De tijd zelf

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De tijd zelf
Auteur(s) Harry Mulisch
Land Nederland
Taal Nederlands
Uitgegeven 30 oktober 2011
ISBN-code 978-9023476214
Vorige boek Siegfried
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De tijd zelf, met als ondertitel Drieluik, is een onvoltooide roman van Harry Mulisch, op 30 oktober 2011 postuum uitgegeven in combinatie met essays van Marita Mathijsen en Arnold Heumakers. Van het verhaal De tijd zelf zijn vijf versies overgeleverd, onder de volgende titels: Astra, Het literaire offer (een verwijzing naar het Musikalisches Opfer van Bach) en Het offer. De vijfde en laatste versie (22 bladzijden lang) is in zijn geheel in het boek opgenomen en bestaat uit drie hoofdstukken.

Inhoud[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

De hoofdfiguur is de bij zijn moeder wonende filosoof Melchior Post, die in Londen is voor een televisiedebat over de tijd met de Leuvense filosofieprofessor Oscar Embden. Post poneert dat het heden nuldimensionaal is, en dat het daarom onbestaande is. Daarmee beschouwt hij ook de Big Bang en de hele wereld als onbestaande. Maar aangezien hij niet kan ontkennen dat het heden bestaat, is het onmogelijke een feit, zegt hij. Embden daarentegen beweert dat het heden wel degelijk uitgestrektheid in de tijd bezit en ongeveer zeven seconden duurt.

Op de dag van het debat overslaapt Post zich doordat hij zijn wekker heeft omgestoten en het uur dus verkeerd aflas, iets wat Harry Mulisch daadwerkelijk overkwam op 4 december 1998. Ook heeft Post zijn vinger gebroken door in een droom zijn arm ongelukkig uit te strekken. Embden blijkt al uit de televisiestudio vertrokken te zijn. Post vertrekt in verwarring uit Londen, na zich tegenover de studio te hebben verontschuldigd.

Terwijl hij naar huis vliegt, stuurt Embden hem een e-mail: Ik geef mij gewonnen. Hieruit leidt Post af dat hij volgens Embden door zijn afwezigheid het bewijs heeft geleverd voor zijn 'theorie van het onbestaanbaar-bestaande heden'.

Het tweede hoofdstuk is niet meer in de ik-vorm geschreven, maar in de hij-vorm. Post ontwaakt 's morgens, terug thuis, en denkt terug aan zijn verblijf in Londen en zijn kindertijd. Het grotendeels onafgewerkte derde hoofdstuk gaat niet meer over Post, maar over een universiteitsprofessor die Post gekend heeft, Gustav Veblen. Er wordt gezegd dat hij een alcoholicus is en dat zijn dochter bij een ongeluk is omgekomen, wat eveneens met zijn verslaving te maken heeft.

Toelichting en documenten[bewerken]

Eerst volgt er een essay van hoogleraar en Mulisch-kenner Marita Mathijsen, waarin zij onder meer gesprekken aanhaalt die zij met hem had. Een tweede essay is geschreven door Arnold Heumakers en gaat over de rol van de tijd in Harry Mulisch' hele oeuvre. Hierop volgen het korte bewaarde gedeelte van Astra, fragmenten uit de volgende versies en ten slotte passages uit Mulisch' dagboek van 1998 tot 2003 die betrekking hebben op De tijd zelf. Dit alles wordt afgewisseld door notities en suggesties die Mulisch op papiertjes schreef en andere afbeeldingen in verband met het boek.