Deugden en ondeugden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deugden en ondeugden zijn in het christendom in feite verbonden met goede werken en zonden. Ze vormen een dankbaar onderwerp voor de schilderkunst, vooral in kerken (bijvoorbeeld als fresco). De deugden en ondeugden worden in de kunst voorgesteld door gedaanten van vrouwen, die een attribuut dragen, soms door het attribuut alleen. Zowel het aantal deugden als het aantal ondeugden wordt in het algemeen op zeven gesteld door Aristoteles.

Deugden[bewerken]

De deugden: geloof, hoop, liefde, voorzichtigheid, rechtvaardigheid, kracht en matigheid. De eerste drie worden de goddelijke, de laatste vier de kardinale deugden genoemd.

Geloof, hoop en liefde worden voorgesteld door het kruis, het anker en het hart. De voorzichtigheid heeft als attribuut een slang, de rechtvaardigheid een weegschaal, de kracht (sterkte) een pantser, schild en zwaard, de matigheid een gestalte met twee schalen: zij giet de vloeistof van de ene schaal in de andere.

Sommige afbeeldingen tonen een ladder met vijftien sporten waarop evenzovele deugden rusten: geduld, zachtmoedigheid, eenvoud, vroomheid, nederigheid, verzaking der wereld, vrijwillige armoede, vrede, goedheid, geestelijke blijdschap, lijdzaamheid, geloof, hoop, standvastigheid en lankmoedigheid. Er zijn nog enige variaties.

Ondeugden[bewerken]

De zeven ondeugden zijn hoogmoed, afgunst, toorn, luiheid, gierigheid, gulzigheid en onkuisheid. Ze hebben als attribuut respectievelijk de pauw met spiegel of de leeuw, de sperwer, de haan, de uil, de geldbuidel, de kiekendief en de bok. Ze worden de Zeven Hoofdzonden genoemd.

De gedaante van deze vrouwen is altijd wanstaltig, verwaarloosd en onverzorgd. De zeven ondeugden worden soms uitgebreid met de wanhoop, afgoderij, nijd, hardvochtigheid, tweedracht, weerspannigheid, dwaasheid, domheid, lafheid enzovoorts.