Dienst Speciale Interventies

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Dienst Speciale Interventies (DSI) is 1 juli 2006 opgericht en is ondergebracht bij de Nationale Politie. De DSI is 24/7 beschikbaar en in staat om een snelle en adequate respons te geven bij een terroristische aanslag of andere vormen van grof geweld.

Personeel van de DSI wordt – op vrijwillige basis – gerekruteerd uit de arrestatieteams van de politie, BSB en de UIM. De intensieve, zware opleiding heeft deels plaats in Doorn en Hilversum, waarbij faciliteiten van het Korps Mariniers worden gebruikt.

Geschiedenis[bewerken]

Naar aanleiding van een (deels) vertrouwelijk advies van professor Cyrille Fijnaut en een deskundigenrapport vanuit het Openbaar Ministerie (OM), de politie en het ministerie van Defensie, is door het kabinet Balkenende-II besloten om het oude stelsel, de Bijzondere Bijstands Eenheid te herzien. De belangrijkste redenen hiervoor waren om (1) meer samenhang te waarborgen in het stelsel en (2) een optimale aanpak van het hedendaagse terrorisme te waarborgen. De Tweede Kamer werd op 3 juni 2005 geïnformeerd over dit kabinetsstandpunt. Onder regie van de Nationaal Coördinator terrorismebestrijding (NCTb) is de nieuwe dienst DSI in 2005 officieus van start gegaan. De officiële oprichting was 1 juli 2006.

In 2007 verscheen een rapport waaruit bleek dat de DSI kampte met een chronisch gebrek aan personeel, omdat mensen ontslag nemen omdat ze vinden dat ze te weinig worden ingezet.[1] De Commissie ter evaluatie van de herinrichting van het stelsel van speciale eenheden concludeerde in haar rapport dat er vertrouwen was in het stelsel en dat het stelsel in algemene zin aan zijn doel beantwoordt. De commissie was enthousiast over de samenwerking tussen politie en militairen.[2]

In 2015, na de aanslag op de redactie van het Franse magazine Charlie Hebdo, ontstond de behoefte aan snellere en meer flexibele inzet van speciale eenheden in Nederland. Als reactie hierop werden de Rapid Response Teams (RRT) opgericht. Hierop werden DSI-eenheden direct inzetbaar, in flexibele teams, vanuit meerdere locaties in Nederland. De DSI kreeg structureel extra budget om uit te breiden. In 2015 €14,4 miljoen, in 2017 €10 miljoen, in 2018 €18 miljoen en vanaf 2019 €22 miljoen.

Begin 2018 werd bekend dat er een tegenvallende instroom van personeel is en duurt de uitbreiding van de formatie, ondanks voldoende budgettaire middelen, langer dan verwacht bij de DSI en blijft de roosterdruk groot (overuren).

Speciale eenheden/units binnen overkoepelende DSI[bewerken]

Het stelsel van de overkoepelende DSI bestaat uit de volgende speciale eenheden:

  • 1. Aanhoudings- en Ondersteuningseenheden (AOE’en): Tegenwoordig opererend als Rapid Response Teams (RRT): van de Politie en Marechaussee. De afdeling bestaat uit zo'n 150 man, verdeeld over zes teams. RTT teams rijden door het hele land om snel op de plek van een incident te kunnen zijn.
  • 2. Unit Interventie: Een klein team bestaand uit mariniers, politiemensen en leden van de marechaussee en beschikt over geweren waarmee nauwkeuriger geschoten kan worden, ook door bepantsering heen. Unit Interventie voert kleine operaties uit met een hoog risico.
  • 3. Unit Interventie Mariniers (UIM): NLMARSOF Special forces van het Nederlandse Korps Mariniers. De UIM is verantwoordelijk voor 4 soorten bijzondere objecten: grote specifieke gebouwen, boorplatformen, ferry’s en grote vliegtuigen.
  • 4. DSI Expertise & Operationele Ondersteuning (UE&OO): Deze eenheid heeft scherpschutters, die tegenstanders op lange afstand kunnen uitschakelen.

Organisatorische inrichting DSI[bewerken]

Organisatorisch heeft de DSI alleen de verantwoordelijkheid over twee van deze diensten, te weten Unit Interventie en de Unit Expertise & Operationele Ondersteuning. Het feitelijke gezag en goedkeuring is neergelegd bij de minister van het Openbaar Ministerie. De andere twee diensten binnen het DSI-koepel (de Aanhoudings- en Ondersteuningsdiensten en de Unit Interventie mariniers) vallen qua beheer onder verantwoordelijkheid van respectievelijk de Nationale Politie of de Koninklijke Marechaussee en het Ministerie van Defensie.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]