Catharina van Bologna

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Catharina van Bologne
Catharina van Bologne
Catharina van Bologne
Geboren 8 september 1413 te Bologna, Italië
Gestorven 9 maart 1463 te Bologna, Italië
Verering Rooms-Katholieke Kerk
Zaligverklaring 1524 te Oude Sint-Pietersbasiliek, Kerkelijke Staat door Paus Clemens VII
Heiligverklaring 22 mei 1712 te Sint-Pietersbasiliek, Kerkelijke Staat door Paus Clemens XI
Naamdag 9 maart
Beschermheilige voor Bologna
Kunstenaars
Tegen bekoring
Vrije kunsten
Lijst van christelijke heiligen
Portaal  Portaalicoon   Christendom

Catharina van Bologna [Caterina de' Vigri] (Bologna, 8 september 1413 – aldaar, 9 maart 1463) was een Italiaanse clarissenzuster, schrijfster, lerares, artieste en heilige. In 1542 werd ze zaligverklaard, op 22 mei 1712 werd ze heiligverklaard. Ze is de beschermheilige van Bologna.

Leven[bewerken]

Catharina kwam voort uit een welgestelde familie. Ze was de dochter van Benvenuta Mammolini van Bologna en Giovanni Vigri, een Ferrarese notaris in dienst van Niccolò III d'Este, Marquis van Ferrara. Ze groeide op aan het hof van Niccolo III als een hofdame in dienst van diens vrouw, Parisina d'Este, en geraakte bevriend met zijn dochter, Margherita d'Este. In deze periode leerde ze lezen, schrijven, viool spelen en had ze toegang tot de grote collectie manuscripten in de bibliotheek van d'Este.

In 1426, nadat Niccolo III zijn vrouw terechtgesteld liet worden omwille van overspel, verliet Catharina zijn hof en voegde zich bij een lekengemeenschap van begijnen die de ideologie van Augustinus volgden. Ze waren echter aanvankelijk verdeeld of ze dan al wel of niet de ideologie van Franciscus moesten volgen, wat uiteindelijk ook gebeurde. In 1431 werd het Begijnenhuis omgevormd in het Clarissenconvent van Corpus Domini, dat uitgroeide van 12 vrouwen in 1431 tot 144 tegen het einde van de eeuw. Zuster Catharina leefde het grootste deel van haar leven in dit convent, tussen 1431 en 1456, en diende als meesteres van de novicen. Ze was een model van vroomheid en ervoer meerdere mirakels en visies van Christus, de Maagd Maria, Thomas Becket, Sint Josef en toekomstige gebeurtenissen zoals de val van Constantinopel in 1453.

In 1455 stelden de Fransiscanen en gouverneurs van Bologna voor dat ze moeder-overste van een nieuw klooster zou worden, dat gevestigd moest worden in Bologna onder de naam van Corpus Christi. Ze verliet bijgevolg Ferrara in juli 1456 met 12 van haar zusters om de nieuwe gemeenschap op te starten. Hier verbleef ze als moeder-overste tot aan haar overlijden op 9 maar 1463. Ze werd begraven in het kerkhof van het klooster, maar na achttien dagen kwam er een zoete geur naar boven uit haar graf en werd haar onaangetaste lichaam opgegraven. Het werd verplaatst naar de kapel waar het nog steeds tentoongesteld wordt, rechtop zittend in haar religieuze gewaden, achter glas.

Kunstwerken[bewerken]

Literatuur

  • Haar enige overgebleven werk is Zeven wapens voor de spirituele strijd

Schilderkunsten

  • In de kerk van Corpus Domini: een tafereel dat Christus en het kruist voorstelt
  • In het kunstmuseum van Bologna: een tafereel met Sint-Ursula en haar kinderen
  • In de Gallerie dell'Accademia van Venetië: een weergave van Sint-Ursula

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Arthur, Kathleen G. Women, Art and Observant Franciscan Piety. Caterina Vigri and the Poor Clares in Early Modern Ferrara, Amsterdam: Amsterdam University Press, 2018. ISBN 978-94-6298-4332
  • Arthur, Kathleen G. "Images of Clare and Francis in Caterina Vigri's Personal Breviary, "Franciscan Studies 62, 2004, pp. 177-192.
  • Chadwick, Whitney. Women, Art and Society, London: Thames and Hudson, 1994 ISBN 978-0-500-20393-4
  • Evangelisti, Silvia. Nuns: a history of convent life, 1450-1700. Oxford University Press, 2007.
  • Pomata, Gianna. "Malpighi and the holy body: medical experts and miraculous evidence in seventeenth-century Italy," Renaissance Studies 21, no. 4 (2007): 568-586.
  • Caterina Vigri, The Seven Spiritual Weapons, translated by Hugh Feiss & Daniela Re, Toronto, 1998.