Discretionaire bevoegdheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een discretionaire bevoegdheid is in het Nederlands bestuursrecht een bevoegdheid die een bestuursorgaan in meer of mindere mate de vrijheid toekent om in concrete gevallen naar eigen inzicht een besluit te nemen.[1] Deze bevoegdheid onderscheidt zich daarmee van gebonden bevoegdheden en wordt ook wel aangeduid met het begrip beslissingsvrijheid.

De discretionaire ruimte is onder te verdelen in beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid. Van beoordelingsvrijheid is sprake als het bestuursorgaan bij het nemen van een besluit vrij is om te beoordelen of aan de in de wet genoemde voorwaarden is voldaan. De rechter toetst de uitoefening van een bevoegdheid waarbij sprake is van beoordelingsvrijheid marginaal. In de regel vraagt hij zich dan af of het bestuursorgaan "in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen".[2] In de wettekst moeten "vage termen" zijn opgenomen, wil men kunnen spreken van beoordelingsvrijheid. Van beleidsvrijheid is sprake als het bestuursorgaan vrij is om al dan niet van een bevoegdheid gebruik te maken.[2] In de wettekst wordt gebruikgemaakt van de woorden "kan" en "is/zijn bevoegd" om aan te geven dat sprake is van beleidsvrijheid. Een voorbeeld van een bepaling waarin zowel sprake is van beleidsvrijheid als beoordelingsvrijheid is artikel 173, derde lid, van de Gemeentewet:

Aanhalingsteken openen

De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

Aanhalingsteken sluiten
— Vetgedrukt door redactie.

Of sprake is van verstoring van de openbare orde is aan de vrije beoordeling van de burgemeester overgelaten. Is de burgemeester van mening dat de openbare orde verstoord wordt, of dat daarvoor ernstige vrees bestaat, dan is het aan hem om te bepalen of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt om "de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde".

Dat het bestuursorgaan vrij is in zijn beoordeling betekent overigens geenszins dat het volledig naar eigen inzicht kan beslissen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur verbieden ongelijke behandeling bij gelijke gevallen en vereisen dat aan de uitoefening van de vrijheden invulling wordt gegeven door, bijvoorbeeld, het opstellen van beleidsregels, om willekeur te voorkomen.