Destructiebedrijf

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een destructiebedrijf of vilbeluik (België) is een inrichting waar dode dieren en dierlijk restmateriaal worden verwerkt. Het gaat hier onder meer om dode huis- en boerderijdieren, slachtdieren die afgekeurd zijn voor consumptie en slachtafval.

Geschiedenis[bewerken]

In het verleden werden slachtafvallen en kadavers van vee gewoonlijk in het veld begraven of op vuilnisbelten gestort. Uit deze periode dateren nog de zogenaamde krengenbosjes, stikstofrijke plekken in afgelegen gebieden.

Het werd echter meer en meer duidelijk dat deze methode aanleiding gaf tot de verspreiding van veeziekten die ook de mens konden bedreigen. Miltvuur is daarvan wel het bekendste voorbeeld.

De eerste vorm van industriële aanpak van dierlijk afval was de kori-oven. Dit was een klein gebouwtje met een hoge schoorsteen, waarin slachtafval werd verbrand. Dergelijke ovens werden ingevoerd omstreeks het begin van de 20e eeuw. Deze ovens verrezen bij slachterijen. Ze verspreidden niet alleen stank, maar ze vergden veel energie en ze vernietigden niet alleen de bacteriën maar eveneens de bruikbare vetten en eiwitten.

In Nederland trad in 1922 de Vleeskeuringswet van 1919 in werking. Deze legde de verplichting om afgekeurde kadavers doeltreffend te verwerken bij de gemeenten. Zij kregen tot 1932 de tijd om maatregelen te nemen. Er werden toen enkele destructiebedrijven gebouwd door samenwerkende gemeenten, maar ook door particulieren en door boerenorganisaties. In 1938 was de destructie in het gehele land geregeld, met uitzondering van enkele eilanden. Later vond schaalvergroting plaats, zodat in Nederland nog maar een destructiebedrijf overbleef dat tegenwoordig onder een enkele onderneming, Rendac geheten, valt. In andere landen, zoals Duitsland, was het destructiebedrijf sterker gedecentraliseerd.

Proces[bewerken]

Het ophalen van kadavers bij de boeren is een logistiek probleem. Speciale vrachtauto's zijn vereist om in het concessiegebied de kadavers tijdig op te halen. Het kan zijn dat van runderen, voorafgaand aan de destructie, de huid wordt verwijderd. Deze is waardevol voor de lederindustrie. Vervolgens gaan de kadavers en slachtafvallen naar de sterilisatieketels waar ze worden verhit en de ziekteverwekkers gedood. De verhitting geschiedt met stoom die door de dubbele wand van de ketel wordt geleid. De temperatuur bedraagt 110-130 oC. In dit proces wordt het water verwijderd. Nu ontstaat een korrelige stof die wordt geperst, waardoor het vet wordt afgescheiden. De ontstane perskoeken worden tot eiwitrijk diermeel verwerkt. Het vet wordt als technisch vet verkocht ten dienste van, bijvoorbeeld, zeepbereiding of stearineproductie.

BSE-crisis[bewerken]

Met name na de uitbraak van de BSE-crisis (gekkekoeienziekte) is de regelgeving veel strenger geworden. De reden daarvoor was dat de ziekte-overbrenging door prionen plaatsvond. Deze konden niet door sterilisatie worden vernietigd en daardoor werd de ziektevekker verspreid door de consumptie van diermeel. Om deze reden is men, vanaf december 2000, onderscheid gaan maken tussen het onveilige categorie-1 en categorie-2 materiaal enerzijds, en het veilige categorie-3 materiaal anderzijds. De eerstgenoemde categorieën worden in afzonderlijke bedrijven onder strenge voorwaarden verwerkt. De eindproducten mogen niet langer meer voor dierlijke consumptie worden aangewend (de zogeheten feedban) en worden gebruikt als biobrandstof, bijvoorbeeld in de cementindustrie en voor elektriciteitsopwekking. De eindproducten van categorie-3 materialen kunnen nog wel voor dierlijke consumptie worden aangewend. Voor de verwerking van deze materialen bestaat een open markt.

Milieu[bewerken]

Destructiebedrijven werden meestal gevestigd op afgelegen plaatsen in verband met de stankoverlast die zij verspreidden, zowel door uitstoot naar de atmosfeer als via het afvalwater. Passende maatregelen hiertegen bestonden uit:

  • De bedrijfsgebouwen werken met een kleine onderdruk, waardoor enkel lucht van buiten naar binnen wordt gezogen. De afgewerkte lucht wordt via grote pijpen naar een biobedfilter geleid, een lange bak met biologisch actief turfstrooisel waarin de organische moleculen worden afgebroken.
  • Waterzuiveringsinstallaties van aanzienlijke capaciteit reinigen het afvalwater, waarbij waardevolle eiwitten worden teruggewonnen.

Europese regelgeving[bewerken]

De verwerking van dierlijk restmateriaal in de Europese Unie is tegenwoordig gereglementeerd door de verordening 1774/2002 [1] van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. Deze verdeelt de restmaterialen in drie categorieën:

  • categorie 1 materiaal: uitsluitend geschikt voor verwijdering: het betreft hier voornamelijk kadavers, slachtafval en overig materiaal van vee waar een kans bestaat voor BSE-besmetting, alsook kadavers van gezelschapsdieren
  • categorie 2 niet voor dierlijke consumptie: dit gaat onder meer om dierlijk materiaal dat besmet is met mest of residu's van geneesmiddelen
  • categorie 3 niet voor menselijke consumptie: Dit zijn slacht-bijproducten die ontstaan uit dieren die goedgekeurd zijn voor menselijke consumptie. Deze categorie slacht-bijproducten wordt niet door destructiebedrijven ingezameld maar door gespecialiseerde categorie 3 verwerkers. De grootste verwerker van deze categorie producten in Nederland is Sonac. De toepassingen van deze materialen zijn zeer divers, van dier- en mengvoeder tot organische meststoffen en biodiesel.

Hoewel het verwerken van dierlijk restmateriaal een open markt is, is Rendac in Nederland momenteel de enige vergunninghouder voor het ophalen en verwerken van categorie 1 en 2 dierlijk restmateriaal. Deze vergunning wordt verleend door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Rendac is gevestigd in de Brabantse gemeente Son en Breugel.

Externe link[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Verordening 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten.. Europese Unie (Oktober 2002) Geraadpleegd op 2008-04-26