Groene rietcicade

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Cicadella viridis)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Groene rietcicade
Groene rietcicade
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Arthropoda (Geleedpotigen)
Onderstam:Hexapoda (Zespotigen)
Klasse:Insecta (Insecten)
Orde:Hemiptera (Halfvleugeligen)
Onderorde:Auchenorrhyncha (Cicaden)
Infraorde:Cicadomorpha (Zingcicadeachtigen)
Familie:Cicadellidae (Dwergcicaden)
Geslacht:Cicadella
Soort
Cicadella viridis
Linnaeus, 1758
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Groene rietcicade op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De groene rietcicade (Cicadella viridis) is een insect uit de familie dwergcicaden (Cicadellidae).

Algemeen[bewerken | brontekst bewerken]

Deze cicade is in grote delen van Europa zeer algemeen, en wordt in sommige streken zelfs als plaag beschouwd vanwege de schade aan gewassen. In België en Nederland veroorzaakt deze soort echter weinig problemen. De cicade is te zien van april tot november en het voedsel bestaat uit plantensappen die worden opgezogen uit meerdere planten, echter vooral grassen. De groene cicade is dan ook het algemeenst in grassige gebieden maar komt ook wel in tuinen, bossen en moerassen voor.

Beschrijving[bewerken | brontekst bewerken]

Het lichaam wordt 6 tot 9 millimeter lang en heeft een glanzende groene kleur en is sterk zijwaarts afgeplat, de dekschilden zijn over elkaar gevouwen en de vleugels zitten eronder. De ogen zitten aan de zijkant van de kop en de achterste poten zijn sterk gestekeld. Vooraan de kop is een gelige uitstulping te zien waaronder de monddelen zitten. Het is een van de weinige insecten waarbij de mannetjes en vrouwtjes een andere kleur hebben; vrouwtjes hebben grasgroene dekvleugels, die van mannetjes zijn blauwgroen tot blauwzwart. De voorzijde van de kop, de poten en de buik hebben een gele kleur. De groene cicade kan goed springen en ook ver wegvliegen na een sprong.

Voortplanting[bewerken | brontekst bewerken]

De ouderdieren sterven korte tijd nadat de eitjes in stengels en onder planten zijn gelegd. Deze eitjes overwinteren en in het voorjaar komt de nimf tevoorschijn die de bast van liefst jonge bomen aanvreet. De nimf is vleugelloos, wit en in de lengte donker gestreept, en heeft rondom de kop rijen zwarte puntjes. Na een aantal vervellingen is de nimf volwassen, krijgt vleugels en kan zich voortplanten.

Kaarten met waarnemingen: