Comité van Waakzaamheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het Comité van Waakzaamheid van anti-nationaal-socialistische Intellectueelen, vanaf oktober 1938 Comité van Waakzaamheid van Intellectueelen, was een Nederlandse organisatie van intellectuelen (professoren, studenten, journalisten, schrijvers, en anderen) die tussen 1936 en 1940 waarschuwde voor de bedreigingen van de vrijheid door vooral het nationaalsocialisme.

Oprichting[bewerken]

Op 27 juni 1936 werd het Comité van Waakzaamheid opgericht in Amsterdam. De oprichtingsvergadering stelde dat "het nationaal-socialisme en alle andere groeperingen van denzelfden aard een ernstig gevaar beteekenen voor de vrijheid van onderzoek en meeningsuiting, en daarmede voor de ontwikkeling van maatschappij, cultuur en wetenschap". Het Comité wilde waarschuwen tegen dat gevaar, onder andere door het uitgeven van brochures, het instellen van plaatselijke afdelingen, en het houden van bijeenkomsten. Het lidmaatschap stond open voor iedereen, ongeacht godsdienst of politieke voorkeur. In Frankrijk (Vigilance), België en Engeland waren reeds soortgelijke organisaties opgericht.

Onder de leden van het eerste uur bevonden zich bekende namen als Menno ter Braak, Titus Brandsma, Jan Greshoff, Derkje Hazewinkel-Suringa, Rosa Manus, Hendrik Marsman, Edgar du Perron, Henriette Roland Holst, Jan en Annie Romein-Verschoor, Jan Tinbergen en Simon Vestdijk. Veel leden waren socialist, liberaal of communist. Van wie het initiatief kwam, is niet bekend; daarover bestaan verschillen van mening. Mogelijk kwam dat van Menno ter Braak, Edgar du Perron en Jan Romein, terwijl de bijeenkomst waarin werd besloten tot het oprichten van het Comité op 7 april 1936 bij professor G.W. Kernkamp thuis in Utrecht plaatsvond. Het aantal leden van het Comité groeide snel: aanvankelijk waren er 80 leden, begin 1937 waren dat er 140, maar in 1938 waren er 1000 leden, en in 1939 zelfs 1100.

Werkwijze[bewerken]

In diverse plaatsen werden afdelingen van het Comité opgericht: in Den Haag, Rotterdam, Amsterdam, het Gooi, Leiden, Utrecht en Tiel. Daarnaast bestonden er in de universiteitssteden studenten-afdelingen.

Het Comité van Waakzaamheid hield, net als elke vereniging, jaarvergaderingen, waar na het huishoudelijk gedeelte lezingen werden gegeven. In maart 1937 en oktober 1938 werden weekend-conferenties gehouden in de Internationale School voor Wijsbegeerte te Amersfoort. Studentengroepen van het Comité organiseerden in de zomers van 1938 en 1939 tentenkampen in Stroe. Al in december 1936 verscheen de eerste van een reeks brochures die het Comité liet schrijven. Auteur was professor P.A. Kohnstamm, en de titel Het nationaal-socialisme als geestelijk gevaar. Uitgever tot juli 1939 was Van Gorcum, daarna was dat Nijgh & Van Ditmar.

Idealen[bewerken]

Zowel uit het lidmaatschap van het Comité van communisten, als uit de titels van de vele brochures en lezingen blijken de idealen van het Comité en zijn leden. Tijdens de weekend-conferentie van 1937 zei professor G. Brom: "alleen Gods gezag is volstrekt en volmaakt", en Leo Polak stelde dat niet moest worden gekeken naar wat de ander onderscheidde (daarmee doelend op de jodenvervolging), maar naar het gemeenschappelijke: "loochening van gemeenschappelijkheid is de onoverbrugbaarste kloof, de permanente oorlog zonder oorlogsverklaring".

Het Comité werd al snel beticht van een Duits-vijandige houding, wat geen pas gaf tegenover een "bevriende natie". Nadrukkelijk verklaarde het Comité dan ook dat het niet anti-Duits was. Maar in een lezing te Leiden waarschuwde H. Bolkestein nadrukkelijk voor de oorlogszucht van Duitsland. Aan de andere kant had het Comité ook oog voor de situatie in Spanje, waar een burgeroorlog heerste, en de annexatie van Sudetenland en bezetting van Tsjechoslowakije. Ook gaf het toe dat het communisme van Rusland niet ideaal was. In oktober 1938 werd daarom het "anti-nationaal-socialistische" uit de naam van het Comité geschrapt.

Vluchtelingen[bewerken]

Het Comité beijverde zich al vroeg voor de opvang van vluchtelingen uit het buitenland. Vanaf 1933 beperkte de Nederlandse regering het asielrecht steeds meer, onder andere omdat men Duitsland als bevriende natie wilde behouden. In 1938 werd de grens met Duitsland gesloten voor vluchtelingen, die als ongewenste vreemdelingen werden beschouwd. De ambassade in Berlijn kreeg opdracht geen visa te verstrekken. In oktober 1938 sprak Comité-bestuurslid Mr. J. Baert over de behandeling van vluchtelingen door de Nederlandse overheden en stelde dat die geheel afweek van het door de wetgever bepaalde, "zoodat er geen sprake meer is van asylrecht voor binnenkomenden".

Na de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 zond het Comité een telegram aan de minister-president met de oproep het asielrecht te herstellen en bijstand te verlenen aan organisaties die vluchtelingen hulp boden. Op 14 november werden vluchtelingen uit drie verschillende treinen uit Duitsland bij Vaals teruggestuurd, en een week later gebeurde hetzelfde te Zevenaar, waarbij zich hartverscheurende taferelen moeten hebben afgespeeld. Opnieuw stuurde het Comité een telegram, ditmaal aan de minister van justitie, waarin het wees op de gebeurtenissen in Zevenaar en verzocht om verruiming van het asielrecht. Op 26 en 27 november begaven drie leden van het Comité, F.J.W. Drion, G.J. van Heuven Goedhart en G.C.M. van Nijnatten, zich naar Zevenaar om met eigen ogen te zien wat daar gebeurde. Zij schreven daarover een rapport, dat tot vragen in de Tweede Kamer leidde.

Het probleem van de communisten[bewerken]

Vanaf het begin kende het Comité problemen als gevolg van het feit dat meerdere leden communistische sympathieën hadden. Binnen een maand na de oprichting trokken daarom rooms-katholieke leden zich uit het Comité terug, waaronder de theologen monseigneur H.A. Poels en Titus Brandsma, en de schrijver Anton van Duinkerken. Zij waren ervan overtuigd dat het nationaal-socialisme een bedreiging vormde, maar dat het communisme dat ook deed. Samen met communisten de nationaal-socialisten bestrijden, was volgens Poels "de duivel bestrijden met Beëlzebub".

In januari 1937 stapte D. van Embden uit het bestuur vanwege de communisten. Daarna bleef het probleem voortsudderen, tot het op 9 december 1939 tot een eruptie kwam. Op een vergadering in Bentveld stelde het bestuur voor dat de vergadering zou besluiten dat het lidmaatschap van de CPN onverenigbaar was met dat van het Comité van Waakzaamheid. De vergadering, waar veel communisten aanwezig waren, nam echter een veel minder vergaand tegenvoorstel aan, dat het bestuur machtigde om leden die in het openbaar gedrag vertoonden dat onverenigbaar was met de beginselverklaring van het Comité, voor te dragen voor royement. Daarop traden zeven bestuursleden af: J. Baert, Ter Braak, Van Heuven Goedhart, S.C.J. Olivier, J.F. Niermeyer, Jan Romein en A.E.J. de Vries-Bruins.

Einde[bewerken]

Op 6 januari 1940 besloot de volgende ledenvergadering dat het Comité van Waakzaamheid zou worden opgeheven en dat een nieuw Comité van Intellectueelen tot verdediging van de Geestelijke Vrijheid zou worden opgericht. Leden van de CPN en de NSB konden geen lid worden van deze nieuwe organisatie. Het demissionaire bestuur van het Comité van Waakzaamheid trad vervolgens op als voorlopig bestuur van het nieuwe Comité. Dat nieuwe Comité is echter niet meer van de grond gekomen.

Bronnen[bewerken]