Domela Nieuwenhuisplantsoen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Domela Nieuwenhuisplantsoen
Het plantsoen in 2017 met rechts de restanten van de kerk
Het plantsoen in 2017 met rechts de restanten van de kerk
Type landschapstuin
Locatie Amsterdam-West
Beheerder buurtbewoners
Voorzieningen geen
Standbeeld van Domela Nieuwenhuis op het nabije Nassauplein

Het Domela Nieuwenhuisplantsoen is een klein plantsoen in de vorm van een driehoek in de Spaarndammerbuurt in Amsterdam-West. Het plantsoen ligt ten noorden van het Westerpark aan de andere kant van de spoorlijn naar Sloterdijk en de Zaanstraat, ten westen van de Spaarndammerstraat en ten zuiden van de Westzaanstraat. Het plantsoen is in 1972 aangelegd op het terrein van de in 1968 gesloopte Maria Magdelenakerk, waarvan de funderingsresten nog in het park terug te vinden zijn.

Het plantsoen is evenals de Domela Nieuwenhuisstraat vernoemd naar Ferdinand Domela Nieuwenhuis. De Domela Nieuwenhuisstraat bestaat sinds 8 juni 1960 maar bevindt zich in een heel ander stadsdeel, namelijk in Osdorp nabij het Jan van Zutphenplantsoen. Het plantsoen kreeg op 20 december 1972 op verzoek van de bewoners deze naam omdat Domela Nieuwenhuis in de nabijheid op de Haarlemmerdijk had gewoond. Het plantsoen kent geen huisnummers.

Het groen in het plantsoen wordt door een groep actieve buurtbewoners regelmatig onderhouden. In 2010 waren er plannen om een deel van het plantsoen te bebouwen en het resterende deel een opknapbeurt te geven. Het stadsdeel onderzoekt de mogelijkheden van woningbouw met een hotel samen met bijvoorbeeld een horecagelegenheid met een terras om het plantsoen een nieuwe impuls geven. [1] De buurtbewoners zagen dat niet zitten en na jarenlang overleg werd besloten het terrein groen te houden. Het werd in 2018 aangepast tot landschapstuin; de optie waarvoor door de bewoners was gekozen uit drie voorstellen.

In de nabijheid, op het Nassauplein, staat het Standbeeld van Domela Nieuwenhuis vervaardigd door beeldhouwer Johan Polet in 1931.