Dispuut van Valladolid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Het Dispuut van Valladolid was een discussie tussen de Dominicaanse Bartolomé de Las Casas en de priester Juan Ginés de Sepúlveda over de rechtvaardiging van slavernij van indianen (1550-1551).

Geschiedenis[bewerken]

Door de Las Casas en andere denkers van de Spaanse late scholastiek werd de Spaanse kroon onder Karel V geïnformeerd over het geweld tegen de indianen. Reeds de pauselijke bul Sublimus Dei van 1537 had zich bezig gehouden met de buitensporige onderdrukking van de indianen door de Spanjaarden en wees op de menselijke waardigheid van de indianen en hun fundamentele rechten, zoals vrijheid en eigendom. Zo verordende Karel V het geweld te staken, en een junta bijeen te roepen, met als onderwerp de vraag van de rechtvaardiging van de slavernij van de indianen in de Nieuwe Wereld. De commissie bestond uit geleerden, waaronder bekende theologen zoals Bartolomé de Carranza, Melchior Cano en Domingo de Soto. De locatie voor de twee sessies van 15 augustus tot (waarschijnlijk) 15 september 1550, en vanaf 11 april tot 4 mei 1551 was het Dominicaanse klooster Colegio de San Gregorio in Valladolid. Juan Ginés de Sepúlveda, die in Valladolid de belangen vertegenwoordigde van de van het Encomiendasysteem profiterende Spaanse kolonisten en landeigenaren, zag de indianen als barbaren en natuurlijke slaven en trachtte op basis van het aristotelische natuurrechtsdenken de minderwaardigheid van de Indianen aan te tonen: door de natuurlijke rangschikking zag hij de slavernij gerechtvaardigd door overeenkomst met het natuurrecht. Daardoor konden de indianen aan slavernij en oorlogsvoering onderworpen worden.

De Las Casas, die nauw verbonden was met de school van Salamanca en het humanistische denken, zette zich in voor de openbaarmaking van de wrede behandeling van de inheemse indianen door het Spaanse Encomiendasysteem. Hij voerde eveneens het natuurrecht aan tegen de slavernij van de indianen, die hij als vrijgeboren mensen beschouwde. Voor de Las Casas was de aristotelische rede van de "barbaren" oftewel "natuurlijke slaven" in het geval van de indianen niet van toepassing, omdat zij al het verstandelijke gebruik van de rede hadden en daarom zonder dwang tot het christendom te leiden waren. De Las Casas ging gedurende de discussie tegen de bezwaren van de Sepúlveda in, volgens wie de minderwaardigheid van de indianen zonneklaar was door hun onnatuurlijke misdaad van kannibalisme en afgoderij. Bovendien was het idee van de mens als evenbeeld van God een belangrijk uitgangspunt in zijn betoog.

Hoewel de Las Casas herhaaldelijk probeerde om zijn standpunt met persoonlijke ervaringen te staven, stagneerde het dispuut op theoretisch niveau.

De afloop van het dispuut bleef open; beide partijen beweerden later te hebben gewonnen. Geen van de twee was het gelukt om hun doel volledig te bereiken en de Spaanse kroon tot de beoogde politieke beslissingen te bewegen: Noch kon de Las Casas de onmiddellijke stopzetting van de Spaanse veroveringsoorlog in de Nieuwe Wereld bewerkstelligen; het misbruik van de indianen door de Spaanse veroveraars werd niet gestopt. Noch kon de Sepúlveda verhinderen dat nieuwe wetgeving in 1542 werd geïntroduceerd, mede vormgegeven door de Las Casas Leyes Nuevas, en ondersteunt door de Spaanse kroon, om de rechten van de Encomiendas te verzwakken, of beter, de encomendero onder zijn controle te brengen.

Na afloop van het dispuut schreef de Las Casas Aqui se contiene una Disputa. Het bevat een samenvatting van zijn argumentatie.