Dick Ket

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dick Ket
Zelfportret (1932), Museum Boijmans Van Beuningen[1]
Persoonsgegevens
Volledige naam Dirk Hendrik Ket
Geboren Den Helder, 10 oktober 1902
Overleden Bennekom, 15 september 1940
Geboorteland Vlag van Nederland Nederland
Nationaliteit Nederlands
Beroep(en) Kunstschilder
Oriënterende gegevens
Jaren actief c. 1917 - 1940
Stijl(en) Impressionisme, Magisch realisme
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Dirk Hendrik (Dick) Ket (Den Helder, 10 oktober 1902 - Bennekom, 15 september 1940) was een Nederlandse kunstschilder.[2]

Jeugd en opleiding[bewerken]

Dick Ket werd geboren in Den Helder; zijn ouders heetten Libbe Ket en Juliana Otten. Dick Ket was hun enige kind. Hij werd geboren met een hartafwijking; zijn hart bevond zich aan de rechterkant en had bovendien inwendige vergroeiingen, waardoor hij al jong veel benauwdheid kende en blauw aanliep.[2] Vanwege het werk van zijn vader - militair apothekersassistent - veranderde de familie Ket een aantal keren van woonplaats.
In Den Haag begon Ket aan de hbs; zijn eindexamen hiervoor deed hij in 1921 in Hoorn. Op de HBS ontmoette hij twee leraren die zijn visie op kunst en op leven vergaand zouden bepalen. Zijn tekenleraar Johan C. Kerkmeijer stimuleerde hem om lid te worden van het Hoorn's Teekengenootschap 'Debutade', waar hem de beginselen van het tekenen werden bijgebracht. Het was ook Kerkmeijer die hem de ogen opende voor het geestelijke, het de stof overstijgende element in het schone van de kunst en in voorwerpen waarmee de mens omringd is. Henri A. Naber, zijn natuur- en scheikundeleraar, bracht hem zijn belangrijkste levensles bij; Naber was een overtuigd theosoof en auteur van wetenschappelijke werken waarin hij onder andere de relatie tussen meetkunde en mystiek wilde aantonen; zijn uitleg van de 'wet der verevening' (de tweede hoofdwet van de thermodynamica), alsook de tekening waarmee Naber deze natuurkundige wet verduidelijkte – een sinuslijn die golvend over een rechte lijn is getekend – zijn Ket gedurende zijn hele, korte leven bijgebleven.[2]

Nadat zijn vader in 1922 weer overgeplaatst werd, ditmaal naar Ede, vestigde de familie zich in Gelderland, eerst in de buurt van de kazerne, vervolgens in het dorp Ede zelf. Ket schreef zich in aan de Middelbare School voor Kunstnijverheid Kunstoefening in Arnhem, waar hij in 1923 en 1925 zijn tekenaktes behaalde. Tijdens de academiejaren, en ook enige tijd nadien, volgde hij daarnaast op zaterdag schilderlessen bij de directeur van Kunstoefening Gerard van Lerven. Kets medeleerling en vriend daar was Johan Mekkink, op wie Ket veel invloed had qua schilderstijl; dezelfde Mekkink zou later directeur van het Arnhems museum worden en veel werk van Dick Ket aankopen voor het museum.[3] Ook leerde hij daar zijn latere verloofde kennen, Nel Schilt, die tekenlerares zou worden.[2]

Leven en werk[bewerken]

vroegere werk[bewerken]

Aanvankelijk maakte Ket in een impressionistische stijl landschappen en stillevens, geschilderd met brede penseelstreek en paletmes, wat resulteerde in dik opgebrachte, schetsmatige verfstreken, zoals goed te zien is in zijn vroegere schilderij 'Landschap met gezicht op kerk van Nijkerk'[4]. Hij was in die jaren een groot bewonderaar van de Nederlandse kunstschilders Breitner en Floris Verster die een vergelijkbare stijl hanteerden.

zijn latere werk[bewerken]

Rond 1930, toen hij bij zijn ouders in het door hemzelf ontworpen huis in Bennekom woonde, ging zijn gezondheid achteruit; hij kreeg meer last van benauwdheid en depressies. Hij ging niet langer naar buiten om te schilderen, maar zocht zijn onderwerpen binnenshuis. Hij veranderde nu ook sterk van schilderstijl, van impressionisme naar een heel verfijnde en gedetailleerde, realistische weergave; hij noemde zichzelf in een van zijn brieven 'martelaar van het marterhaar', omdat de fijnste penselen van marterhaar zijn gemaakt en hij dagenlang bezig was met een precieze weergave van de gekozen voorwerpen.[5]

Tegelijkertijd kreeg hij veel belangstelling voor het hoekige lijnenspel van het kubisme, dat hij was tegengekomen op de affiches van de Franse schilder en vormgever A.M. Cassandre; hoewel Ket nooit een echte kubist is geworden. Wel liet hij in zijn werk een spel zien met geometrische vormen zoals de kubus, de rechthoek en de cilinder, die vaak terug te zien zijn in de sterk geometrisch bepaalde ordening van zijn stillevens.

stillevens[bewerken]

Zijn stillevens bestaan uit een tafeloppervlak met daarop uitgespreid voorwerpen, die afkomstig zijn uit zijn directe omgeving - gebruiksvoorwerpen die gemakkelijk voorhanden waren. Zo zien we in meerdere van zijn stillevens een theedoek, een waterkom, een stuk brood en een ei. De ogenschijnlijk willekeurige selectie voorwerpen krijgt in zijn schilderijen in veel gevallen een bepaalde betekenis, door zijn keuze voor een specifieke combinatie.[6] Zo stelde Ket bijvoorbeeld in 1933 een 'Sint Nicolaas stilleven' samen, met als onderdelen: een aantal maskers, een afbeelding van een Spaanse danseres, een afgescheurd kalenderblaadje van 'december 5' en een speelgoedpaardje.[7] Hij kon soms dagenlang bezig zijn met het schikken van de voorwerpen, om tot een goede compositie te komen. Vaak plaatste hij zijn stilleven op een laag tafeltje, links van zijn schildersezel, zodat hij er van bovenaf op kon kijken, als een close-up.[5]
Voor de compositie van zijn stillevens waren de 'kubistische' affiches van de Fransman A.M. Cassandre inspirerende voorbeelden, maar ook gebruikte hij deze letterlijk in zijn stillevens; zijn bekende reclameplaten voor diverse Droste's chocoladeproducten zijn in veel van Kets voorstellingen als voorwerp opgenomen. In navolging van Cassandre stelde hij zijn arrangementen volgens een driehoekige compositiefiguur samen, of langs de diagonaal die het doek in tweeën deelt. Hij gebruikte deze hulpmiddelen om zo een strakke, moderne compositie te maken, en om de ruimtelijk weergegeven voorwerpen en figuren in de voorgrond op een decoratieve wijze te verbinden met de ondergrond in zijn stillevens.[2]

levensvisie[bewerken]

In navolging van zijn voormalige HBS-leraar Naber was Ket ervan overtuigd dat de fysische 'wet der verevening' ook op het leven zelf van toepassing was; ook daar kon niets verloren gaan, maar gingen feiten, situaties en gebeurtenissen slechts van de ene vorm over in een andere, een tegengestelde vorm. Tegenover dieptepunten, in Nabers tekening gesymboliseerd door de lussen onder de lijn, stonden altijd weer hoogtepunten: de lussen boven de rechte streep. Voor Ket, die in de loop van de jaren '20 steeds vaker last kreeg van benauwdheden (door zijn hartgebrek), en zich daardoor bewust werd van de voortdurende nabijheid van een plotselinge dood, werd deze wet een les waaruit hij veel troost putte. De wet gaf zin aan zijn bestaan; tegenover de dieptepunten die zijn ziekte hem bezorgde, stonden hoogtepunten waarin hij deel kon nemen aan het leven en er een bijdrage aan kon leveren, later vooral een artistieke.[2]

In zijn latere werk komt vooral zijn levensfilosofie naar voren. Samengevat komt die hierop neer: hij geloofde in twee tegengestelde werelden, die elkaar in balans hielden, de wereld van het 'zijn', de materiële wereld, tegenover die van het 'niet-zijn', de geestelijke. In alle verschijnselen, dingen en feiten zag Ket de strijd en verhouding tussen het materiële en geestelijke deel van het bestaan. Ook in zijn kunst zelf kwam deze visie tot uiting. Het ging hem als kunstenaar niet alleen om een natuurgetrouwe weergave van de dingen. Zijn koele, objectieve benadering staat in dienst van de gedachte dat ook aan dode voorwerpen in het schilderij bezieling toegedicht kan worden.[bron?] Zo schreef hij in een brief uit 1932 aan zijn verloofde Nel Schilt:

'..dat er meer is tussen Hemel en Aarde, ik denk hieraan zo dikwijls als ik stilleven schilder. Juist in deze dode dingen voel ik de aanwezigheid van het alomvertegenwoordige en ik betrap me erop, dat ik met liefde over deze dode voorwerpen kan denken en ze behandelen.' [5]

Zijn levensvisie valt af te leiden uit zijn brieven, die tussen 1930 en zijn dood (hartstilstand) in 1940 zijn enige contact met de buitenwereld vormden. Door ziekte was Ket aan huis gebonden. Hij leed aan toenemende vermoeidheid en verschillende fobieën, als straatvrees en vreemdelingenangst. Dit geïsoleerde bestaan is ook de reden dat enkele voorwerpen meerdere keren terugkomen in zijn stillevens, zoals het witte kommetje, geraniums, het houten paardje en reclameposters; deze voorwerpen waren voorhanden in zijn ouderlijk huis.

Galerij van werken[bewerken]

Nalatenschap[bewerken]

Ket is begraven op de begraafplaats achter de kerk van Bennekom. Dit graf is door de gemeente Ede in onderhoud genomen zodat het niet verdwijnt.[8] Zijn huis aan de Prins Bernhardlaan is aangemerkt als gemeentelijk monument.

Exposities[bewerken]

Tijdlijn[bewerken]

Salvador DalíJohan MekkinkPyke KochCarel WillinkJan MankesWim Schuhmacher (kunstenaar)

Werk in openbare collecties (selectie)[bewerken]

Links[bewerken]