Christiane Desroches Noblecourt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Christiane Desroches Noblecourt
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Persoonlijke gegevens
Geboortedatum 17 november 1913
Geboorteplaats Parijs
Sterfdatum 23 juni 2011
Sterfplaats Épernay
Nationaliteit Vlag van Frankrijk Frankrijk
Wetenschappelijk werk
Vakgebied Archeologie

Christiane Desroches Noblecourt (Parijs, 17 november 1913 - Épernay, 23 juni 2011[1]) was een Franse archeoloog gespecialiseerd in de egyptologie.

Egyptoloog[bewerken]

Clémence Christiane Desroches werd geboren in Parijs. Ze was afkomstig uit de ontwikkelde middenklasse. Haar vader Louis Desroches, licentiaat in de Letteren, droomde van een carrière als diplomaat, maar om familieredenen werd hij eerst advocaat en later topambtenaar. Haar moeder, Madeleine Lapré, was een van de eerste vrouwen die de graad van licentiaat in de Klassieke Letteren behaalde aan de Sorbonne.

Desroches Noblecourt had een grote fascinatie voor de ontdekking van het graf van Toetanchamon door Howard Carter in 1922. Zij was leerling aan het Molière-lyceum (Parijs) waar zij Jacqueline David ontmoette, de toekomstige Jacqueline de Romilly. Na het behalen van een licensiaatsgraad Egyptestudies aan het École pratique des hautes études en na een studie aan het École du Louvre, een aan dat museum verbonden hogeschool, ging zij in 1936 werken bij de afdeling Egyptische oudheden in het Louvre. Zij werd daartoe aangemoedigd door abt Étienne Drioton, die later Pierre Lacau aan het hoofd van de dienst oudheden verving. Ze was de eerste vrouw die tot pensionaris werd benoemd aan het Institut français d'archéologie orientale, het Institut français d'archéologie orientale. In die tijd werd het instituut geleid door Pierre Jouguet, de schoonvader van Jean-Philippe Lauer.

Ook was zij de eerste vrouw die in 1938-1939 een archeologische opgraving leidde: die van de sector van het Oude Egyptische Rijk in de necropolis op het archeologisch terrein van het Frans-Poolse onderzoeksteam dat verantwoordelijk is voor de opgravingen bij Edfu. Met de twee andere leden van dit onderzoeksteam (Casimir Michalowski, professor aan de universiteit van Warschau enJoseph Rozier de Linage, een egyptoloog die hier leiding had over de sector van het Egyptische Middenrijk) deed zij haar eerste onderzoeken en maakte zij ook een studiereis op zoek naar een nieuw archeologisch terrein op de oevers van de Nijl. Een reis die hen in 1939 per boot langs de tempels van Abu Simbel leidde, vervolgens van Nubië tot Wadi Halfa en daarna per trein naar Khartoem in Soedan. Het was daarom voor de hand liggend dat zij later aan het hoofd stond van een internationale campagne die ervoor moet zorgen dat de tempels van Ramses en Nefertari in de jaren '60 worden verplaatst. Dit om te voorkomen dat zij na de bouw van de tweede Aswandam onder het Nijlwater zullen verdwijnen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte zij deel uit van het verzet en bracht zij de schatten van de Egyptische sectie in veiligheid door ze naar de vrije gebieden in Frankrijk te brengen, met name naar het kasteel van Saint-Blancard in de Gers. Ze was lerares aan het École du Louvre van 1937 tot 1982 en gaf daar les in het Egyptisch geschrift en later in de Egyptische archeologie.

Redding van de Nubische monumenten[bewerken]

Versnijden van de Colosseum van de façade van de grote tempel van Abu Simbel tijdens hun redding in1967.

De bouw van de nieuwe Aswandam zou haar levenswerk worden. De eerste dam werd in 1902 in gebruik genomen. Nadat de capaciteit van een miljard kubieke meter onvoldoende was gebleken, werd de dam in 1912 en in 1934 nog eens opgehoogd. Pierre Loti werd erdoor geraakt:

Aanhalingsteken openen

Het merendeel van de oude Nubische tempels zullen ook onder water verdwijnen’ [...] Maar daardoor zal het wel mogelijk worden om de katoenplantages zeer winstgevend te maken.

Aanhalingsteken sluiten

Omdat de capaciteit van de dam niet voldoet aan de behoeften van een steeds maar groeiende bevolking, besloot de door Gamal Abdel Nasser geleide regering in 1954 een dam met een capaciteit van 157 miljard kubieke meter en een lengte van 500 kilometer te bouwen. De dam beslaat zelfs Sudanees grondgebied: een 'faraonisch' project.

Hierdoor zouden de Nubische monumenten, waaronder de tempels van Abu Simbel, eenvoudigweg verdwijnen en voor altijd verloren gaan. Unesco vraagt onmiddellijk aan Christiane Desroches Noblecourt, conservatrice van de Egyptische oudheden van het Louvre en dus opvolger van Jean-François Champollion, om alle bedreigde monumenten te inventariseren. Daarnaast zouden de benodigde financiële middelen waar een dergelijke kolossale onderneming om vraagt, moeten worden ingezameld.

Op 8 maart 1960 doet Christiane Desroches Noblecourt samen met Sarwat Okasha, de Egyptische minister van cultuur, een dringend beroep op mondiale solidariteit bij de Raad van Unesco. Behalve dat er meer dan veertien tempels verplaatst moesten worden, moest er dringend archeologisch onderzoek gedaan worden op de plekken die bedolven zouden worden onder tientallen meters water en die nog niet echt gedetailleerd bestudeerd waren.

André Malraux, de toenmalige Franse minister van Culturele Zaken, reageerde snel:

Aanhalingsteken openen

De macht waarvoor de vandaag bedreigde kolossale monumenten en de meesterwerken in het museum van Caïro hebben gezorgd, spreekt ons met dezelfde verheven stem aan als de architecten van Chartres en Rembrandt. Uw appel is historisch, niet omdat u oproept om de tempels van Nubië te redden, maar omdat daardoor de eerste wereldbeschaving publiekelijk een plek in het erfgoed van de wereldkunst opeist. Er is slechts een daad waarvan zowel de willekeur van het gesternte als het eeuwige geruis van wateren niet kan winnen: dat is de daad waarbij de mens iets aan de dood onttrekt.

Aanhalingsteken sluiten

Terwijl zij midden in de Koude Oorlog zitten, gingen vijftig landen meehelpen aan het redden van deze -bij het erfgoed van de mensheid horende- monumenten. Philae, Kalabsha, Quadi-es-Seboua, Dakka, Derr en andere tempels, waarvan de tempels van Abu Simbel de meest bekende zijn, werden verplaatst.

De tempel van Amada was een extra lastig geval vanwege de kleine en mooi geschilderde reliëfs. Het was onmogelijk deze tempel in delen uit elkaar te halen want dan zouden de beschilderingen beschadigd raken. Toen zij zag dat iedereen zich dan maar neerlegde bij het feit dat deze tempel zou worden verslonden door de modderige stromen van het Nassermeer, riep Christiane Desroches Noblecourt uit: 'Frankrijk zal de tempel van Amada redden!'.

Ze vroeg twee architecten om haar een voorstel te doen hoe de tempel in zijn geheel verplaatst zou kunnen worden. Zij denken dat de tempel in zijn geheel op rails moet worden gezet en hydraulisch moet worden vervoerd naar enkele kilometers verderop, naar een plaats die zestig meter hoger ligt[2]. Het hebben van een idee is een ding, maar het geld ervoor hebben is een tweede ...

Met het oog hierop vraagt Christiane Desroches Noblecourt een onderhoud met generaal de Gaulle aan. Hij weet niet wat de egyptoloog in naam van zijn land is aangegaan. Als hij het hoort, zet hij zich schrap:

Aanhalingsteken openen

Hoe heeft u dat kunnen doen mevrouw, Frankrijk er zo in betrekken, zonder aan iemand toestemming te vragen?

Aanhalingsteken sluiten

Uit het veld geslagen, zoekt de conservatrice haar heil in de aanval:

Aanhalingsteken openen

Maar Generaal, in al mijn nederigheid, ik heb me slechts door uw daad laten inspireren. Was u het niet die ooit eens deze sublieme verklaring, die we ons nog allen herinneren, aflegde? "Frankrijk heeft een gevecht verloren, maar niet de oorlog?" Had u toen de tijd genomen om de regering te raadplegen?

Aanhalingsteken sluiten

Met een glimlach gaat de Generaal overstag, wetende dat het benodigde geld dankzij de grote steun toch wel bij elkaar gebracht zou worden.

Er zou twintig jaar nodig zij om deze reddingen tot een goed einde te brengen, en deze lange weg kan vanwege zijn mateloosheid als faraonisch worden bestempeld. De inscriptie in de kleine tempel van Nefertari is hierop helemaal van toepassing: 'Nooit eerder is er zoiets gedaan'

De redding van de Nubische monumenten zou onverwachte gevolgen hebben. Ten eerste een verbetering van de verhoudingen tussen Frankrijk en Egypte na de vernietigende Suezcrisis. Dit vertaalde zich in de organisatie van een tentoonstelling over Toetanchamon van februari tot juni 1967 in het Petit Palais te Parijs. Met een bezoekersaantal van 1.240.000 bezoekers was dit een nog nooit geëvenaard record voor een expositie in Frankrijk. De expositie die eigenlijk tot juli zou duren, werd voor het publiek gesloten toen de Zesdaagse Oorlog uitbrak. De expositie over Ramses II in 1976 in Parijs, die samenviel met de veiligstelling van de meest bekende mummie van alle farao's, werd bezocht door 1.200.000 bezoekers. De expositie van Amenhotep III in 1993 werd veel minder goed bezocht.

Nog een gevolg, ditmaal voor het Louvre: de regering van Anwar Sadat die de twee jaar eerder overleden Nasser opvolgde, schonk als dank voor de bijdrage aan de redding van de Nubische monumenten de buste van Amenhotep IV, beter bekend onder de naam Achnaton, aan het Louvre.

Dankzij de donatie van Germaine Ford de Maria, deed Christiane Desroches Noblecourt in 1984 met hulp van Christian Leblanc archeologisch onderzoek in de Vallei der Koninginnen. Meer dan honderd graven werden onderzocht en geregistreerd.

In 1998 liet zij bovenop de obelisk van de Place de la Concorde een vergulde pyramidion plaatsen.

Onderscheidingen[bewerken]

Bibliografie (selectie)[bewerken]

  • Christiane Desroches Noblecourt, Tutankhamen: Life and Death of a Pharaoh, Michael Joseph Ltd, 1963. ISBN 0718107659.