Cunera van Rhenen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Cunera van Rhenen
Beeld van de Heilige Cunera, ca. 1500, collectie Museum Catharijneconvent, Utrecht
Beeld van de Heilige Cunera, ca. 1500, collectie Museum Catharijneconvent, Utrecht
Gestorven 28 oktober ca. 377 te Rhenen
Naamdag 12 juni
Beschermheilige voor Rhenen, veeziekten, keelziekten
Lijst van christelijke heiligen
Portaal  Portaalicoon   Christendom

Cunera van Rhenen, ook wel Kunera van Rhenen of Sint C/Kunera van Rhenen (overleden Rhenen, 28 oktober ca. 377), is volgens de legende een maagd en martelares. De eerste maal dat zij genoemd wordt, is na het jaar 1000. Zij is de beschermheilige van de Utrechtse stad Rhenen en tegen vee- en keelziekten.

Legende[bewerken]

Toen de heilige Ursula van Keulen en haar elfduizend maagden in de vierde eeuw bij Keulen werden overvallen door de Hunnen, werd Cunera - een prinses uit York - gered door de Friese koning Radboud, die haar meenam naar zijn kasteel te Rhenen. Hier maakte ze zich spoedig zeer geliefd door haar vriendelijkheid en de zorg voor de armen rond het kasteel. Dit wekte de jaloezie van Aldegonde, de vrouw van Radboud. Toen Radboud een keer op jacht was, werd Cunera door Aldegonde en een van haar dienstmaagden gewurgd met de mooie halsdoek die Cunera nog van haar ouders had gekregen. Ze werd begraven in een veestal. Door een wonder werd de misdaad ontdekt. Radboud bekeerde zich tot het christendom.

Historiciteit[bewerken]

Historisch zijn er meerdere problemen met dit verhaal. Zo is het bestaan van de heilige Ursula zeer omstreden. Ook is er geen Koning Radboud uit de vierde eeuw bekend, terwijl diens bekering zeker niet onopgemerkt zou zijn gebleven.

In 1832 verspreidde de toenmalige eigenaar van het landgoed Prattenburg, H.M.A.J. van Asch van Wijck het verhaal dat de moord op de heilige Cunera daar plaatsgevonden zou hebben en dat zij in de stal van het landgoed zou zijn begraven. In geen van de middeleeuwse geschriften komt echter de naam Prattenburg voor en het landgoed Prattenburg is niet eerder bekend dan uit de 16e eeuw.[1]

Verering[bewerken]

De Utrechtse bisschop Sint Willibrord liet Cunera drie eeuwen later bijzetten. Er kwam een grote bedevaart naar Rhenen op gang. Uiteindelijk leidde dit tot de wijding van de Petruskerk aan Cunera en later tot de nieuwbouw van de Cunerakerk en -toren (voltooid in 1531). Toen de Cunerakerk ten tijde van de Reformatie door de protestanten werd ingenomen, verhuisden de relieken onder andere naar Emmerik in het Hertogdom Kleef en naar Bedaf bij Uden. In het Museum Catharijneconvent in Utrecht is een doek die de wurgdoek van Cunera zou zijn te zien en die van koptisch linnen uit de vierde of vijfde eeuw lijkt te zijn geweven.

Het feest van Cunera wordt gevierd op 12 juni.