Constructieleer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Bouw van de Eiffeltoren in juli 1888.

Constructieleer is de wetenschap van het technisch ontwerpen en doorrekenen van constructies, zoals bruggen, gebouwen, machines, schepen en vliegtuigen.

De constructieleer vormt een onderdeel van verschillende ingenieur-disciplines, zoals bouwkunde, civiele techniek, luchtvaart- en ruimtevaarttechniek, maritieme bouwkunde, werktuigbouwkunde, etc.

Geschiedenis[bewerken]

De geschiedenis van het bouwen van constructies gaat terug naar de eerste beschaving, en daarbij heeft een praktische constructieleer bestaan. De constructieleer als de moderne wetenschap van het ontwerpen, doorrekenen en bouwen van constructies dateert uit de eerste helft van de negentiende eeuw. In deze tijd verscheen het vak in curricula,[1] en werden de eerste leerboeken gepubliceerd.[2]

De moderne constructieleer heeft zijn wortels in de antieke architectuurbeschouwing van o.a. Vitruvius, in de ontwikkeling van de geometrie, in de ontwikkeling van mechanica met de opzet van de elasticiteitsleer, en in de ontwikkeling van de leer van de technologie voorgesteld door Johann Beckmann in 1772.

Sinds de oprichting van de Technische Hogeschool te Delft is het vak doorlopend aan verschillende departementen onderwezen. Het vak werd al eerder gegeven in de voorganger de Polytechnische School. Adriaan Huet (1880) schreef hierover:

"De werktuigbouwkunde is in de algemeene werktuigkunde, wat de constructieleer is in de bouwkunde, met dit verschil echter, dat in de bouwkunde constructie en distributie dikwijls afzonderlijk worden behandeld, terwijl in de werktuigbouwkunde, constructie en distributie onmogelijk kunnen gescheiden worden."[3]

Al in die tjd was het vak niet onbetwist. Zo meldde het tijdschrift Maatschappij-Belangen, (1908) reeds:

"Het onderwijs in de constructieleer is bedoeld te loopen zooveel mogelijk over het hoe en zoo weinig mogelijk over het waarom."[4]

Met de toenemende specialisatie in de eerste helft van de 20ste eeuw zijn binnen de technische wetenschappen eigen disciplines ontstaan, die ook met de theorie en practijk eigen normen en standaarden voor elk vakgebied ontwikkelden. De eerste gespecialiseerde leerstoel was van Henry Tino Zwiers, in 1938 aangesteld als hoogleraar Constructie. Negen jaar eerder was ook al aangesteld Peter Landberg als hoogleraar mechanische technologie en constructie der gereedschapswerktuigen.[5]

(Oud)hoogleraren constructieleer[bewerken]

  • Johann Arbocz, emeritus-hoogleraar constructieleer aan de TU Delft vanaf 1976.[6]
  • A. de Heer, Hoogleraar in de Bouwconstructies aan de Technische Hogeschool te Delft rond 1960.[7]
  • Harry van den Kroonenberg (1933-1996), hoogleraar ontwerp en constructieleer Universiteit Twente en Rector Magnificus in 1979-1982 en 1985-1988.[8]
  • Jannis Pieter Mazure, hoogleraar in de bouwconstructie aan de technische hogeschool in Delft rond 1960, en verder humanist en lid van de Eerste Kamer voor de Partij van de Arbeid,[9] tot zijn afscheid 31 mei 1968.[10]
  • Jan Vambersky, oud-hoogleraar Constructies van Gebouwen van de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen aan de TU Delft van 1988-2010.[11]
  • Leo Wagemans, Emeritus Hoogleraar algemene constructieleer. TU Delft.[12]

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • L.A. de Bruijn. Constructieleer voor de werktuigbouw: leerboek voor het Uitgebreid Technisch Onderwijs. Staalconstructies. Dl. 4. Kluwer, 1960.
  • S. Hengst. Constructieleer: Inleiding maritieme techniek. Dl. 1. 1987.
  • Jacob Oosterhoff. Kracht+ vorm: inleiding in de constructieleer van bouwwerken, 2008.