Dichtbloemig kweldergras

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dichtbloemig kweldergras
Puccinellia rupestris plant (01).jpg
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (Planten)
Stam:Embryophyta (Landplanten)
Klasse:Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade:Bedektzadigen
Clade:Eenzaadlobbigen
Clade:Commeliniden
Orde:Poales
Familie:Poaceae (Grassenfamilie)
Onderfamilie:Pooideae
Geslachtengroep:Poeae
Geslacht:Puccinellia (Kweldergras)
Soort:Puccinellia distans
Ondersoort:ondersoort
Soort
Puccinellia rupestris
(With.) Fernald & Weath. (1916)
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Dichtbloemig kweldergras (Puccinellia rupestris, synoniem: Pseudosclerochloa rupestris, Poa rupestris, Poa procumbens, Glyceria procumbens) is een eenjarige- of tweejarige plant die behoort tot de grassenfamilie (Poaceae). De plant komt van nature voor in de west-Europese kustgebieden. Dichtbloemig kweldergras staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als in Nederland niet meer aanwezig. Het aantal chromosomen is 2n = 42.[1]

De plant wordt 10 -50 cm hoog. De stengels liggen meestal uitgespreid, maar zijn soms opstijgend. De 2 - 4 mm brede, grijsgroene bladeren zijn vlak.

Dichtbloemig kweldergras bloeit van juni tot in augustus. De 3 - 6 cm lange bloeiwijze is een eenzijdige, dichte, stijve pluim met schuin tot recht afstaande takken. De 6 - 8 mm lange, zeer kort gesteelde aartjes bestaan uit 3 - 5, 3 mm lange bloemen. De kelkkafjes hebben een vliezige rand. Het onderste, 1- 3 nervig kelkkafje is 2 - 3 mm lang en het 3 - 5 nervige bovenste is 2,5 - 3 mm lang. Het onderste 2,8 - 4 mm lange kroonkafje (lemma) heeft vijf nerven, waarbij de middennerf tot de top doorgaat. Het bovenste kroonkafje is 3,5 mm lang. De helmknoppen zijn 0,6 -0,8 mm lang.

De vrucht is een 3,5 mm lange en 1 mm brede graanvrucht.

Ecologie en verspreiding[bewerken]

Dichtbloemig kweldergras staat op zonnige, open, vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke, vaak betreden en bereden, matig zilte tot zilte grond (klei, stenige plaatsen en soms op veen). Ze wordt aangetroffen aan waterkanten, op schorren, in buitendijkse weilanden, in en op kleiwegen en karrensporen en is vroeger ook aangetroffen langs diverse grachten in Amsterdam. Deze kustplant met een beperkt West-Europees areaal bereikt hier haar noordoostgrens. De soort was vroeger vrij algemeen in de laagveengebieden langs het IJ en de voormalige Zuiderzee en was zeer zeldzaam in Zeeland. Na afsluiting van de Zuiderzee is de soort hier sterk achteruitgegaan en uiteindelijk helemaal verdwenen. In 1987 heeft er nog een laatste opleving plaatsgevonden bij Kampen. Helaas is deze groeiplaats vernietigd door het storten van puin. Zo duidelijk als het verdwijnen van de soort uit het Zuiderzeegebied te verklaren valt, zo onduidelijk is haar verdwijnen uit het Zeeuwse.[2]

Externe links[bewerken]