D27 (hunebed)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
D27 (hunebed)
D27 (hunebed)
D27 (hunebed)
Situering
Coördinaten 52° 56′ NB, 6° 48′ OL
Foto's
Hunebed D27
Hunebed D27
Portaal  Portaalicoon   Archeologie
Hunebed Borger vanuit de lucht
De poortstenen aan de zuidkant
Het hunebed in 2000

Hunebed D27 ligt aan de noordoostzijde van Borger in de Nederlandse provincie Drenthe. Het is het grootste hunebed van Nederland[1].

Vlak bij dit hunebed ligt het, door Aldo van Eyck ontworpen en in 2005 gereedgekomen hunebedcentrum.

Bouw[bewerken]

Het hunebed D27 bevat 9 dekstenen op 26 draagstenen en 2 sluitstenen en een complete poort met 4 poortstenen en 1 deksteen[2]. Twee keien in de buurt zijn mogelijk kransstenen geweest.

Het hunebed is 22,6 meter lang en 4,1 meter breed[3].

Tussen Borger en Buinen liggen ook de hunebedden D28 en D29.

Society of Antiquaries[bewerken]

Rond 1870 waren de meeste hunebedden in bezit van de overheid en men besloot deze monumenten 'op te knappen'. Bezorgd om de 'restauraties' die door provincie en lokale overheden werden uitgevoerd, zoals het weggraven van de dekheuvels, stuurde de Society of Antiquaries in 1878 twee Engelse oudheidkundigen naar Drenthe. William Colling Lukis en sir Henry Dryden maakten in de periode van 1 tot 22 juli plattegronden en aangezichten van veertig Drentse hunebedden. Deze tekeningen (met beschrijvingen) waren van ongekend hoog niveau voor Nederlandse begrippen.

Hunebed D27 is weergegeven op Plan XXIV.

Het grote hunebed ligt ten noordoosten van Borger. Het heeft vijfentwintig draagstenen en negen dekstenen. De ingang ligt op het zuiden. Er waren waarschijnlijk oorspronkelijk tien dekstenen. De drie dekstenen aan de oostkant zijn van de draagstenen gegleden, de vierde ligt op de grond. De zevende en achtste deksteen liggen nog in positie. Aan de noordoostelijke kant van het hunebed is nog een deel van de dekheuvel aanwezig. Er werden enkele fragmenten van urnen, zowel onversierd als met ornamenten, gevonden. In 1874 werd een complete urn gevonden op een veld vlak bij dit hunebed[4]. Titia Brongersma vond ook urnen in 1685.

In 2015 werd het werk van de oudheidkundigen uitgegeven. In het Drents Museum was een tentoonstelling over het werk.[5][6]

Poëzie[bewerken]

De geoloog Hartogh Heys van Zouteveen maakte het volgende gedicht op het hunebed van Borger:

"Het hunebed te Borger

Wat machtig hoofd of held rust onder dit gesteente.
vergeten is zijn roem, tot as werd zijn gebeente!
Zijn stam, zijn volk verging; hoe groot wellicht hun faam
In 't grijs verleden was, voor eeuwig is hun naam,
Gelijk ook die van hem, wiens stof hier rust, vergeten!
Nooit zal historie iets van hunne daden weten!
Van hun bestaan, van wat weleer hier is geschied,
Getuigen thans alleen deez' klompen van graniet."
Hermanus Hartogh Heys van Zouteveen (1841-1891)[7]

Titia Brongersma[bewerken]

Gravure van de opgraving van "opgestapelde stenen" in Borger door Titia Brongersma (op 11 juni 1685). Gravure van J. Schijnvoet, 1711

Met Pinksteren 1685 bracht de Friese dichteres Titia Brongersma een bezoek aan Jan Laurens (Lentinck), schulte van Borger. Dit bezoek was aanleiding voor Titia om het hunebed te laten opgraven. Dit was het eerste archeologisch onderzoek van Nederland.[8]

Ze vond veel kiezelstenen die straatgewijs naast elkaar waren gelegd. Daaronder trof ze vele ronde potten met een bruinblauwe of donkerrode kleur. Enkele hadden twee en andere hadden vier oren. Deze potten vielen uiteen en er kwamen doodsbeenderen en as tevoorschijn. De Groningse dichter en oudheidkundige Ludolph Smids maakte naar aanleiding van deze opgraving een gedicht over een lijkbus die deze jonge vrouw aansprak.[9]

Tot haar grote verbazing bleek het een oude begraafplaats te zijn en niet een door reuzen "opeengestapelde steenhoop". Het inspireerde haar tot het gedicht Loflied op 't hunebed (1686)

’k Sta als verbaasd deez’ steenmijt aan te schouwen.
’t Schijnt dat weleer het dappere Hunnenschap
daar heeft gewild een denk-plaats op te bouwen
om zo te streven op de eretrap.
Neen, ’t is gestapel waar een drom van reuzen
door wraak gehitst het godendom bestreed,
doch die men zag tot mortel zelfs verkneuzen
door ’t bliksemvuur van Mulciber gesmeed.
Of ’t zijn alleen getorste piramiden,
of tomben, want dit grove berggewas
besluit in haar gewelfsel van voortijden
nog, als bewijs, geheiligde offer-as.
Neen, ’t is veeleer Natura’s marmeren tempel,
waarin zij wil dat men haar godheid eert,
en aan de voet haars negentallige drempels
niets anders dan een lofgezang begeert.
Laat Thebe vrij nog pochen op haar muren,
die schier in ’t hoog bereikten ’t wolkgespan,
dit rotsgevaart zal langer kunnen duren.
Geen kracht, hoe groot, haar force kwetsen kan.
Kom nimfjes, en gij Drentse herderreien!
Bepronk met loof dit Borger steenpaleis!
Wil top en kruin met bloemen overspreien.
Schenk aan Natuur daarvan haar deel en eis.
Ik neurie dan met hese en schorre tonen
(’t zij wat het wil) tot roem der wondre grot
een loflied en bereid de eiken kronen,
waarmee ’k bepruik het grote keienslot.

Trivia[bewerken]

  • R. Westerhoff vermeld in 1835 een steenkrans[10].
  • De bodem van het hunebed is in opdracht van het Hunebedcentrum gescand om te bezien of er zich nog archeologische voorwerpen in de bodem bevinden. Scannen heeft als voordeel, dat het bodemarchief niet wordt verstoord.[11][12] De scan brengt veel nieuwe zaken aan het licht, het hunebed zal daarom nog verder worden onderzocht[13].
  • In 1903 is een dennenbosje nabij het hunebed gekapt, op deze plek werd een Engelse tuin aangelegd[14].
  • In 1907 wordt een subsidie toegekend voor verbetering (legaliseering) en verfraaiing (beplanten met kastanjes) van de weg naar het hunebed[15]
  • In 1908 wordt bekend dat er bordjes in het dorp geplaatst zullen worden, die samen met de opgeknapte weg moeten zorgen voor meer bezoekers[16]
  • Van Giffen vermeldt dat deksteen 5 en 6 twee helften van één steen zijn[17].