Column

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Simon Carmiggelt schreef ruim 10.000 columns ("Kronkels") in het Parool van 1946 tot 1987.

Een column is een met regelmaat verschijnend, kort stukje proza van een bepaalde auteur (columnist). Vaak wordt een column in een krant of tijdschrift gepubliceerd, maar ook een gesproken column op radio of televisie, of publicatie op internet komen voor.

Geschiedenis[bewerken]

De term 'column' maakte omstreeks 1970 zijn entree in de Nederlandse taal als synoniem voor het sindsdien in onbruik geraakte woord 'cursiefje' en werd vanaf 1984 opgenomen in de elfde druk van Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal.[1] De eerste literaire prijzen die toegekend werden aan werk dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit gebundelde columns:[2]

  1. P.C. Hooft-prijs 1974 (proza): Carmiggelt;
  2. P.C.Hooft-prijs 1975 (essay): Rudy Kousbroek;
  3. Busken Huetprijs 1979 (essay): Gerrit Komrij voor Papieren tijgers.
  4. Multatuliprijs 1979 (proza): Renate Rubinstein voor Niets te verliezen en toch bang;
  5. P.C. Hooft-prijs 1981 (essay): Karel van het Reve;
  6. Multatuliprijs 1982 (proza): Battus voor Opperlandse taal- en letterkiunde;
  7. F. Bordewijkprijs 1984 (proza) en Multatuliprijs 1984: Armando voor Machthebbers.

Op Radio 1 liep van 1993 tot 2004 zondagavond de hoog gewaardeerde en veel beluisterde reeks met een woordspeling als titel: De Toestand is Hopeloos, maar niet Ernstig'', waar een vijftal columnisten hun visie gaven op de afgelopen week.

Definitie[bewerken]

Een definitie van de column kan volgens Matsier niet worden gegeven op basis van de inhoud. Er gelden nauwelijks beperkingen voor wat het onderwerp van een column kan zijn; het gamma reikt van huiselijke voorvallen tot de wereldpolitiek. Dag- en weekbladen hebben vaak een of meer vaste columnisten in huis, die inspelen op de actualiteit. Zelfs voor een column op de meest prominente plek denkbaar, de voorpagina van de krant, zijn geen inhoudelijke kenmerken gegeven. Zo gaat Arnon Grunberg in zijn Voetnoot (de Volkskrant) meestal in op de actualiteit, maar zijn voorganger op die plek Martin Bril veel minder. In de jaren negentig schreef Koos van Zomeren vooral over zijn wandelingen in de natuur, zodat zijn bijdrage aan de voorpagina eerder het karakter had van een contrapunt bij de actualiteiten.

Alleen de omstandigheden waaronder hij tot stand komt, zijn volgens Matsier bepalend voor de aard van een column. Er is sprake van: 1) een deadline en 2) een vooraf gegeven omvang.[3] Bovendien is een column een vaste rubriek. Eenmalige publicaties zijn dan ook geen column.

Ook Dautzenberg ziet geen inhoudelijke kenmerken en gaat het om 'een korte tekst die in een krant of weekblad op een vaste plaats en/of in een vaste typografie en lay-out gepubliceerd wordt.'[4] De onderwerpskeuze is volgens hem vrij, als is de aanleiding meestal een actuele gebeurtenis. Hij bakent de column af van het essay enerzijds en het cursiefje anderzijds. Het verschil met het essay is dat een column, afgezien van de kleinere omvang, 'wat luchtiger, minder serieus, speelser en nog persoonlijker is.' Het cursiefje is veel eenvoudiger: 'een soort column (vaak cursief gezet) waarin de schrijver een anekdote vertelt, een herinnering ophaalt, een gesprek weergeeft dat hij ergens heeft opgevangen (of verzonnen), een kleine gebeurtenis beschrijft.' Kortom:

Aanhalingsteken openen Wat de column is in de didactische literatuur, is het cursiefje in de epische.
— J.A. Dautzenberg
Aanhalingsteken sluiten

Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Nicolaas Matsier, 'Muiters tegen het etmaal. De decade van de column.' In: Tom van Deel, Nicolaas Matsier, Cyrille Offermans (red.), Het literair klimaat 1970-1985, De Bezige Bij, Amsterdam, 1986, p. 131-132.
  2. Matsier 1986, 132.
  3. Matsier, p. 135.
  4. J.A. Dautzenberg, Nederlandse literatuur. Geschiedenis, bloemlezing en theorie. Voor bovenbouw HAVO en VWO. Eerste druk, vijfde oplage, Malmberg, Den Bosch, 1989, 465