Constituties van Melfi

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een Augustalis, een gouden munt met de beeltenis van Frederik II van Hohenstaufen, van de (Messina] munt van Sicilië, geslagen kort na 1231, ter gelegenheid van de proclamatie van de Wetten van Melfi

Constituties van Melfi of Wetten van Melfi, Liber Constitutionum Regni Siciliae of Liber Augustalis zijn wetten, die door Frederik II van Hohenstaufen, keizer van het Heilige Roomse Rijk op 15 augustus 1231 werden uitgevaardigd.

De wetten zijn genoemd naar Melfi, de plaats van uitgifte in Basilicata. Ze vormen een samenhangend geheel van 220 afzonderlijke wetten. Frederik II legde er het totale staatsrecht en bestuursrecht voor het koninkrijk Sicilië in vast. De wetgeving kende in de middeleeuwen zijn gelijke niet, het was het eerste voorbeeld van een samenhangende, allesomvattende wetgeving en 'geldt als het hoogtepunt van Frederiks genie als staatsman.' Hij stelde een rationele rechtsorde tegenover de rechtsorde van de Kerk, die tot dan toe gold. Ze gaan over de strafrechtelijke, staatsrechtelijke en sociaal-economische inrichting van het koninkrijk Sicilië, waar de keizer een 'modelstaat' van wilde maken.

Voorbereiding en presentatie[bewerken | brontekst bewerken]

Aan de proclamatie van de Wetten van Melfi ging bijna een jaar van voorbereidingen vooraf. Veertig oudere juristen doorkruisten maandenlang het koninkrijk en inventariseerden alle bestaande wetten, rechten en regels. Een andere groep rechtsgeleerden ging daarop, onder leiding van Petrus van Vinea, Frederiks groothofrechter en kanselier, aan het werk om te toetsen wat bruikbaar en rechtvaardig was. Er werd een geheel van gemaakt, de 220 wetten werden in drie boeken uitgeschreven en tot een codex aan elkaar genaaid. Met Maria Hemelvaart werden in de grote zaal van het kasteel van Melfi de Wetten van Melfi gepresenteerd. Na de proclamatie werd de nieuwe wetgeving in alle provincies bekendgemaakt.

Rechtspraak[bewerken | brontekst bewerken]

De Wetten beëindigen de 'gangbare praktijk van onderdrukking en uitbuiting van het gewone volk'. De middeleeuwse rechtsorde wordt opgeheven. De geestelijkheid verliest haar jurisdictie over leken, behalve bij echtbreuk. Er komt een koninklijke rechtsorde, waarmee baronnen buitenspel worden gezet. De gecentraliseerde rechtspraak komt te berusten bij de Staat. Geestelijken moeten ook belasting gaan betalen en zich bij 'civiele zaken' voegen naar het 'wereldlijk recht'.

Beambten, rechters en 'justitiaren' (gouverneurs) moeten het volk recht doen, zwakkeren (armen, weduwen, wezen) en minderheden (Joden, Saracenen) moeten extra beschermd worden. De 'gerechtsgang' wordt voor alle onderdanen goed toegankelijk.

'Godsoordelen' (zoals waterproef, vuurproef) worden afgeschaft en de 'gerechtelijke tweekamp' verboden. De strafmaat wordt aangescherpt en vastgelegd.

Sociaal-economische wetgeving[bewerken | brontekst bewerken]

Er komen wetten over nieuwe, gestandaardiseerde maten en gewichten. Perkament moet in plaats van papier worden gebruikt als documenten in gerechtshoven, omdat het minder vergankelijk is. Het dragen van wapens wordt grotendeels verboden.

Er zijn regels tegen echtbreuk, koppelarij, ontvoering, liefdesdranken, godslastering, gifmengerij, woeker, kansspelen, vervalsingen en meineed. De consument wordt beschermd tegen bedrog en woekerprijzen.

Milieuwetgeving[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn in de Wetten milieubepalingen om het lucht en het water te beschermen.

Volksgezondheid[bewerken | brontekst bewerken]

Voor het eerst in de geschiedenis is de Staat en dus de vorst verantwoordelijk voor de medische zorg. Een medische studie moet minstens vijf jaar duren en er moet bij een bekwame arts een langdurige stage gevolgd worden. De opleiding moet met een examen worden afgesloten. Er zijn bepalingen voor de bezoeken aan de patiënt en de hoogte van het honorarium van de arts. Armen moeten kosteloos worden behandeld. Een arts mag geen apotheek voeren, om belangenverstrengeling te voorkomen. Er zijn strenge straffen tegen kwakzalverij.

Kritiek[bewerken | brontekst bewerken]

De Wetten stuitten op heftig kerkelijk verzet. Paus Gregorius IX wilde dat Frederik het 'godslasterlijke project' stopte. Door het aanstellen van keizerlijke beambten waren er steeds minder sleutelposities voor kerkelijke beambten weggelegd. De invloed van de Kerk zou daardoor afnemen.

Augustalis[bewerken | brontekst bewerken]

Om de proclamatie van de Wetten van Melfi luister bij te zetten, werd er in december 1231 de Gouden Augustalis uitgegeven: een gouden munt (20,5 karaat), ter waarde van vier 'goudons'. Op 'de mooiste munt van de middeleeuwen' staat Frederik als Romeins keizer met een lauwerkrans.

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • Dijkhuis, G. (2015), Stupor Mundi, Kroniek van een eigenzinnige Keizer, Uigeverij Aspekt, Soesterberg, p.181-191