De magere compagnie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De magere compagnie
Frans Hals, De magere compagnie.jpg
Museum Rijksmuseum Amsterdam
Locatie Amsterdam
Kunstenaar Frans Hals, Pieter Codde
Jaar 1633-1637
Type Olieverf op doek
Afmetingen 209 × 429 cm
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Het korporaalschap van kapitein Reinier Reael en luitenant Cornelis Michielsz. Blaeuw, gewoonlijk aangeduid als De magere compagnie[1] is een schilderij van de Nederlandse kunstschilder Frans Hals, voltooid door Pieter Codde, olie op linnen, 209 x 429 centimeter groot, geschilderd tussen 1633 en 1637. Het betreft een groepsportret van de schutters van wijk XI onder leiding van kapitein Reynier Reael. Het werk bevindt zich in het Rijksmuseum Amsterdam.

Context[bewerken]

In 1633 accepteerde Frans Hals, die al eerder naam maakte met een aantal schuttersstukken, de opdracht om kapitein Reynier Reael en luitenant Cornelis Michielszn. Blaeuw samen met de schuttersleden van hun voetboogschutterij te portretteren. De schutterij zetelde in Amsterdam, hetgeen betekende dat de in Haarlem woonachtige Hals voor de portretteersessies op en neer moest pendelen. Heel vaak lijkt hij dat echter niet te hebben gedaan, want drie jaar later, in 1636, was het schilderij nog slechts ten halve klaar. Toen de leden van het schuttersgilde hem vervolgens ter verantwoording riepen, stelde Hals voor alleen de "tronies" in Amsterdam te schilderen en de kostuums in zijn atelier te Haarlem af te maken. De schutters gingen hier echter niet mee akkoord, maar waren wel bereid het bedrag per afgebeelde persoon van 60 gulden naar 66 gulden te verhogen, waarmee het totaalbedrag voor de opdracht het voor die tijd enorme bedrag van 1056 gulden ging bedragen. Hals was echter niet te vermurwen en bleef weigeren langer op en neer te reizen. Hij stelde nog voor om het schilderij mee naar Haarlem te nemen en dat de schutters vervolgens beurtelings naar atelier zouden komen, in elk geval om de gezichten te schilderen, maar ook hierin kwam het niet tot een vergelijk. Uiteindelijk leidde het conflict ertoe dat het schuttersgilde een punt zette achter de samenwerking met Hals en aan de Amsterdamse schilder Pieter Codde, die zelf schutterslid was, opdracht gaf het werk te voltooien. Codde schilderde de zeven personen rechts, het linkerdeel is van de hand van Hals.[2]

Afbeelding[bewerken]

De magere compagnie is in zekere zin te zien als een verzameling van afzonderlijke portretten. Iedere geportretteerde betaalde hoogstpersoonlijk voor zijn afbeelding en verwachtte dan ook duidelijk en goed gelijkend op het doek te worden gebracht. Alle figuren zijn dan ook, vanuit links beschenen, volledig in het licht geplaatst.[3] Als toentertijd gebruikelijk in Amsterdamse groepsportretten werden ze ten voeten uit afgebeeld, waar het in Hals' thuishaven Haarlem gebruikelijk was om "kniestukken" te maken, zoals hij deed in zijn De officieren van de Sint-Adriaansdoelen uit 1633.

Hals had de gewoonte om de belangrijkste personen links op het doek te plaatsen en is dan ook van die kant uit begonnen te werken. De vlaggendrager geheel links is Nicolaes van Bambeeck. Naast hem zit kapitein Reael, met de officiersstaf, en daar weer naast luitenant Blaeuw, met een sponton, waar diverse andere schutters hellebaarden en lansen vasthouden. Hoewel Codde duidelijk gepoogd heeft om zijn figuren rechts in dezelfde stijl als Hals te schilderen, in een streven de eenheid in ductus te bewaren, zijn diens zeven portretten duidelijk minder krachtig en meer geposeerd dan die van Hals. Hals' werkwijze is onrustig, elke penseelstreek is zichtbaar, maar wel uitermate trefzeker. Zijn figuren komen levendig en ongedwongen over. Codde werkte verfijnder, met gladde ritmische streken, maar daardoor ook enigszins vlak en minder levensecht. Ook anatomisch klopt niet alles in Coddes figuren, zoals bij de officier in het midden, wiens onderarm veel te lang is en hoofd los op de schouders lijkt te zitten. Merkwaardigerwijs is het het contrast met de figuren van Codde, die het meesterschap van Hals in dit werk ten volle doen uitkomen en die het werk tot een hoogtepunt in diens oeuvre maakt.

Titel[bewerken]

De Amsterdamse schilder en historicus Jan van Dijk schreef in 1758 in zijn boek Kunst en Historiekundige beschrijving en opmerkingen over alle de schilderijen op het stadhuis dat alle figuren "zo dor en rank" waren dat het met recht de "magere compagnie" kon worden genoemd. Zijn kwalificatie ging een eigen leven leiden en sindsdien zou het werk onder deze titel bekend blijven.[4]

Historie[bewerken]

17e-eeuwse tekening van het Singel met rechts de Voetboogdoelen

De magere compagnie sierde eeuwenlang de wand van de ontmoetingsruimte van de Voetboogdoelen, het thuisgebouw van het gilde, totdat het gebouw in 1939 werd afgebroken. Samen met een aantal andere schuttersstukken, onder andere van Bartholomeus van der Helst, werd het werk overgebracht naar het Amsterdam Museum. In 1985 werd het verworven door het Rijksmuseum.

Van Goghs waardering[bewerken]

Vincent van Gogh drukte zijn waardering voor De magere compagnie uit in een brief aan zijn broer Theo uit oktober 1885: "Deze week ben ik in Amsterdam geweest; ik heb er haast geen tijd gehad οm iets anders te zien dan 't museum; ik was er 3 dagen, Dinsdag gegaan, Donderdag terug. Ik weet niet of ge u herinnert dat links van de Nachtwacht, dus als pendant van de Staalmeesteτs, een schilderij hangt (mίj was 't tot heden onbekend) een schilderij van Frans Hals en P. Codde, een twintigtal officieren ten voeten uit. Hebt ge daarop gelet??? 't is anders op zichzelf – vooral voor een colorist – alleen voor dat schilderij de reis naar Amsterdam wel waard. Daar is een figuur op, het figuur van den vaandrig, geheel in den linkerhoek tegen de lijst vlak aan –dat figuur is van top tot teen in grijs, laat ik 't noemen parelgrijs – van een eigenaardig neutralen toon, denkelijk verkregen met oranje en blauw zoo gemengd dat ze elkaar neutraliseren – door dien grondtoon te variëren op zichzelνen, door 't hier wat lichter te maken, daar wat donkerder, is met eenzelfde grijs als 't ware 't hele figuur geschilderd. (…) dίe οranje blanje bleu vent ίn den linker hoek… ik heb zelden goddelijk mοοier figuur gezien. Het ίs ίets enίgs. Delacrοix zοu er mee gedweept hebben – maar gedweept tot in 't oneindige. Ik stond er νan geworteld οp de plek letterlijk."

Literatuur en bronnen[bewerken]

  • Judikje Kiers, Fieke Tissink: Der Glanz des Goldenen Jahrhunderts. Holländische Kunst des 17.Jahrhunderts. Gemälde, Bildhauerkunst und Kunstgewerbe. Waanders, Zwolle, 2000, blz. 104-106. ISBN 9040094365
  • John Sillevis e.a.: De schilderkunst der Lage Landen. De zeventiende en achttiende eeuw, deel 2, blz. 157-164. Amsterdam University Press, 2007 ISBN 978-90-5356-834-7

Externe links[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Oorspronkelijke schrijfwijze: De Maegre Company
  2. Codde werkte ook nog aan de kostuums van de figuren van Hals, waar Hals mogelijk al grove schetsen van de figuren rechts had gemaakt en waarschijnlijk zelfs al enkele handen had geschilderd, hetgeen Codde mogelijk weer beperkte.
  3. Rembrandt kreeg bij het schilderen van zijn Nachtwacht over dit soort aspecten veel discussie met zijn opdrachtgevers.
  4. Het citaat waar de bijnaam door Van Dijk wordt gegeven, en een verwijzing naar blz. 30 in Van Dijks werk, is te vinden in P. Scheltema, Historische beschrijving der schilderijen van het stadhuis te Amsterdam. Deel I, Stadsdrukkerij 1879, pp. 14-15.