Decreet betreffende de eeuwige uitsluiting van de familie Oranje-Nassau van enige macht in België

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Het decreet nr. 5 van 24 november 1830 betreffende de eeuwige uitsluiting van de familie Oranje-Nassau van enige macht in België is een Belgische legislatieve akte die de mogelijkheid van het bekleden van een openbaar ambt in België door een lid van het Nederlandse koningshuis, namelijk de familie Oranje-Nassau, verbiedt. Het is een van de drie grondwettelijke teksten in België, aangenomen door het Nationaal Congres.

Historische achtergrond[bewerken]

België had zich in 1830 onafhankelijk verklaard van het koninkrijk der Nederlanden en dit decreet moest een terugkeer van koning Willem I der Nederlanden onmogelijk maken. Het had ook tot doel om de in het zuiden nog prominente orangisten de wind uit de zeilen te nemen.

De tekst stelt dat: Den volksraed verklaert dat de leden van het stamhuys van Oranje-Nassau voor altyd uyt alle magt of gezag in België uitgesloten zyn.[1]

Rechtmatigheid[bewerken]

Het decreet staat op gespannen voet met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met name met het verbod op discriminatie. Ook inzake verenigbaarheid met het vrij verkeer zijn er vraagtekens.

In het Verenigd Koninkrijk is om deze reden in 2013 een einde gemaakt aan het eeuwenoude verbod voor troonsopvolgers die met een rooms-katholiek gehuwd waren om de Engelse troon te bestijgen.[2] Dit verbod was ingevoerd door de Act of Settlement (1701).

Pogingen tot opheffing[bewerken]

In het Belgisch parlement zijn herhaaldelijk voorstellen ingediend om het decreet voor herziening vatbaar te verklaren, als eerste stap naar een opheffing. Het decreet heeft een grondwettelijk statuut en kan daarom niet worden gewijzigd of opgeheven zonder herzieningsverklaring door het uitgaande parlement.

De voorstellen in deze zin komen vaak van Vlaams-nationalistische politici.

1993[bewerken]

Het eerste wetsvoorstel om de eeuwige uitsluiting op te heffen, werd gelanceerd door Vlaams Blok-kamerlid Luk Van Nieuwenhuysen. zijn voorstel haalde het niet, maar gaf aanleiding tot een princiepsadvies door de Raad van State.[3]

2001[bewerken]

Op 1 februari 2001 waagde federaal volksvertegenwoordiger Alexandra Colen (Vlaams Blok) een volgende poging om het decreet af te laten schaffen, door het door de Kamer van Volksvertegenwoordigers voor herziening vatbaar te laten verklaren met later een eventuele opheffing tot gevolg.

Colen gaf een toelichting bij haar voorstel waarbij ze het onder andere had dat het decreet verouderd is en mogelijk zelfs in strijd is of zal worden met de antidiscriminatiewetten in België. Ook gaf ze aan dat het decreet gecreëerd werd op foutieve gronden. Zo was de taalpolitiek die Willem I voerde een zekere bescherming voor de Vlamingen, die na de Belgische onafhankelijkheid onderdrukt werden doordat de taalregeling werd afgeschaft en België in het Frans bestuurd werd.[4]

2003[bewerken]

In 2003 diende senator Frank Creyelman (Vlaams Blok), samen met zijn collega's en partijgenoten Wim Verreycken en Yves Buysse, opnieuw een voorstel van verklaring tot herziening. Dezelfde redenen als die van Alexandra Colen werden opgegeven.[5] Het voorstel luidde als volgt:

"De Kamers verklaren dat er reden bestaat tot herziening van het decreet nr. 5 van 24 november 1830 betreffende de eeuwige uitsluiting van de familie Oranje-Nassau van enige macht in België, om het op te heffen."

De uitslag van de stemming, waarbij 59 senatoren aanwezig waren, was als volgt: Aanwezig: 14 senatoren waren voor, 41 waren tegen en 4 senatoren onthielden zich. Het voorstel werd bijgevolg niet aangenomen.

Dezelfde stemuitslag werd aanvaard voor het volgende voorstel van verklaring van senator Luc Van den Brande. Dit voorstel luidde als volgt:

"De Kamers verklaren dat er redenen zijn tot herziening van de volgende bepaling van de Grondwet: Decreet nr. 5 van 24 november 1830 betreffende de eeuwige uitsluiting van de familie Oranje-Nassau van enige macht in België, teneinde het op te heffen."

2007[bewerken]

Op 26 oktober 2007 waagde Alexandra Colen (Vlaams Belang) opnieuw een poging om het decreet voor herziening vatbaar te laten verklaren door de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Haar toelichting was dezelfde als die van 2001.[6]

2010[bewerken]

Senatoren Yves Buysse en Filip Dewinter dienden op 23 december 2010 een nieuw voorstel in, maar het werd niet aangenomen.[7]

2014[bewerken]

Op 23 april 2014 probeerde N-VA-senator Karl Vanlouwe de herzienbaarverklaring van het decreet te bereiken door een amendement in te dienen op het ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet.[8] Het werd evenwel verworpen.