Catharina Louisa Maria Alberdingk Thijm

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Catharina Louisa Maria Alberdingk Thijm (Amsterdam, 29 november 1848 – aldaar, 14 januari 1908) was een Nederlandse schrijfster en sociaal werkster.

Jeugd[bewerken]

Catharina Alberdingk Thijm was een dochter van de Nederlandse katholieke schrijver Josephus Albertus Alberdingk Thijm en Wilhemina Anna Sophia Kerst. Zij was het tweede kind in een gezin van vijf kinderen. Ook haar broer Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm (beter bekend als Lodewijk van Deyssel) zou schrijver worden. De familie Alberdingk bracht meerdere kunstenaars voort.

Alberdingk Thijm bezocht tot 1860 de School voor Katholieke Jongejuffrouwen in Amsterdam. Hierna bezocht ze kostscholen in Duitsland en België. Ze trad in 1870 toe tot de Filles de la Croix, een kloosterorde uit haar kostschooljaren. In 1877 verliet ze het klooster, naar zeggen omdat ze niet onderdanig genoeg was. Alberdingk Thijm wijdde haar tijd hierna aan het schrijven. In 1887 voltooide ze haar eerste – ongepubliceerde – roman.

Werk[bewerken]

Catharina Alberdingk Thijm schreef 36 romans, talloze verhalen, sprookjes, toneelstukken en gedichten en ongeveer 1500 krantenartikelen. Ze schreef onder andere in De Familiebode, De huisvrouw, De Amsterdammer, het Algemeen Handelsblad en de Amsterdamsche Courant.

In 1882 richtte Alberdingk Thijm het tijdschrift Lelie- en Rozeknoppen op, waarvan zij hoofdredactrice werd. Het blad werd in 1887 een weekblad voor jonge dames genaamd: De Hollandsche Lelie. Ze vond het belangrijk dat vrouwen hun eigen levensonderhoud konden verdienen en pleitte voor het opnemen van vrouwen in beroepen als: dokter, verpleegster, boekhoudster, naaister en boekbinder.

Alberdingk Thijm leidde tussen 1895 en 1900 een opvanghuis voor dakloze vrouwen en hun kinderen in Amsterdam. In Een Volkshuis (1898) presenteerde zij een plan voor een gezamenlijk wooncomplex van arbeidersgezinnen en alleenstaanden, het ontwerp van het complex was gemaakt door haar oom, en bekend architect, Eduard Cuypers. Catharina Alberdingk Thijm sympathiseerde ook met het Leger des Heils.

Bibliografie[bewerken]

  • Een koninklijke misdaad. Roman uit onze dagen (Arnhem, 1889).
  • De huistiran (Amsterdam, 1883).
  • Verwoest leven. Ware geschiedenis uit onze dagen (Zeist, 1892).
  • Brief aan onze meisjes (Bergen op Zoom, 1895).
  • Mensch-zijn. Uitgave ten bate van dakloze meisjes, moeders met kindertjes, en vrouwen (Amsterdam, 1896).
  • Een Volkshuis (brochure) (Amsterdam, 1898).
  • Klimop en rozen. Onuitgegeven en verspreide gelegenheidsverzen, brieven enz. van en over dr. Josephus Albertus Alberdingk Thijm (Amsterdam, 1890).
  • Josephus Albertus Alberdingk Thijm in zijne brieven geschetst als christen, mensch, kunstenaar (Amsterdam, 1896).
  • Twintig vragen (Utrecht, 1899).