Dirk Jan de Geer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dirk Jan de Geer
Dirk Jan de Geer
Dirk Jan de Geer
Algemene informatie
Volledige naam Dirk Jan de Geer
Geboren Groningen, 14 december 1870
Overleden Soest, 27 november 1960
Partij CHP, CHU
Titulatuur jhr. mr.
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Nederland

Jhr. Dirk Jan de Geer (Groningen, 14 december 1870Soest, 27 november 1960) was een Nederlands politicus en telg van de familie De Geer. De Geer was diverse malen Tweede Kamerlid, en tevens raadslid in Rotterdam, gedeputeerde van Zuid-Holland en burgemeester van Arnhem en enkele malen minister van Financiën. Hij was onder meer minister-president van het eerste oorlogskabinet in 1940, Kabinet-De Geer II, dat uitweek naar Londen. Hij moest in augustus 1940 aftreden en werd na de oorlog gerechtelijk veroordeeld.

Politieke loopbaan[bewerken]

Leider CHU[bewerken]

Na een cum laude promotie in de rechten in 1895 en een politieke en journalistieke carrière kwam De Geer in 1907 in de Tweede Kamer voor de Christelijk-Historische Partij (CHP, in 1908 opgegaan in de Christelijk-Historische Unie CHU), waarin hij aanvankelijk als vooruitstrevend te boek stond. Zo pleitte hij al in 1909 voor invoering van het algemeen kiesrecht, een standpunt waarmee hij aan de rechterzijde alleen stond. Na het vertrek van Alexander de Savornin Lohman werd De Geer de leider van de CHU.

Minister en premier[bewerken]

Tussen 1921 en 1933 was hij enkele malen minister van Financiën. In 1923, tijdens het tweede kabinet-Ruijs de Beerenbrouck, trad hij af omdat hij zich niet kon verenigen met de financiële gevolgen van de Vlootwet. Een belangrijk wetgevend succes was zijn Financiële-Verhoudingswet. In totaal was hij meer dan tien jaar minister van Financiën, een tijdsduur die slechts wordt geëvenaard door Pieter Philip van Bosse en Gerrit Zalm. In 1926 viel het kabinet-Colijn I, waarin hij minister van Binnenlandse Zaken was, in de Nacht van Kersten op de kwestie van het Vaticaans gezantschap. De Geer vormde een extraparlementair kabinet (Kabinet-De Geer I) dat het tot 1929 zou uithouden. In 1933 werd hij benoemd tot minister van staat. Zijn bestuurlijke carrière leek ten einde, maar door de dreiging van een wereldoorlog werd nogmaals een beroep op hem gedaan.

Oorlogsjaren[bewerken]

Na de val van het Kabinet-Colijn V in juli 1939 vormde De Geer het eerste kabinet met sociaaldemocraten (Kabinet-De Geer II, 1939-1940). Zijn langdurige politieke loopbaan moest hij enkele maanden na aanvang van de Tweede Wereldoorlog gedesillusioneerd beëindigen, omdat koningin Wilhelmina het vertrouwen in hem verloor wegens zijn defaitistische houding. Zij dwong hem eind augustus 1940 ontslag te nemen als premier en als minister van Financiën. Zijn standpunt dat Groot-Brittannië de oorlog nooit zou kunnen winnen en dat er vrede met nazi-Duitsland gesloten moest worden, werd door haar en anderen gezien als schadelijk voor het aanzien van de Nederlandse overheid bij de geallieerden en de neutrale staten. Wilhelmina verving hem door Pieter Sjoerds Gerbrandy. De Geer keerde in 1941 terug naar het bezette Nederland, zonder goedkeuring van Gerbrandy maar met toestemming van de Duitse bezettingsautoriteiten. De terugkeer van een oud-minister-president kwam hen om propagandistische redenen goed uit. Ook de NSB verheugde zich over zijn terugkeer. De regering in ballingschap beschouwde zijn terugkeer als desertie.

In 1942 publiceerde De Geer de brochure De synthese in den oorlog waarin hij zijn terugkeer uit Londen verdedigde, aangaf geen heil te zien in een voortzetting van de oorlog tegen de Duitsers en voorstander was van een synthese van democratie en nationaal-socialisme. In het bezette Nederland kreeg hij de bijnaam Jonk de G: zonder heer en zonder eer.

De Geer kwam in januari 1942 in contact met de verrader Anton van der Waals. Deze zocht toenadering tot de oud-premier en deed zich voor als geheim agent. In naam van koningin Wilhelmina vroeg hij of De Geer wilde toetreden tot een nieuw opgericht Nationaal Comité, dat bestond uit bekende politici en zakenlui. De Geer zei dat hij wel wilde toetreden als de koningin zich kon vinden in de inhoud van de net afgeronde – maar nog niet gepubliceerde – brochure De synthese in den oorlog. Van der Waals zorgde er daadwerkelijk voor dat de tekst van de brochure via een bevriende handelaar een maand later in Engeland terechtkwam. Doordat de Nederlandse regering de inhoud kende, kon zij er na verschijning snel afstand van nemen via Radio Oranje. Van der Waals liet kort daarna niets meer van zich horen. Waarschijnlijk had hij toenadering gezocht om erachter te komen of De Geer nog in contact stond met Londen, wat dus niet het geval was.[1]

Vervolging[bewerken]

De Geers houding bracht hem na de oorlog voor de bijzondere strafrechter en hij werd in oktober 1947 tot een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld wegens opzettelijke benadeling van de staat. Na de strafrechter volgde de zuivering: op 12 november 1947 werd hij ontslagen als minister van staat. Ook moest hij in 1950, op sterk aandringen van (toen: prinses) Wilhelmina, zijn Nederlandse onderscheidingen, de Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, inleveren.[2]

Biografie[bewerken]

Meindert van der Kaaij promoveerde in 2012 op De Geer met het proefschrift Een eenzaam staatsman, een biografie van Dirk de Geer. Daarin betwijfelt de journalist van dagblad Trouw of De Geer na de oorlog een eerlijk strafproces gekregen heeft. De procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof die hem aanklaagde, Nico Sikkel, was een zwager van Pieter Gerbrandy. Deze had hem aan die positie geholpen, toen Gerbrandy minister van Justitie was. Gerbrandy spande zich volgens Van der Kaaij in om De Geer veroordeeld te krijgen. Zo stelt Van der Kaaij dat Gerbrandy wederrechtelijk selectief geheime notulen van de ministerraad aan zijn zwager heeft gegeven.[3][4]

Trivia[bewerken]

  • Onder de eerste leden van Vitesse bevond zich ook jonkheer Dirk Jan de Geer. Als twintiger kwam hij korte tijd uit voor de cricket- en voetbalclub uit Arnhem.
Voorganger:
A.J.A.A. baron van Heemstra
Burgemeester van Arnhem
1920-1921
Opvolger:
S.J.R. de Monchy
Voorganger:
S. de Vries Czn
Minister van Financiën
1921-1923
Opvolger:
H. Colijn
Voorganger:
Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck
Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw
1925-1926
Opvolger:
J.B. Kan
Voorganger:
H. Colijn
Minister van Financiën
1926-1933
Opvolger:
P.J. Oud
Voorganger:
H. Colijn
Voorzitter van de Ministerraad
1926-1929
Opvolger:
Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck
Voorganger:
H. Colijn
Minister van Algemene Zaken a.i.
1939-1940
Opvolger:
H. van Boeijen
Voorganger:
C.W. Bodenhausen
Minister van Financiën
1939-1940
Opvolger:
Ch.J.I.M. Welter
Voorganger:
H. Colijn
Voorzitter van de Ministerraad
1939-1940
Opvolger:
P.S. Gerbrandy