Concilie van Pavia

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Met Synode van Pavia of Concilie van Pavia worden een reeks middeleeuwse concilies in de stad Pavia bedoeld.

Als voormalige hoofdstad van het Longobardenrijk en tot 1024 Frankische kroningsstad was Pavia in de hoge middeleeuwen een van de uitverkoren plaatsen voor concilies.

Vroege concilies[bewerken]

Reeds in 698 vond er een eerste concilie plaats.[1] Een synode in Pavia van 850 verbood aan bisschoppen de jacht.[2] Daarnaast werd het misbruik van geestelijken als vermogensbeheerder verboden.[3]

In februari 997 riep paus Gregorius V tot een Romeinse synode op. Deze was onder andere tegen aartsbisschop Giselher van Maagdenburg gericht, die men verweet dat hij zijn toenmalige diocese Merseburg onrechtmatig had verlaten. Indien hij zich niet aan het oordeel van de paus wenste te onderwerpen, hingen hem zware kerkstraffen boven het hoofd. Bovendien werden de Franse bisschoppen, die hadden ingestemd met het afleggen van een eed aan de Franse koning, geëxcommuniceerd.[4]

In 998 had keizer Otto III op een synode in Pavia een bepaling ter herwinning van ontvreemde kerkgoederen laten goedkeuren. De keizer beschuldigde de hoge clerus ervan, dat zij de kerkgoederen niet ten voordele van de kerk, maar uit winstbejag, verwantschap of vriendschap zouden worden uitgedeeld.[5]

Synodes van 1018 en 1022[bewerken]

Tijdens een bijeenkomst in 1018 waren vragen over de kerkhervorming behandeld geworden. Hendrik II en paus Benedictus VIII hielden in 1022 een gemeenschappelijke kerkbijeenkomst in Pavia. Op dit concilie werden de ambities voor hervormingen aangegrepen. Zo werd onder andere het celibaat voor kerkelijke ambten tot op het niveau van subdiaken herbevestigd en simonie veroordeeld. Er werd au fond onderhandeld over de juridische status van kinderen, die uit het samenleven van een "onvrije" priester en een vrije vrouw voortgekomen waren. In het bijzonder werd het verlies van het kerkvermogen door ontvreemding van goederen door priesterkinderen aangeklaagd. De kinderen zouden overeenkomstig de status van hun vader ook "onvrijen van de kerk" worden. Over de priesterkinderen uit een verbintenis tussen een vrije priester en een vrije vrouw wou de paus pas tijdens een van de latere synodes een beslissing rond nemen.[6]

Synode van 1046[bewerken]

Hendrik III riep in 1046 een vergadering bijeen, die door bisschoppen uit Opper-Italië, Bourgondië en Duitsland werd bijgewoond: uit Italië waren er 29, uit Bourgondië 2 en uit Duitsland 8 aartsbisschoppen of bisschoppen aanwezig.[7] Daar hield de keizer een grote rede tegen de simonie en benadrukte, nooit geld voor een kerkelijk ambt te hebben aangenomen.[8]

Synode van 1159[bewerken]

Frederik I Barbarossa had in 1159 om een einde te maken van aan het Westers Schisma (Alexander III, Victor IV) een synode bijeengeroepen. De vergadering begon in januari 1160. Ongeveer 50 bisschoppen, voornamelijk uit Duitsland en Noord-Italië, waren hierop aanwezig. Er waren weliswaar gezanten van andere landen aanwezig, maar de clerus uit Engeland en Frankrijk was niet aanwezig. Victor IV kwam naar de synode, terwijl Alexander III wegbleef. De vergadering erkende uiteindelijk Victor als paus en deed Alexander in de ban. Deze had van zijn kant de keizer, diens raadgever en Victor geëxcommuniceerd. Daarmee kwamen beide kampen nog meer tegenover elkaar te staan en werd het schisma er alleen maar verder door op de spits gedreven.[9] Later werd Alexander door de Engelse, Franse, Ierse, Noorse alsook Spaanse clerus erkent en liet zich in 1176 onherroepelijk gelden.

Concilie van Pavia-Siena van 1423[bewerken]

Paus Martinus V riep op basis van het decretum frequens (zie ook: conciliarisme) in 1423 een synode in Pavia bijeen. Thema's waren het aanhoudende gevaar door de Hussieten, een Schisma met Benedictus XIII en natuurlijk de kerkhervorming. De vergadering werd om verschillende redenen naar Siena verhuisd. De indeling van de deelnemers aan het concilie naar hun natie bleek een conflicthaard te zijn. Bovendien kwam het tot een strijd tussen de meerderheid, die de voorrang van het concilie ten opzichte van de paus benadrukte, en een minderheid en de paus zelf, die de pauselijke voorrang op een concilie benadrukte. De vergadering werd uiteindelijk ook ontbonden, terwijl Alfons V van Aragon zich de kant van de tegenpaus koos.[10]

Noten[bewerken]

  1. Dit concilie werd vereeuwigd in een gedicht: Carmen de synodo Ticinensi.
  2. T. Szabo, Die Kritik der Jagd. Von der Antike zum Mittelalter, in W. Rösener, Jagd und höfische Kultur im Mittelalter, Göttingen, 1997, p. 180.
  3. art. Eigenkirchenwesen, in Theologische Realenzyklopädie 1 (1993), col. 401.
  4. E. Boshof, Heinrich I. (1031-1060), in J. Ehlers - Heribert Müller - B. Schneidmüller (edd.), Die französischen Könige des Mittelalters, München, 1996, p. 95.
  5. G. Tellenbach, Die westliche Kirche vom 10. bis zum frühen 12. Jahrhundert, Göttingen, 1988, p. 79.
  6. G. Tellenbach, Die westliche Kirche vom 10. bis zum frühen 12. Jahrhundert, Göttingen, 1988, p. 137.
  7. G. Tellenbach, Die westliche Kirche vom 10. bis zum frühen 12. Jahrhundert, Göttingen, 1988, p. 52.
  8. G. Tellenbach, Die westliche Kirche vom 10. bis zum frühen 12. Jahrhundert, Göttingen, 1988, p. 122.
  9. B. Schimmelpfennig, Könige und Fürsten, Kaiser und Papst nach dem Wormser Konkordat, Göttingen, 1996, p. 36.
  10. K. Schatz, Allgemeine Konzilien - Brennpunkte der Kirchengeschichte, Paderborn, 1997, pp. 147-149.

Referenties[bewerken]