De verloochening van Petrus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De verloochening van Petrus
Rembrandt Harmensz. van Rijn 012.jpg
Verblijfplaats Rijksmuseum Amsterdam
Locatie Amsterdam
Kunstenaar Rembrandt
Jaar 1660
Type Olieverf op doek
Afmetingen 154 × 169 cm
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

De verloochening van Petrus is een schilderij van Rembrandt in het Rijksmuseum Amsterdam.

Voorstelling[bewerken]

Het stelt de verloochening van Petrus voor, een verhaal uit de Bijbel (Mattheus 26:69-75), waarin Petrus tijdens de arrestatie van Jezus aan een dienstmaagd ontkende hem te kennen om zo zichzelf te redden. Op het schilderij maakt Petrus met zijn linkerhand een gebaar in antwoord op de beschuldiging van de dienstmaagd die met een kaars in de hand naast hem staat. Links zijn twee soldaten in wapenrusting te zien, waarvan één zittend aan een tafel uit een kan drinkt. Rechts op de achtergrond keert de geboeide Christus zich om terwijl hij door soldaten wordt afgevoerd.

Toeschrijving en datering[bewerken]

Het werk is rechtsonder gesigneerd en gedateerd ‘Rembrandt 1660’.

Herkomst[bewerken]

Het werk was mogelijk in het bezit van de Amsterdamse koopman Marten Davidsz. van Ceulen (1617-1687). Twee schilderijen van Rembrandt, een Jakob worstelend met de engel en een Verloochening van Petrus (‘Twee grootte schilderijen van Rembrandt, d'eene vande worstelingh Jacobs, ende d'ander vande verloocheninge van Petrus’) worden vermeld in de inventaris van Van Ceulen opgemaakt op 24 maart 1687. In 1752 wordt het werk vermeld in Antoine Joseph Dezallier d'Argenville's boek Voyage pittoresque de Paris (‘Un grand tableau de Rembrant, représentant le reniement de S. Pierre’) in de verzameling van de Franse edelman Marc-René de Voyer d'Argenson (1722-1782) in Parijs. Hij zou het in 1759 of 1760 verkocht hebben aan Claude-Alexandre de Villeneuve, comte de Vence (1702-1760). Na zijn door werd het werk voor 500 franc geveild aan een onbekende koper. In 1780 wordt het werk vermeld in de catalogus van de verzameling van Sylvain-Raphaël de Baudouin. Deze verkocht het werk in 1781 samen met 118 andere schilderijen via Melchior Grimm aan Catharina II van Rusland. Tot 1933 bevond het zich in het door Catharina II opgerichte museum de Hermitage in Sint-Petersburg, één van de staatsmusea van Rusland. Op 10 juli 1933 werd het schilderij in het geheim door de regering van de Sovjet-Unie via kunsthandel Colnaghi & Co. verkocht aan het Rijksmuseum Amsterdam samen met het schilderij Titus als monnik. Deze aankoop kwam tot stand met steun van de Vereniging Rembrandt.