Dialectiek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dialectiek is in het algemeen gezegd ofwel een redeneervorm die door middel van het gebruik van tegenstellingen naar waarheid probeert te zoeken, dan wel een metafysica, volgens welke zowel het denken als de wereld verandert c.q. zich ontwikkelt, ten gevolge van tegenstellingen (Herakleitos, Hegel, Marx en navolgers). Het begrip heeft een lange geschiedenis in de traditie van het westerse denken.

In de klassieke tijd was het nog meer dan tegenwoordig een argumentatievorm. Het woord dialectiek gaat terug op het Griekse dialegestai, "converseren", evenals dialoog en dialect ("streektaal"). Zeno (van Elea) wordt door Aristoteles de uitvinder van de dialectische kunst genoemd maar in zeer brede kring wordt Aristoteles zelf beschouwd als de meester of stichter van de dialectiek, temeer omdat het begrip dialectiek zelf al snel bijna geheel samenviel met dat van de (formele) logica (die van Aristoteles afkomstig is). Kant hanteerde een transcendentale dialectiek en in de tijd van Hegel en Marx kreeg het begrip er een aparte betekenis bij.

Zeno (van Elea)[bewerken]

Zeno van Elea.

Zeno van Elea zou door gebruikmaken van tegenstellingen geargumenteerd hebben tegen de realiteit van beweging en verandering, zegt Aristoteles over hem in zijn Fysika (deel 6, zie externe link). Zeno wordt echter begrijpelijker als men die beweging en verandering niet opvat als facetten van de empirie (zoals we zouden doen als we zijn voorbeelden strikt natuurwetenschappelijk zouden opvatten) maar als beschrijvingen van het Zijn. In feite moet Zeno beschouwd worden als een rationalistische kritiek op de aanhangers van het Vele en bestaat zijn dialectiek hieruit, dat hij probeerde aan te tonen dat het aanhangen van die (toenmalige) gedachtenstroming tot tegenstrijdige opvattingen leidt. (Pijlen komen namelijk wel gewoon bij hun doel aan.)

Sofisten[bewerken]

Door de sofisten werd de dialectiek opgevat als een manier om een ander ergens van te overtuigen.

Plato[bewerken]

Bij Plato worden de twee belangrijkste aspecten van de dialectiek met elkaar verenigd: de verteltechniek, die veelal uit een dialoog of een vraag- en antwoordspel bestaat, maakt gebruik van (bewust) opgeroepen tegenstellingen om de begrippen die het onderwerp van bespreking zijn nader af te bakenen. Bij Plato wordt de dialectische methode verheven tot een kunst, de dialogen blijken geen opgetekende willekeurige gesprekken te zijn maar de dialoogvorm is, vooral in de latere dialogen, zo gekozen dat er door de hele dialoog heen een zekere eenheid van het gedachtegoed op een constructieve manier gepresenteerd wordt. Tevens hanteert hij een zuiverder dialectiek door er alle mogelijke als manipulatie te ervaren aspecten (die er door toedoen van de sofisten wellicht nog aan kleefde) radicaal uit weg te laten. Zijn dialectiek had niet als doel om te overtuigen maar om de gedachtegang te onderzoeken en om waarheid te vinden. Ze was niet alleen destructief (ontkennend) maar kon binnen de dialoog als geheel ook constructief zijn. In zijn vroegere dialogen lag bij de begripsrealist Plato de nadruk op het zoeken naar de precieze inhoud van bepaalde (algemene) begrippen maar de iets meer ervaren lezer heeft in de gaten dat dit niet willekeurig gebeurt maar selectief, op grond van een reeds aanwezig algemeen overzicht. Plato liet Socrates, die zelf geen geschreven werk heeft nagelaten, in zijn dialogen overigens stevige kritiek leveren op de sofisten, mede vanwege hun verkeerd gebruik van de dialectiek.

Aristoteles[bewerken]

Door Aristoteles heeft het begrip dialectiek vaste vorm gekregen. Hij vergelijkt het met de retorica (de kunst van het overtuigen van anderen) maar hij zegt direct al in het begin van zijn werk dat de retorica als onderwerp heeft: "retorica is de tegenhanger van dialectiek" (zie externe link). Bij hem heeft dialectiek te maken met het integer zoeken naar waarheden, terwijl retoriek zoiets is als datgene wat de tegenwoordige spindoctors, voorlichters of reclameschrijvers doen. Hij onderscheidt in zijn "weerlegging van sofismen" vier soorten redeneervormen waarvan de dialectiek er een is (en het is daar de meest belangrijke vorm, de andere drie zijn minstens ten dele triviaal). Hij zegt erover: "het dialectische argument vertrekt vanuit algemeen aanvaarde premisses (endoxa) om uiteindelijk een bepaalde gegeven stelling tegen te spreken". (zie externe link, 'Weerlegging sofismen' sectie 2) Het klassieke bewijs uit het ongerijmde, bijvoorbeeld, zou bij hem dus steunen op een dialectische gedachtegang.

Kant[bewerken]

Immanuel Kant kan, als transcendentaal filosoof, niet anders doen dan de (traditionele) dialectiek, die hij omschrijft als "het organon van de traditionele logica" weg te zetten als de "logica van de schijn". Dat liet hij al zien bij de introductie van zijn zogenaamde antinomieën. Logica en (dus) dialectiek zullen bij hem dus rekening moeten houden met de verworvenheden van het transcendentale gedachtegoed. Dit gedachtegoed, bekeken vanuit vogelvluchtperspectief, drukt de bijzondere bestemming van de rede uit, en deze bestaat uit het principe van de systematische eenheid bij het gebruik van het menselijk verstand. (Kant is dus kennelijk op verscheidene manieren een idealist.) Als men echter de fout maakt deze kenwijze te zien als iets wat de dingen constitueert in plaats van als iets wat een slechts regulerende functie heeft, dan zal de rede uiteindelijk in zichzelf verdeeld raken. (Prolegomena, sectie 56) Dit sluit overigens uitstekend aan bij het (ook) constructieve karakter van de dialectiek in Plato's dialogen: daar was, vooral in de midden- en latere dialogen, namelijk al sprake van een zelfde soort eenheid.

Kant en Hegel[bewerken]

Het voornaamste verschil, wat betreft de dialectiek, tussen Kant (en voorgangers, en vele neo-Kantianen) enerzijds en Hegel, Marx en navolgers anderzijds, is dat Kant, zonder het met zoveel woorden te zeggen, de afzonderlijke dingen (inclusief de afzonderlijke elementen van de rede en logica) binnen het kenproces als stabiel beschouwt. Bij Hegel is het anders. Daar waar Kant nog waarschuwde tegen een te absoluut gebruik van de logica omdat deze, toegepast op de dingen van de werkelijke wereld, slechts veilig kon worden geacht binnen haar transcendentale toepassingen, en waar de rede in zichzelf verdeeld zou kunnen raken als men dit in de wind zou slaan (zie de vier antinomieën van Kant), daar laat Hegel zonder enig probleem alle dingen veranderen in een dialectisch proces. Hij is een objectief idealist, dus vallen bij hem denken en werkelijkheid samen. Bestaat bij Kant en zijn belangrijkste voorgangers de geschiedenis voor de beschouwer uit een soort comperatieve statica (als in een film; de afzonderlijke beeldjes veranderen niet), daar laat Hegel de dingen zelf veranderen. Zowel die van het onderwerp als wel die van het beschrijvend begrippenkader. Uiteindelijk kan bij hem het 'zijn' omslaan in het 'niets' om op een hoger niveau terug te komen dan het 'worden'. Goethe parodieerde dit soort filosofie (waarin de dingen hun eigen gang gaan maar waar onduidelijk is wie er nu precies de leiding heeft) in zijn gedicht Der Zauberlehrling.

Marx[bewerken]

De dialectiek is een belangrijk onderdeel in de werken van Hegel en Karl Marx. Daar is 'dialectiek' een term die gebruikt wordt voor het denken vanuit twee polen (de these en de antithese). De tegenstelling tussen these en antithese wordt opgeheven (letterlijk betekenis op een hoger plan gebracht) door de synthese. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze triade (these-antithese-synthese) bij Hegel zelf niet voorkomt, hij is door Fichte voor het eerst zo onder woorden gebracht en wordt door de Marxisten aangenomen als een handige en bondige samenvatting van Hegel.

Marx zelf moest aanvankelijk (als jong student) overigens niet zoveel hebben van de heersende Hegeliaanse filosofie. In een brief aan zijn vader (10 nov 1837, zie link) zei hij erover: "Ich hatte Fragmente der Hegelschen Philosophie gelesen, deren groteske Felsenmelodie mir nicht behagte." Uit de rest van de brief menen sommigen zelfs op te kunnen maken dat hij er zelfs fysiek onpasselijk van werd.

Meer plastisch uitgelegd is het het verschijnsel dat twee zich onafhankelijk van elkaar ontwikkeld hebbende visies over een onderwerp met elkaar in conflict lijken te komen en dat een nieuwe kijk op die situatie de mogelijkheid geeft om ze naast elkaar te analyseren zodat er een verbeterde visie op het onderwerp kan ontstaan.

De term aardt goed in de denktrant van existentialisme. Hegel wordt er veel mee geassocieerd en Jean-Paul Sartre (het grootste hoofdstuk in het existentialisme) is er met zijn schijnbaar eindeloze denklagen, analyses en constateringen een meester in.

In meer geschied/maatschappelijke context werd het denken van Karl Marx dus dialectisch genoemd: de onderverdeling van een samenleving in een onderbouw (arbeiders) en een bovenbouw (kapitalistisch) waarin Marx als "supervisor" de interactie onderkent.

Externe links[bewerken]