgepakt was door de Duitsers. Uit de verklaringen van "Jan met de Kappen", over de arrestatie van "BEL" komt de naam van de tipgever over het onderduikadres naar voren. Deze had als tegenprestatie voor het terugontvangen van een in beslag genomen jachtgeweer en een radio, de tip gegeven maar eens bij de klompenmaker Bel in Boekelo te gaan kijken naar ondergedoken Joden. Hij was ook op 9 sept 1943 door Jan van Limburg gearresteerd (twee maanden voor Carel Bel), vanwege het onderduiken van een Joodse student bij hem thuis met een vals persoonsbewijs.[10]

Carel en Grada hadden hier niets van geleerd. Tijdens het verblijf van Carel in het kamp, waren er ook onderduikers (Henk ? uit Velp en Gerrit Meerdink uit Rotterdam) die de tewerkstelling in Duitsland ontvluchtten en hielpen bij de verkoop van klompen van Bel en repareerden versleten klompen door verzoling, zodat er toch nog wat inkomen was. Gerrit was ± 30 jaar en kwam uit Rotterdam, was gehuwd, zoon van de tuinman van het kasteel te Ruurlo en vriend van Bertus Ebbers, een jongere broer van Grada. Hij was werkzaam geweest als butler op dit kasteel. Ook was er in de zomer van 1944 een koerierster in huis, Bep Snabel, uit Arnhem. Zij onderhield contacten tussen de verschillende onderduikgroepen rondom Enschede. Na de oorlog vertrok Bep naar Australië. De laatste oorlogswinter 1944/45 vond een Joods echtpaar, Simon van der Horst en zijn vrouw uit Steenwijk/Enschede, een onderdak thuis op de zolder. Simon bewoog zich betrekkelijk vrij in de omgeving van Boekelo, vanwege een vals Persoonsbewijs onder de naam van Johannes Hessels.

Eind januari 1945,[11] werd de Canadese piloot, Milton Eardley Jowsey (geboren 21 mei 1922) uit Ontario, in zijn jachtvliegtuig neergeschoten vlak over de Duitse grens, in de buurt van Ahaus. Milton was op zijn vlucht voor de Duitsers terechtgekomen bij een zomerhuisje in Buurse, waar een Duitse vrouw bleek te wonen (Emmy Baaker) en waar hij 3-4 dagen verbleef. Zij wist dat Carel te vertrouwen was vanwege zijn gevangenschap in Kamp Amersfoort. Carel is met twee fietsen naar Buurse gefietst en samen zijn ze van Buurse naar Boekelo (ca. 10km) binnendoor door de bossen en met onderlinge afstand van ca. 40 meter terug gefietst. Milton, die nog nooit had gefietst, heeft bij die gelegenheid snel leren fietsen, heeft ook hele stukken van de tocht gerend. Hij werd ondergebracht bij de familie (Gerard) Kamp op No 49 (achter de klompenmakerij). De piloot Milton Jowsey zat tot de bevrijding van Boekelo op 1 april ondergedoken bij de familie Kamp en heeft (samen met zijn vrouw Mary) nog lang contact gehouden met de families Bel en Kamp.[12]

Na de oorlog[bewerken | brontekst bewerken]

Carel en Grada Bel braken na de bevrijding vrij snel met de “zogenaamde verzetsmensen”. Het ontdoen van haren bij jonge vrouwen die omgang hadden met Duitse soldaten, was voor hen een stap te ver. Ook omdat ze al snel hoorden hoe sommige (zelfbenoemde) verzetsmensen zich te buiten ging door ‘spullen’ van deze mensen af te nemen voor eigen gebruik en voor eigen rechter speelden. Dit was een gruwel in hun ogen, waar zij zich verre van hielden. Na de oorlog kreeg Carel een eenmalige uitkering als compensatie voor het door hem geleden leed van de stichting 1940-1945. Hier kon hij een bromfiets van kopen. Tegenover zijn kinderen heeft Carel zich na de oorlog zeer weinig uitgelaten over de oorlog. Wel liet hij zich eens ontvallen dat veel NSB’ers in zijn ogen uit domheid of uit angst lid waren geworden. Aan de oprichting van een vereniging van oud-verzetsmensen wilde Carel (noch Jan van der Veen, een andere verzetsman uit Boekelo van de groep 'ds. Leendert Overduin') niet deelnemen. Argument van hen was, dat men elkaar dan zaken die in de oorlog mis waren gegaan kon gaan verwijten, omdat er soms slachtoffers gevallen waren door minder moedig gedrag van verzetsmensen. Teleurstelling was er bij Carel ook over de vrij snel naar voren komende politieke verschillen in Nederland. De samenwerking, maar vooral de saamhorigheid die Carel in de oorlog had ondervonden, zonder om te zien naar religie of afkomst was geweldig geweest en dat miste hij als verzetsman. Zijn hoop dat dit na de oorlog zou worden opgepakt door de politiek verantwoordelijke bestuurders bleek ijdel te zijn. Hij bleef de politieke ontwikkelingen wel volgen maar hield zich buiten deze discussies. Carel en Grada zijn altijd zeer bescheiden geweest over hun bijdrage aan het verzet. Ze vonden het vanzelfsprekend vanuit hun overtuiging 'het juiste te doen'. Pas sinds begin 21ste eeuw komt er voor een breder publiek meer licht op hun bijdrage aan het verzet en wordt hier meer ruchtbaarheid aan gegeven, niet in de laatste plaats doordat getuigenissen van de laatste nog levende getuigen gedeeld worden.[13]

In 1948 ging Carel over op mechanisering van zijn klompenmakerij.[14] Hierdoor ging de productie van het eigen model klomp omhoog. Voor aanvullende verkoop betrok Carel jarenlang beschilderde klompen van de firmanten Ebbers (Lammert) en Wassink (Bertus), uit Doetinchem. Lammert Ebbers was een neef van Grada Ebbers, Carels vrouw. Grada overleed op 31 juli 1953 op jonge leeftijd aan de gevolgen van leukemie. Carel hertrouwde op 21-12-1957, met Hermina (Mina) ten Hoopen, weduwe van Gerrit Jan Molenveld. Ze bracht drie kinderen binnen het gezin van Carel, waarvan er twee reeds getrouwd waren. Carel sr. was jarenlang diaken in de kerkenraad van de NH kerk. Als hobby had hij een groentetuin en was hij imker met circa 22 bijenkasten.

Carel bleef tot in 1977 klompen maken,[15] was in de wijde omgeving bekend vanwege zijn kunde om klompen op maat te maken.[16][17] Vanwege een ernstig ongeluk, waarbij hij een deel van zijn hand afzaagde, kwam een einde aan het klompenmaken, de verkoop van de klompen ging over naar de fa. Sachse te Boekelo. Niet lang daarna is hij op 19 mei 1981 overleden. In 2006 werd er een straatnaam naar Carel Bel genoemd, in de nieuwe wijk 'de Blekerij' in Boekelo.[18]

Afbeeldingen[bewerken | brontekst bewerken]