Compacte stad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De compacte stad is een stedenbouwkundig en planologisch concept dat gericht is op een relatief hoge woningdichtheid en het mengen van ruimtelijke functies in stadswijken. Er wordt uitgegaan van een efficiënt openbaar-vervoersysteem en een inrichting van de openbare ruimte die lopen en fietsen bevordert. Dit zou leiden tot een lager energieverbruik, minder uitstoot van broeikasgassen, meer sociale interactie op straat en een hogere sociale veiligheid.[1] De compacte stad is tegengesteld aan suburbanisatie, waarbij de stedelijke dichtheid juist afneemt.

Luchtfoto van vinexwijk IJburg in Amsterdam, juli 2014

Situatie in Nederland[bewerken]

De ruimtelijke ordening in Nederland is sterk beïnvloed door het concept van de compacte stad.[bron?] In de jaren 60 werden grootschalige stadswijken gebouwd waarbij de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk benut werd. In de jaren 70 was het groeikernenbeleid leidend, waarbij werd gepoogd de suburbanisatie te beperken door middel van gebundelde deconcentratie. Het Groene Hart bleef hierdoor gevrijwaard van substantiële woningbouwlocaties. De groeikernen zorgden echter voor aanzienlijke forensenstromen naar de centrale stad. Daarom ontstond er in de jaren 1980 draagvlak voor woningbouw in of nabij de grotere steden. De Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (1988) wees een aantal vinexwijken aan. Als gevolg van dit ruimtelijke-ordeningsbeleid is de suburbanisatie en lintbebouwing in Nederland relatief beperkt gebleven. De afstand van woonwijken tot de binnenstad is veelal per fiets af te leggen. Ook zijn weidewinkels, detailhandellocaties aan de rand van het stedelijk gebied, in Nederland schaars.