Comparatief voordeel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
David Ricardo (portret Thomas Phillips, ca. 1821) stelde als eerste een volledige theorie van comparatief voordeel op.

Comparatief voordeel is het handelsvoordeel dat een land behaalt in een situatie van vrijhandel, wanneer het een bepaald product relatief goedkoper kan produceren dan een handelspartner, in vergelijking met andere producten, zelfs wanneer één land alles voordeliger kan produceren dan de andere speler.

De wet van comparatief voordeel, ontdekt door David Ricardo (1772-1823),[1] voorspelt dat vrijhandel altijd een perfecte handelsbalans oplevert (geen tekort of overschot), zonder verandering in de werkgelegenheid. Deze wet geldt als een van de meest elegante theoretische resultaten in de economie en is de grondslag onder veel argumenten voor vrijhandel, hoewel ze empirisch moeilijk te staven is.[2] Het Heckscher-Ohlinmodel is een twintigste-eeuwse wiskundige uitwerking van de theorie van comparatief voordeel.

Absoluut voordeel[bewerken]

De theorie van comparatief voordeel moet gezien worden tegen de achtergrond van Adam Smiths eerdere theorie van internationale economie, die met terugwerkende kracht de theorie van absoluut voordeel genoemd wordt. In Smiths model van internationale handel 'fuseren' economieën onder invloed van vrijhandel: ze vormen samen één grotere economie, waarin alle wetmatigheden van de (klassieke) economie werkzaam zijn. Met name zorgt concurrentie voor één regulerende winstvoet, één regulerend loon en dus één natuurlijke prijs voor elk goed in het gehele gebied dat de samengevoegde economie bestrijkt. Uit Smiths theorie volgt dat de handelsbalans zal uitslaan in het voordeel van het land dat goedkopere arbeid of een hogere productiviteit heeft, ongeacht de oorzaken daarvan.

Ricardo verandert Smiths redenering door de grenzen niet helemaal open te laten: in plaats van handel tussen bedrijven in de verschillende landen, schets hij een beeld waarin de landen zelf de handelende partijen zijn, terwijl de grenzen dicht blijven voor kapitaalstromen en arbeidsmigratie.

Ricardo's uitleg[bewerken]

Ricardo presenteert zijn theorie in de vorm van een fictief voorbeeld aangaande de handel tussen Engeland en Portugal.[3] Hij begint met een situatie waarin beide landen wijn en textiel produceren en geen handel drijven. De volgende tabel geeft de binnenlandse en internationale prijzen van beide goederen weer op het moment dat de landen tot onderlinge handel overgaan. Portugal rekent in euro's (€), Engeland in ponden (£). Neem aan dat het pond de internationale valuta is, met een aanvankelijke wisselkoers van 1£/€.[4]

Portugal

(binnenlands)

Portugal

(internationaal)

Engeland
textiel €90 £90 £100
wijn €80 £80 £120

Portugal heeft nu een absoluut voordeel: het produceert beide goederen efficiënter (goedkoper) dan Engeland: het heeft een voordeel van (100 - 90) / 90 = 11% in de textielhandel en zelfs (120 - 80) / 80 = 50% in de wijnhandel. Engelse consumenten zullen Portugese goederen gaan kopen in plaats van Engelse, zodat in Portugal een handelsoverschot ontstaat, in Engeland een handelstekort.

Dit handelstekort uit zich echter in een geldstroom van Engeland naar Portugal. Daardoor zal de wisselkoers van euro's in ponden omhoog gaan. Ricardo's theorie voorspelt niet wat de precieze koers zal zijn of hoe lang het duurt voordat deze tot stand komt, maar geeft wel een bandbreedte. Een koers lager dan 1,11£/€ veroorzaakt de zojuist beschreven situatie; een koers hoger dan 1,50£/€ geeft de omgekeerde situatie waarin Engeland zowel wijn als textiel goedkoper kan aanbieden.

Bij een koers tussen beide uitersten treedt echter een evenwicht op. Een mogelijke waarde voor dit evenwicht is bijvoorbeeld een wisselkoers van 1,33£/€. Deze koers verandert de Portugese exportprijzen:

Portugal

(binnenlands)

Portugal

(internationaal)

Engeland
textiel €90 £119,70 £100
wijn €80 £106,40 £120

Portugese wijn is nu nog steeds goedkoper dan Engelse wijn, maar Portugees textiel moet het afleggen tegen de Engelse concurrentie. Beide landen hebben dus een comparatief voordeel, terwijl geen van beiden een absoluut voordeel heeft. Als Portugal nu specialiseert in wijn en Engeland in textiel, dan hebben beide landen goedkopere goederen dan voorheen en strekt handel dus tot wederzijds voordeel.

Waardering[bewerken]

Het principe van comparatief voordeel geldt als een hoeksteen van de mainstream-handelstheorie en als een van de elegantste resultaten uit de theoretische economie, maar het kent zowel theoretische als empirische problemen.

Een voornaam theoretisch bezwaar is gericht tegen Ricardo's aandringen dat er kapitaalstromen tussen 'Engeland' en 'Portugal' mogen zijn.[5] Op die manier stelt hij de handelsbalans tussen beide landen gelijk aan de betalingsbalans. Harrod wees er echter op, dat Ricardo hier de rentestand vergeet. De geldstroom vanuit Engeland naar Portugal beïnvloedt de kapitaalmarkten in beide landen: in Portugal neemt het geldaanbod toe en daardoor gaat de Portugese rente omlaag, terwijl die in Engeland juist omhoog gaat. De verandering van de rentestand heeft invloed op de winsten en daarmee op de prijzen. Harrod liet zien dat als de rentestand wordt meegerekend, de wisselkoers zowel omhoog als omlaag kan gaan, afhankelijk van de beginsituatie op de kapitaalmarkten, terwijl Ricardo's theorie vereist dat hij een bepaalde kant op gaat.[6]

Empirische bezwaren tegen de theorie van comparatief voordeel beginnen met een meetprobleem: men moet twee landen vinden die minstens twee perfect uitwisselbare goederen produceren, die eerst niet met elkaar handelen, en die dan een vrijhandelsverdrag sluiten. Zijn twee van dergelijke landen gevonden, dan voorspelt de theorie dat in beide volledige specialisatie optreedt door een verschil in productiviteit. Maar als het proces specialisatie voltooid is, dan is de Engelse productiviteit in de wijnsector niet meer meetbaar, en de Portugese in de textielsector evenmin.[2]

Ricardo zelf stelde als voorwaarden dat de grenzen alleen open zijn voor goederen en geld: kapitaal en arbeid steken de grens niet over. In de huidige mondialisering wordt aan geen van beide voorwaarden voldaan, zodat het comparatieve voordeel voor armere landen niet altijd opgaat. Ha-Joon Chang stelt ook dat het principe van het comparatieve voordeel armere landen kan aansporen om zich te blijven specialiseren in landbouw, terwijl rijkere landen dat doen in geavanceerde technologie, met als gevolg dat het verschil in rijkdom groeit. Eén van de redenen daarvan is dat het model van het comparatief voordeel de factor tijd niet in rekening brengt.

Noten[bewerken]

  1. Robert Torrens (1780–1864) wordt soms als eerdere ontdekker genoemd. Voor het debat omtrent de ontdekking van de wet van comparatief voordeel, zie Ruffin 2002, Gehrke 2015.
  2. a b Costinot en Donaldson 2012.
  3. Ricardo, Principles, hoofdstuk 7.
  4. In Ricardo's Principles zijn deze prijzen gegeven in arbeidsuren, die in beide landen dezelfde waarde in gouden ponden hebben. In feite is er dan een vaste wisselkoers, maar dat maakt voor de theorie niet uit: de kwantiteitstheorie voorspelt dat de prijspeilen in beide landen zullen veranderen. Er ontstaat dan een reële wisselkoers die zorgt voor exact hetzelfde eindresultaat (Shaikh 2016, p. 503).
  5. Zijn deze er wel, dan verklaart Ricardo de theorie van absoluut voordeel van kracht: 'Het zou ongetwijfeld voordelig zijn voor de kapitalisten in Engeland, en voor de consumenten in beide landen, dat (...) wijn en textiel in Portugal gemaakt zouden worden, dus dat het kapitaal en de arbeid van Engeland (...) voor dat doel naar Portugal veplaatst zouden worden. In dat geval zou de relatieve waarde van deze goederen gereguleerd worden door hetzelfde principe, alsof het een in Yorkshire, het ander in Londen werd geproduceerd.' Ricardo stelt verder dat dit gebeurt vanwege de onzekerheid die buitenlands kapitaal de investeerder oplevert (Principles, p. 136-137).
  6. Harrod 1957, geciteerd door Shaikh 2016, pp. 509, 520 e.v. Shaikh merkt op dat Marx dit probleem al eerder had ontdekt.

Bronnen[bewerken]

  • A. Shaikh (2016), Capitalism: competition, conflict, crises. Oxford University Press.